Second opinion beschikking kinderalimentatie en partneralimentatie loont!

Bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011, gegeven door de rechter mevrouw mr. A.H.E. van der Pol, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K. van Oirschot, griffier, heeft de rechtbank onder meer in een zaak van een DGA beschikt:

  •  […];
  • bepaalt dat de man € 825,00 (€ 412,50 per kind) per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;
  • bepaalt dat de man € 405,00 per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te voldoen;
  • verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;
  • […].

Bij de bepaling van de draagkracht van de man, heeft de rechtbank, zoals blijkt uit de inhoud van de beschikking van 19 januari 2011 de/het verzoek(en) beoordeeld “met inachtneming van de in het Tremarapport (www.tremarapport.nl) van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak geformuleerde uitgangspunten”. […]. “Derhalve houdt de rechtbank evenals de vrouw rekening met een netto-gezinsinkomen van partijen in 2009 van € 4.011,00 per maand”. […] “Op grond van de Tremanormen bedraagt de behoefte van de kinderen bij voornoemd netto gezinsinkomen € 898,00 per maand, of € 449,00 per kind per maand”. […]. “De behoefte van de vrouw wordt aldus vastgesteld op € 1.868,00 netto per maand. Gebruteerd komt de behoefte van de vrouw op € 2.634,00 bruto per maand. Hierbij is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en € 1.367,00 per jaar aan inkomensafhankelijke bijdrage ziektekosten”. […]. “Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank rekening met het loon van de man van   € 55.531,00 per jaar, zoals blijkt uit zijn jaaropgave 2009”. De rechtbank is er daarbij echter aan voorbij gegaan, dat in het loon de fiscale bijtelling van de personenauto waarvan de 1ste toelating-, de datum aanvang laatste tenaamstelling- en de datum eerste afgifte van het kenteken 30 juni 2006 is geweest, blijkens de bij de RDW opgevraagde informatie, zoals blijkt uit de loonstaat van deze DGA over 2012 (12 * € 900,73 =) € 10.809,00 per jaar is. […]. “Met betrekking tot de overige posten houdt de rechtbank rekening met de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening (datum uitdraai 12-11-2010)”. “De rechtbank hanteert de bijstandsnorm voor een alleenstaande en hanteert voor de kinderalimentatie een draagkrachtpercentage van 70%.” […]. “Met betrekking tot de partneralimentatie hanteert de rechtbank de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%”. […]. “De rechtbank acht deze bijdragen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven […]”.

Ingevolge artikel 1:401 eerste en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen, of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

In het geval van deze DGA is tremanormen.nl van oordeel, dat de beide in de vorige alinea genoemde omstandigheden zich in dit geval voordoen, hetgeen na reconstructie van de draagkrachtberekening door tremanormen, hierna zal worden toegelicht.

De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 betreffende de daarin vastgestelde bedragen voor levensonderhoud, heeft van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord doordat bij die uitspraak van tenminste 10 onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

