Wanneer is er sprake van alimentatie en alimentatieplicht volgens de tremanorm?

Na een mondeling of schriftelijk overeengekomen alimentatiebedrag, berekend overeenkomstig de tremanormen door een alimentatieadviseur, alimentatiemediator, alimentatieadvocaat of in een alimentatiebeschikking door de alimentatierechter vastgelegd, is er vooreerst sprake van een alimentatieovereenkomst, respectievelijk alimentatieplicht.

Share

Confrontatie van behoefte en draagkracht (vervolg)

Ingeval naast partneralimentatie tevens kinderalimentatie voor een minderjarig- of jongmeerderjarig kind volgens de tremanormen moet worden vastgesteld:

Als de gewezen partner niet alleen op partner- maar ook op kinderalimentatie aanspraak maakt, dient allereerst een draagkrachtberekening te worden gemaakt voor de vaststelling van kinderalimentatie, waarbij altijd de norm voor een alleenstaande wordt gebruikt en de draagkracht in beginsel gelijk wordt verdeeld over alle kinderen die de ouder moet onderhouden.

Is de alsdan berekende draagkracht gelijk aan of lager dan de kosten van de kinderen, dan resteert geen draagkracht meer voor partneralimentatie. Beschikt de onderhoudsplichtige ouder na aftrek van de kinderalimentatie nog over draagkracht, dan kan op de gebruikelijke wijze een tremanorm draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden gemaakt, waarbij de kosten van de kinderen ten laste van de alsdan berekende draagkracht worden gebracht. De resterende draagkracht kan worden aangewend voor partneralimentatie.

Als de kosten van de kinderen tussen de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige worden verdeeld, kan dat deel van deze kosten dat ten laste van de onderhoudsgerechtigde komt in de draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden verwerkt en ten laste van de draagkracht worden gebracht net zoals in de berekening van de onderhoudsplichtige.

Een voorbeeld van deze situatie ter verduidelijking: stel de ouders hebben een kind van 13 jaar. Ouder 1 heeft een besteedbaar inkomen van  € 2.000,- per maand en ouder 2 een besteedbaar inkomen, rekening houdend met de extra heffingskortingen, van € 1.500,- per maand. De behoefte van het kind[1] hebben zij, rekening houdend met de tabel kosten kinderen en het gezamenlijk gezinsinkomen toen men nog samenwoonde, vastgesteld op € 500.- per maand. Vervolgens wordt ieders bijdrage voor het kind bepaald. Het draagkrachtloos inkomen van ouder 1 omvat naast de hier toepasselijke norm voor een alleenstaande, de gebruikelijke kosten voor wonen, ziektekosten en schulden. Stel de draagkracht bedraagt € 470,- plus het belastingvoordeel van de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie dat gemakshalve gesteld wordt op € 43,- per maand, zodat de totale draagkracht van de ouder 1 bedraagt € 513,- per maand. Ouder 2 heeft een draagkracht van € 180,- per maand. Verdeling naar rato van ieders draagkracht leidt tot een bijdrage van € 370,- per maand van ouder 1 en van  € 130,- per maand van ouder 2. Ieders deel van de kosten van het kind wordt ten laste van de draagkracht gebracht. Vervolgens wordt voor beide ouders een draagkrachtberekening gemaakt zoals hiervoor beschreven, waarin de kosten van het kind aan beide zijden als last worden meegenomen. Ten slotte kan met behulp van een jusvergelijking worden bezien welke partneralimentatie redelijk is.

De ontvangen kinderalimentatie is geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder dat dient ter dekking van de eigen kosten en blijft daarom bij de berekening van diens draagkracht dan wel de behoefte buiten beschouwing.



[1] In de tekst wordt met het woord “behoefte” steeds het eigen aandeel van ouders in de kosten van een kind bedoeld en met “de tabel kosten kinderen”



Share

Draagkracht van zelfstandig ondernemers overeenkomstig de tremanormen in crisistijd

In de huidige tijd speelt de situatie dat veel ondernemingen vanwege de verslechterde economische omstandigheden niet of nauwelijks winst maken dan wel verlies lijden. In de basis zal de gerechtvaardigde conclusie dan kunnen zijn dat er (tijdelijk) geen of minder draagkracht is volgens de tremanorm. Alvorens een dergelijke conclusie te trekken, is het echter wel van belang na te gaan of de onderneming in het verleden op basis van behaalde resultaten reserves heeft opgebouwd.