  1. de rechtbank is bij de berekening van de draagkracht van de man voorbij gegaan aan het negatieve gemiddelde resultaat vóór belastingen, zoals dat blijkt uit de geconsolideerde jaarrekening van de onderneming waarvan de man enig DGA is;
  2. de rechtbank is bij de draagkrachtberekening van de man ten onrechte van een loon inclusief het privégebruik van de auto van de zaak met een fiscale bijtelling van € 5.404,32 per jaar uitgegaan en heeft aan die fiscale bijtelling nota bene in strijd met de Tremanormen tevens ten onrechte draagkracht ontleent;
  3. de rechtbank heeft bij de berekening van het netto-gezinsinkomen van de man en de vrouw de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak (voor de man € 5.404,32 en voor de vrouw € 5.404,32) ten onrechte als loon aangemerkt. Met de fiscale bijtelling voor het privégebruik zowel aan de zijde van de man als van de vrouw, was de rechtbank ten tijde van het afgeven van de beschikking bekend, gelet op de in de beschikking  genoemde brief van de advocaat van de vrouw, en de bij die brief gevoegde producties, waaronder de over meerdere jaren overgelegde salarisspecificaties en jaaropgaven van de man en de vrouw;
  4. de rechtbank heeft tegen-beter-weten-in het netto-gezinsinkomen van de man en de vrouw op basis van de beide jaaropgaven op € 4.011,00 per maand, onjuist vastgesteld door daarbij de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak als loon aan te merken bij de bepaling van het netto-gezinsinkomen, waaruit na reconstructie volgt, dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 3.468,00 per maand bedraagt, derhalve geen € 4.011,00 zoals de rechtbank doet voorkomen;
  5. bij de vaststelling van de kosten van kinderen is de rechtbank uitgegaan van het door de rechtbank onjuist vastgestelde netto-gezinsinkomen van € 4.011,00 per maand hetgeen een kinderalimentatie oplevert van € 898,00 per maand, terwijl de rechtbank diende uit te gaan van een netto-gezinsinkomen van € 3.468,00 per maand, hetgeen na reconstructie een kinderalimentatie oplevert van € 758,00 per maand;
  6. bij de vaststelling van de netto behoefte van de vrouw is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van € 4.011,00 minus (de door de vrouw verzochte kinderalimentatie van) € 825,00 = € 3.168,00 maal 60%  (= Hofnorm) en is de netto-behoefte van de vrouw ten onrechte vastgesteld op € 1.868,00 per maand, terwijl de netto-behoefte van de vrouw na reconstructie van de beschikking in werkelijkheid € 1.626,00 netto per maand bedraagt;
  7. de rechtbank heeft de gebruteerde behoefte van de vrouw onjuist vastgesteld op € 2.634,00 per maand en in strijd met de Tremanormen verzuimd om het kindgebonden budget bij de brutering van de behoefte te betrekken, waardoor de gebruteerde behoefte van de vrouw in werkelijkheid uitkomt op € 2.108,00 per maand;
  8. de rechtbank heeft bij de vaststelling van de draagkracht van de man in strijd met de Tremanormen geen rekening gehouden met de door de man betaalde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 7.405,00 per jaar;
  9. de rechtbank heeft bij de vaststelling van de draagkracht van de man ten onrechte geen rekening gehouden met de tijdens het huwelijk reeds bestaande rentelast verband houdende met een privé rekening-courantschuld aan de Holding van de man;
  10. de rechtbank heeft bij de vaststelling van de draagkracht van de man ten onrechte bepaalt, dat de man € 405,00 per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, aangezien de voor de vrouw bestemde 60% reeds volledig was opgegaan in de voor de kinderen bestemde 70% inclusief het te behalen fiscaal voordeel.

Derhalve, het geheel overziend, is tremanormen.nl van oordeel, dat de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 van meet af aan niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven en om die reden niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd.

De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 betreffende de daarin vastgestelde bedragen voor levensonderhoud, kan bij latere uitspraak worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De gewijzigde omstandigheden ingaande 15 april 2011

  • het gemiddelde resultaat vóór belastingen is gewijzigd;
  • de rekening-courantschuld en de daarmee samenhangende in privé te betalen rente is gewijzigd;
  • de te betalen hypotheekrente is door de boedelverdeling gewijzigd;

De gewijzigde omstandigheden ingaande 1 januari 2012

  • het gemiddelde resultaat vóór belastingen is gewijzigd;
  • de met de rekening-courantschuld samenhangende in privé te betalen rente is gewijzigd;
  • de te betalen hypotheekrente is door de boedelverdeling gewijzigd;
  • de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering is gewijzigd;
  • De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) werd voorheen berekend over maximaal € 32.369,00 * 4,8%, terwijl deze in 2012 over maximaal  € 50.064,00 * 5,65% wordt berekend.

De gewijzigde omstandigheden ingaande 1 april 2012

  • in het 1ste kwartaal van 2012 heeft de dochter de leeftijd van 18 jaar bereikt, waardoor de man vanaf het 2e kwartaal 2012 geen aanspraak meer kan maken op buitengewone lastenaftrek voor de dochter.

Derhalve, het geheel overziend, is tremanormen.nl van oordeel, dat de door tremanormen.nl gereconstrueerde beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 van meet af aan niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven en gelet op de gewijzigde omstandigheden per 15 april 2011 en per 1 januari 2012 en tevens per 1 april 2012 om die redenen niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd.

Ingevolge artikel 1:401 eerste en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek heeft tremanormen.nl de man onder verwijzing naar gepubliceerde jurisprudentie geadviseerd, de thans bevoegde rechtbank te verzoeken, om de beschikking van de Rechtbank Amsterdam met dagtekening 19 januari 2011 te vernietigen en, opnieuw beschikkende te bepalen, dat de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 om alle hiervoor genoemde redenen wordt gewijzigd, met dien verstande:

  • dat de door de man te betalen kinderalimentatie ten bedrage van € 825,00 per maand ingaande 19 januari 2011, op nihil wordt gesteld;
  • indien de kinderalimentatie niet op nihil wordt gesteld, de te betalen kinderalimentatie ingaande 19 januari 2011 te bepalen op in totaal € 758,00 per maand, ingaande 15 april 2011 te bepalen op in totaal € 521,00 per maand, ingaande 1 januari 2012 te bepalen op in totaal € 301,00 per maand, en ingaande 1 april 2012 te bepalen op in totaal € 243,00 per maand;
  • dat de door de man te betalen partneralimentatie ten bedrage van € 405,00 per maand ingaande 8 april 2011, op nihil wordt gesteld;
  • alsmede te bepalen, dat hetgeen de man ten titel van kinderalimentatie en partneralimentatie over de periode waarop de alimentatieverplichting op nihil wordt gesteld onverschuldigd heeft voldaan, en het bedrag dat onverschuldigd voldaan is te benoemen, en te bepalen op tenminste € 13.854,58 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van ontvangst op de griffie van het verzoekschrift van de man, en te bepalen dat de vrouw dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan de man dient te voldoen;
  • met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure

Tremanormen.nl kan voor u ook een second opinion of reconstructie van de beschikking kinderalimentatie en/of partneralimentatie verzorgen en u daarbij adviseren of het zinvol is om in hoger beroep te gaan tegen de beschikking van de rechtbank of een wijzigingsprocedure te starten om bijvoorbeeld de hiervoor genoemde redenen en samen met u kijken wat wel haalbaar is en wat niet te realiseren is. Neem gerust kosteloos telefonisch op 074 – 250 72 73 of per email contact met ons op voor een vrijblijvend oriënterend gesprek òf wanneer u concrete vragen hebt, of het antwoord op uw vraag op deze site niet hebt kunnen vinden. Het maakt dus niet uit, of u alimentatiegerechtigde of alimentatieplichtige bent, immers de uitgangspunten zijn exact hetzelfde.

 

Share

Hoe regel ik alimentatie?

U regelt alimentatie in onderling overleg of via de rechter. U kunt alimentatie regelen als uw relatie eindigt, maar ook erna. Bijvoorbeeld als uw persoonlijke of financiële omstandigheden wijzigen.

Alimentatie samen afspreken bij beëindiging relatie

Bij beëindiging van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenwoning, kunt u met uw ex-partner afspraken maken over alimentatiebetaling. U kunt een afspraak maken over alimentatie voor de ex-partner en voor de minderjarige kinderen. Zo’n afspraak kan in een schriftelijke overeenkomst worden vastgelegd, bijvoorbeeld het scheidingsconvenant. Dit kan gebeuren in overleg met een advocaat of notaris.

Alimentatie samen afspreken ná beëindiging relatie

Als u bij de beëindiging van uw relatie afspreekt geen alimentatieregeling te treffen, kan dat altijd op een later moment nog geregeld worden. Bijvoorbeeld als na verloop van tijd een van beiden niet meer in het eigen levensonderhoud kan voorzien. U kunt dan met uw ex-partner een schriftelijke afspraak maken en deze beiden ondertekenen. Ook kunt u afspreken om uw bestaande alimentatieregeling te wijzigen.

Alimentatie regelen via de rechter

De rechter kan een alimentatieregeling vaststellen als u en uw ex-partner samen geen afspraken maken over een alimentatieregeling en een van u beiden toch financiële ondersteuning nodig heeft.

Wijzigen alimentatieregeling

De rechter kan op verzoek een bestaande alimentatieregeling wijzigen als na verloop van tijd het vastgestelde of afgesproken bedrag niet meer redelijk is door gewijzigde omstandigheden. Dat kan ook als de rechter bij zijn eerdere beslissing is uitgegaan van verkeerde of van onvolledige gegevens. Tenslotte kan de rechter ook een afspraak in een scheidingsconvenant wijzigen of intrekken. Zoiets kan gebeuren als een van u een heel verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven en de ander dat destijds als juist heeft aangenomen. Er is dan sprake van ‘grove miskenning van behoefte of draagkracht’. De rechter vermeldt in de beschikking op welke datum de alimentatie of de wijziging daarvan ingaat.