Door het reserveren (niet uitkeren) van winsten ontstaat immers solvabiliteit, oftewel eigen vermogen, als buffer voor tijden dat het minder goed gaat. Nu de reserves om deze reden zijn aangehouden, is het niet onlogisch dat deze reserves zowel voor zakelijke betalingen als voor betalingen aan privé worden aangesproken in tijden dat het inderdaad minder gaat.

Als de onderneming over voldoende reserves beschikt, zal de ondernemer in een verliessituatie interen op deze reserves om in zijn inkomen te kunnen voorzien. Zolang dit bedrijfseconomisch verantwoord en bovenal tijdelijk is, dient de mogelijkheid tot interen op het ondernemingsvermogen

naar onze mening dan ook te worden betrokken in de beoordeling van de draagkracht. Hierbij zijn wij wel van mening dat er dan wel jaarlijks een toetsing moet plaatsvinden, omdat ondernemers uiteraard niet jarenlang kunnen blijven interen op het ondernemingsvermogen.

In deze onzekere economische tijd is onze visie overigens überhaupt dat het voor alimentatieafspraken in het geval van ondernemers verstandig is om afspraken te maken over toekomstige herzieningen. Ons advies daarbij zou zijn om jaarlijks een prognose op te stellen naar de laatste inzichten en deze achteraf te toetsen aan de werkelijk behaalde resultaten. Op basis van deze toetsing kunnen dan eventueel herziene afspraken worden gemaakt. Dit zelfde geldt overigens ook in de situatie dat er sprake is van een startende ondernemer.

Overigens ligt het vraagstuk omtrent het al dan niet interen op het ondernemingsvermogen ten behoeve van de draagkracht gecompliceerder op het moment dat het ondernemingsvermogen behoort tot het te verdelen/verrekenen dan wel reeds verdeelde/verrekende huwelijksvermogen. De vraag is dan gerechtvaardigd in hoeverre het reëel is als de ondernemer ten behoeve van het betalen van alimentatie moet gaan interen op zijn deel van dit vermogen, daar waar de alimentatiegerechtigde uit hoofde van de verdeling over een gelijk vermogen kan beschikken.

Tot slot is nog van belang of de draagkracht wordt beoordeeld ten behoeve van partner- dan wel ten behoeve van kinderalimentatie. In geval er namelijk sprake is van een verlieslatende onderneming, dan kan het casus specifiek gerechtvaardigd zijn dat de conclusie wordt getrokken dat er op basis van het inkomen (tijdelijk) geen draagkracht is. Het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat een rechtbank tot de conclusie komt dat er geen kinderalimentatie hoeft te worden betaald. De vraag is dan echter wel wie dan de kosten van levensonderhoud van de kinderen gaat betalen wanneer de alimentatiegerechtigde ook over onvoldoende draagkracht beschikt. Draagkracht uitsluitend gebaseerd op verwacht inkomen hoeft dan niet altijd allesbepalend te zijn.

Bron: tijdschrift voor relatierecht en praktijk

Share

Wat zijn tremanormen?

De Tremanormen worden door rechtbanken gebruikt om alimentaties uit te rekenen

Het rapport Alimentatienormen (ook wel genaamd de ‘Tremanormen’ of het ‘Tremarapport’) bevat normen en richtlijnen, die rechters kunnen toepassen bij de invulling van de wettelijke begrippen draagkracht en behoefte bij het vaststellen van alimentatie. Met het rapport wordt beoogd de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid te bevorderen en de acceptatie bij de rechtzoekende van de beslissing van de rechter te vergroten.

De zekerheid van de juiste berekening

De door ons gebruikte rekentool INA is het alimentatierekenprogramma dat wordt gebruikt door de rechterlijke macht. Mede hierdoor is het de meest gebruikte rekentool voor alimentatie in Nederland. In INA kunnen stap voor stap de diverse posten worden ingevuld en nagelopen. Zo kunnen onder meer de draagkracht, behoefte, en de verdeling van de kosten van kind(eren) nauwkeurig berekend worden.

Share