Kinderalimentatie regelen

Voor kinderalimentatie geldt dat u in onderling overleg afspraken kunt maken over de hoogte van de kinderalimentatie. De rechter bekijkt of het overeengekomen bedrag naar verhouding niet te laag is. Als de rechter dat nodig vindt, kan hij een ander bedrag vaststellen volgens de geldende tremanormen (deze normen worden door rechtbanken gebruikt om alimentaties uit te rekenen). De rechter stelt een bedrag per kind vast dat meestal maandelijks moet worden betaald. De rechter kan ook voor een meerderjarig kind een bedrag vaststellen als ouder en kind er niet samen uitkomen. In de beslissing van de rechter staat wanneer de eerste betaling moet worden gedaan. Hij kan in de beslissing ook voorwaarden opnemen.

Aanvullende bijstandsuitkering

Het kan gebeuren dat u of uw ex-partner niet genoeg heeft aan de alimentatie om in het levensonderhoud te voorzien. Het is dan mogelijk een aanvullende bijstandsuitkering aan te vragen bij de sociale dienst in de eigen woonplaats. De gemeentelijke sociale dienst gaat dan na in hoeverre de ex-partner onderhoudsplichtig is en of de uitgekeerde bijstand op de ex-partner is te verhalen. Een aanvullende bijstandsuitkering kan zowel bij partneralimentatie als bij kinderalimentatie voor minderjarige kinderen worden aangevraagd.

Share

Alimentatie (her)berekenen of gewijzigde omstandigheden?

Alimentatie wordt berekend met toepassing van de Tremanormen. Deze normen zijn door de rechtspraak ontwikkeld en kunnen u vooraf de vaststelling van de alimentatie een indicatie geven over het bedrag aan alimentatie dat betaald dient te worden. Tremanormen.nl kan een berekening voor u maken met inachtneming van de Tremanormen. Tremanormen.nl heeft veel ervaring met het familierecht en staat u graag bij. Neem gerust telefonisch op 074 – 250 72 73 of per email contact met ons op voor een kosteloos vrijblijvend oriënterend gesprek òf wanneer u concrete vragen hebt voor direct advies of een alimentatieberekening.

Om tot een goede alimentatieberekening voor kinderalimentatie en/of partneralimentatie te komen, is het allereerst van belang de draagkracht van de alimentatieplichtige te berekenen. De alimentatieplichtige moet namelijk ook voldoende draagkracht hebben om alimentatie te kunnen betalen en ook zelf nog voldoende middelen over te houden voor het levensonderhoud. Tremanormen.nl kan een draagkrachtberekening maken. Tremanormen.nl heeft veel ervaring met alimentatiezaken en staat u graag bij.

Berekening draagkracht
De berekening is complex. Enerzijds moet er rekening worden gehouden met de financiële situatie van de alimentatieplichtige en anderzijds met de behoefte aan alimentatie van de alimentatiegerechtigde(n). Ook bij de draagkrachtberekening wordt daarom gebruik gemaakt van de Tremanormen. Tremanormen.nl kan voor u een berekening maken.

Factoren
Centraal bij de berekening staat de draagkracht van de alimentatieplichtige en de behoefte van de alimentatiegerechtigde. De draagkracht wordt berekend aan de hand van jaaropgaven, salarisspecificaties, woonlasten, schulden en lopende verzekeringen. Ook toeslagen, zoals de huur- en zorgtoeslag en een kindgebondenbudget worden betrokken in de berekening.

Ontslag en WW-uitkering
Als u als alimentatieplichtige werkloos wordt na de vaststelling van de alimentatieplicht, is het mogelijk, dat u niet meer voldoende geld verdient om de alimentatie te kunnen betalen. In een dergelijk geval bent u aangewezen op een herberekening om de alimentatie te wijzigen.

Eigen inkomen
In het geval uw nieuwe partner geen eigen inkomen heeft, is het mogelijk dat u als alimentatieplichtige juist minder draagkrachtig wordt, doordat uw nieuwe partner geen geld heeft en u uw partner wel moet onderhouden. Ook dan is het raadzaam het advies van Tremanormen.nl in te schakelen.

Alimentatiespecialist
De berekening van de alimentatie is complex en alleen een specialist kan voor u een berekening op maat maken. Het is daarom van belang aan Tremanormen.nl uw zaak voor te leggen voor een correcte berekening Op basis van alle relevante feiten en omstandigheden wordt er voor u een berekening op maat gemaakt. Vraag een berekening op maat aan!

Contact
Wilt u als alimentatieplichtige of alimentatiegerechtigde een alimentatieberekening laten uitvoeren? Neem gerust telefonisch op 074 – 250 72 73 of per email contact met ons op voor een kosteloos vrijblijvend oriënterend gesprek òf wanneer u concrete vragen hebt voor direct advies of een alimentatieberekening.

Share

Maatstaf vaststellen behoefte bij wijziging kinderalimentatie.

Bron: LJN: BX1683, Rechtbank Dordrecht 2o juni 2012, 94281 / FA RK 11-8419

Uitspraak
RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 94281 / FA RK 11-8419

beschikking van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2012

in de zaak van

[vrouw],
wonende te [adres vrouw],
verzoekster tevens verweerster,
advocaat mr. A. Harent,

tegen

[man],
wonende te [adres man],
verzoeker tevens verweerder,
advocaat mr. M.R. Dill.

Partijen worden hieronder aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

1. Het procesverloop
1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:
– het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 augustus 2011;
– het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2011;
– het verweerschrift van de vrouw tegen het zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 9 december 2011;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 18 januari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 23 januari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen ter griffie op 25 januari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 27 januari 2012.

1.2. De rechtbank heeft naar de mening gevraagd van de minderjarige [minderjarige].

1.3. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 februari 2012.

1.4. Ter terechtzitting zijn verschenen:
– de man, bijgestaan door zijn advocaat;
– de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, die een pleitnotitie heeft overgelegd.

1.5. Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank nog kennis genomen van de volgende processtukken:
– het faxbericht met bijlage van de vrouw, ingekomen ter griffie op 14 februari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 16 februari 2012;
– het faxbericht van de vrouw, ingekomen ter griffie op 23 februari 2012.

2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1. Partijen zijn op 26 september 1991 te Dordrecht met elkaar gehuwd.

2.2. Uit hun huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarigen:
[minderjarige] op [geboortedatum+plaats minderjarige] (hierna: [roepnaam minderjarige]);
[minderjarige2] op [geboortedatum+plaats minderjarige2] (hierna: [roepnaam minderjarige2]).

2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 15 september 2004 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is verder onder meer bepaald dat de man ten behoeve van de voornoemde minderjarigen een alimentatie zal betalen van € 275,– per kind per maand.

2.4. De echtscheidingsbeschikking is op 5 oktober 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.5. Bij een daaropvolgende beschikking van deze rechtbank van 14 september 2007 is de door de man te betalen kinderalimentatie aan de vrouw voor [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] met ingang van 1 januari 2007 verlaagd tot € 214,– per kind per maand.

2.6. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2011 is vervolgens bepaald dat [roepnaam minderjarige] haar woonplaats heeft bij de man en [roepnaam minderjarige2] zijn woonplaats bij de vrouw. Daarbij is de door de man te betalen kinderalimentatie aan de vrouw voor [roepnaam minderjarige] met ingang van 1 april 2010 op nihil gesteld.

2.7. Krachtens wettelijke indexering is de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige2] met ingang van 1 januari 2012 verhoogd tot € 234,56 per maand.

3. Het verzoek en het verweer
Het verzoek
3.1. De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man ten behoeve van de minderjarige [roepnaam minderjarige] een kinderalimentatie van € 234,56 per maand dient te voldoen, met ingang van 1 april 2011, althans vanaf een door de rechtbank redelijk geachte datum.

3.2. De vrouw stelt daartoe dat [roepnaam minderjarige] sinds 20 maart 2011 weer definitief woonachtig is bij de vrouw. De vrouw is van mening dat de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige], zoals die eerder was vastgesteld in de beschikking van 14 februari 2007 (geïndexeerd naar een bedrag van € 234,56 per maand), met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2011, weer door de man aan de vrouw dient te worden voldaan.

Het verweer en het zelfstandig verzoek
3.3. De man voert verweer en verzoekt de rechtbank het verzoek van de vrouw af te wijzen en uitvoerbaar bij voorraad in goede justitie een nieuw bedrag aan kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de daadwerkelijke behoefte van [roepnaam minderjarige] en draagkracht van partijen.

3.4. Bij wege van een zelfstandig verzoek verzoekt de man, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de kinderalimentatie voor de beide kinderen wordt vastgesteld conform de daadwerkelijke behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen.

3.5. Door de man wordt de hoogte van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] betwist. De man voert aan dat deze lager is dan de behoefte die blijkt in het verzoekschrift, omdat het gezamenlijk bruto maandinkomen ten tijde van het huwelijk van partijen € 2.300,– bedroeg.

3.6. Daarnaast voert de man aan dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de bij beschikking van 14 september 2007 gewijzigde kinderalimentatie te voldoen.
De man voert daartoe aan dat hij naast [roepnaam minderjarige2] en [roepnaam minderjarige] nog drie minderjarige kinderen dient te onderhouden. Nadat de man is getrouwd met zijn huidige vrouw, mevrouw [huidige vrouw vd man], hebben zij samen een kind heeft gekregen, te weten [minderjarige uit huidige huwelijk vd man]. De man stelt dat de behoefte van [roepnaam mj huidige huwelijk vd man] kan worden vastgesteld op € 348,–. Daarnaast heeft de man, vanwege zijn huwelijk met [huidige vrouw vd man], tevens een onderhoudsverplichting naar twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie van [huidige vrouw vd man], te weten [kindY] en [kindZ]. Tussen [huidige vrouw vd man] en haar ex-partner, de [ex-partner huidige vrouw vd man], geldt een co-ouderschap over [kindY] en [kindZ] en de behoefte van [kindY] en [kindZ] kan volgens de man worden gesteld op een bedrag van € 127,50 per kind per maand.

3.7. Voorts voert de man met betrekking tot zijn draagkracht aan dat [huidige vrouw vd man] niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De inkomsten uit haar eigen kappersbedrijf zijn te gering. Hierdoor kan [huidige vrouw vd man] slechts pro rato bijdragen aan de kosten van huisvesting, aldus de man. Daarbij kan [huidige vrouw vd man] niet meer uren werken dan zij thans doet, aangezien [roepnaam mj huidige huwelijk vd man] extra zorg nodig heeft omdat bij haar selectief mutisme is gediagnosticeerd. Voorts heeft de vrouw de zorg over [kindY] en [kindZ].

3.8. Met betrekking tot het ontbreken van de draagkracht heeft de man bovendien aangevoerd dat er sprake is van schulden. In totaal lossen de man en [huidige vrouw vd man] een bedrag van € 463,– per maand af aan schulden. Ten eerste een schuld van € 15.000,– aan de heer [NN], welke schuld de man en [huidige vrouw vd man] zijn aangegaan in verband met noodzakelijke herinrichting, aflossing van overige (huwelijkse) schulden en de achterstand in alimentatieverplichtingen. De man en [huidige vrouw vd man] lossen daar € 200,– per maand op af. Daarnaast heeft de man samen met [huidige vrouw vd man] een schuld bij de Nederlandse Energie Maatschappij (het saldo bedroeg per 18 februari 2011 € 2.987,13), waar zij € 263,– per maand op dienen af te lossen.

3.9. Tenslotte voert de man aan dat door de vrouw te kennen is gegeven dat haar inkomen is gestegen, zodat zij, naar de mening van de man, meer dient bij te dragen aan de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Het verweer tegen het zelfstandig verzoek
3.10. De vrouw voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man en verzoekt het zelfstandig verzoek van de man niet ontvankelijk te verklaren danwel af te wijzen.

3.11. Met betrekking tot de behoefte van de kinderen voert de vrouw aan dat partijen destijds bij convenant een bijdrage van € 275,– per kind per maand zijn overeengekomen. Naar de mening van de vrouw dienen de kosten per maand per kind, rekening houdend met de indexering, gesteld te worden op een bedrag van € 313,– (2011) of € 317,07 (2012).

3.12. De vrouw stelt dat zij altijd alle kosten voor de kinderen heeft voldaan. De vrouw wijst daarbij op de hoge kosten voor de orthodontist voor beide kinderen, die slechts gedeeltelijk worden vergoed door de zorgverzekeraar. De vrouw is van mening dat genoemde kosten van de kinderen nog reëel zijn.

3.13. Met betrekking tot de draagkracht van de vrouw stelt zij dat zij is gaan werken omdat dit financieel noodzakelijk was. Toen [roepnaam minderjarige] bij de man is gaan wonen, heeft de vrouw nog diverse kosten voldaan, maar de man heeft zijn bijdrage destijds direct stopgezet. Hoewel [roepnaam minderjarige] inmiddels alweer geruime tijd bij de vrouw woont, voldoet de man echter geen enkele bijdrage voor [roepnaam minderjarige].

4. De beoordeling
Wijziging van omstandigheden
4.1. De vrouw heeft om de vaststelling van de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] verzocht van € 234,56 per maand. De man verzoekt om de kinderalimentatie voor zowel [roepnaam minderjarige] als [roepnaam minderjarige2] vast te stellen conform de werkelijke behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen. Beide partijen verzoeken wijziging van de respectievelijk bij beschikking van 14 februari 2007 en bij beschikking van 12 januari 2011 gewijzigde kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige2] en [roepnaam minderjarige].

4.2. Ingevolge artikel 401 eerste lid van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.3. In het licht van de beschikkingen van 14 februari 2007 en 12 januari 2011 dient beoordeeld te worden of er sprake is van een dergelijke wijziging van omstandigheden.
Ten aanzien van de bij beschikking van 12 januari 2011 op nihil gestelde kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] heeft de vrouw ter onderbouwing van de gewijzigde omstandigheid gesteld dat [roepnaam minderjarige] thans weer bij de vrouw woont. Dit is door de man niet betwist, zodat de vrouw wordt ontvangen in haar verzoek.
Ter onderbouwing van het zelfstandig verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie van beide kinderen, stelt hij onder meer dat de wijziging van omstandigheden gelegen is in een wijziging van het inkomen van de vrouw. De man heeft gesteld dat het inkomen van de vrouw is gestegen en dat zij pro rato naar draagkracht dient bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2].
Hieromtrent wordt overwogen dat op basis van de overgelegde stukken is komen vast te staan dat het huidige inkomen van de vrouw substantieel hoger is dan haar inkomen ten tijde van het wijzen van de beschikking in januari 2007. Uit de door de vrouw overgelegde belastingaangifte 2008 blijkt immers dat de totale inkomsten uit dienstbetrekking van de vrouw in 2008 € 10.517,– bedroegen, terwijl uit de overgelegde jaaropgave van de vrouw uit 2011 blijkt dat zij in 2011 een bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking had van € 20.493,–.
Nu vaststaat dat de vrouw meer is gaan verdienen, zal de man eveneens worden ontvangen in zijn verzoek. Gelet op deze wijziging van omstandigheden ziet de rechtbank voldoende aanleiding om tot herbeoordeling over te gaan. Hieronder zal de huidige behoefte van zowel [roepnaam minderjarige] als [roepnaam minderjarige2] worden besproken alsmede de financiële situatie (en daarmee de draagkracht) van de man en de vrouw.

De behoefte van de minderjarigen
4.4. Tussen partijen is de hoogte van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] in geschil. Partijen zijn in 2004 gescheiden. De hoogte van het netto gezinsinkomen is, tezamen met de leeftijd van het kind, bepalend voor de hoogte van de behoefte van het kind. Conform het ‘Rapport Alimentatienormen’ is voor vaststelling van de hoogte van de behoefte van belang de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk, tenzij het huidige inkomen van één van de ouders het voormalig netto gezinsinkomen overstijgt.

4.5. Op grond van de stukken is niet duidelijk geworden wat het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk precies betrof. Door de man is zijn verweerschrift onder punt 13. gesteld dat het gezamenlijke bruto maandinkomen van partijen destijds € 2.300,– bedroeg en dat de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] bestond uit een bedrag van € 226,- per kind per maand. In een aanvullend schrijven van de man, ter griffie ontvangen op 23 januari 2012, stelt de man echter dat vanwege het netto gezinsinkomen van € 1.500,–, ten aanzien van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] uitgegaan dient te worden van een behoefte van € 117,50 per kind. Ter onderbouwing van het bedrag van € 1.500,– heeft de man zijn loonstroken van 2004 overgelegd, waaruit blijkt dat de man destijds een netto inkomen van ongeveer € 1.500,– per maand (exclusief vakantiegeld) ontving. Onduidelijk is gebleven welk inkomen de vrouw destijds ontving. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is evenwel gebleken dat de vrouw thans een substantieel hoger inkomen verwerft dan in 2004. De rechtbank is van oordeel dat een verhoging van het totale (gezins)inkomen na de beëindiging van het huwelijk eveneens van invloed is op de hoogte van de behoefte van het kinderen; indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd, zou de verhoging immers ook een positieve invloed gehad hebben op het bedrag dat ten behoeve van de minderjarigen zou zijn uitgegeven gedurende het huwelijk. Derhalve acht de rechtbank het redelijk dat de hoogte van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] thans wordt vastgesteld op basis het huidige inkomen van de man en het huidige inkomen van de vrouw. De rechtbank hanteert de bruto methode, waarbij het besteedbaar inkomen zal worden verminderd met de door de werkgever vergoede inkomensafhankelijke bijdrage ZVW en zal geen rekening worden gehouden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente, van premie lijfrente en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Het inkomen van de man
4.6. De rechtbank gaat bij de berekening van het inkomen van de man uit van de volgende van belang zijnde financiële gegevens. De rechtbank zal de bedragen afronden op hele euro’s en de tarieven van 2011 tweede helft hanteren:
– het inkomen uit arbeid van de man wordt, uitgaande van de overgelegde jaaropgave 2011 van [werkgever man], berekend op een bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking van € 37.172,– per jaar;
– de bijdrage werkgever inkomensafhankelijke premie ZVW van in totaal € 2.591,– per jaar;
– de heffingskortingen (te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting);
– de inkomensheffing in box 1.

4.7. Met inachtneming van het voorgaande kan het netto inkomen van de man worden vastgesteld op € 26.805,– per jaar (€ 2.234,– per maand). Hierop wordt de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2.591,– per jaar (€ 216,– per maand) in mindering gebracht, zodat het inkomen € 24. 214,– per jaar (€ 2.018,– per maand) bedraagt.

Het inkomen van de vrouw
4.8. De rechtbank gaat bij de berekening van het inkomen van de vrouw uit van de volgende van belang zijnde financiële gegevens. De rechtbank zal de bedragen afronden op hele euro’s en de tarieven van 2011, tweede helft, hanteren:
– het inkomen uit arbeid van de vrouw wordt, uitgaande van de overgelegde jaaropgave 2011 van [werkgever vrouw], berekend op een bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking van € 20.493,– per jaar;
– de bijdrage werkgever inkomensafhankelijke premie ZVW van € 1.473,– per jaar;
– de heffingskortingen (te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting). Nu voor de berekening van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] wordt uitgegaan van het gezamenlijke inkomen van partijen zoals dit in een huwelijkssituatie zou zijn geweest, worden de alleenstaande ouderkorting en de combinatiekorting nog niet meegenomen in de berekening van het inkomen van de vrouw. Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zullen deze heffingskortingen wel worden meegenomen ter bepaling van haar aandeel van de kosten van de kinderen;
– de inkomensheffing in box 1.

4.9. Met inachtneming van het voorgaande kan het netto inkomen van de vrouw worden vastgesteld op € 17.124,– per jaar (€ 1.427,– per maand). Hierop wordt de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 1473,– per jaar (€ 123,– per maand) in mindering gebracht, zodat het inkomen € 15.651,– per jaar (€ 1.304,– per maand) bedraagt.

Het totale (gezins)inkomen
4.10. Het totale netto (gezins)inkomen bedraagt op grond van het voorgaande € 3.322,00 per maand. De rechtbank sluit voor de vaststelling van de hoogte van de behoefte van het kind aan bij het rapport ‘Kosten van Kinderen ten behoeve van vaststelling van kinderalimentatie’. Uitgaande van de CBS-Nibudtabel met betrekking tot het eigen aandeel in de kosten van de kinderen – rekening houdende met twee kinderen geboren in 1994 en 1998 (2 kinderbijslagpunten) en het netto inkomen van € 3.322,00 per maand – bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] € 719,00 per maand, dat wil zeggen € 359,50 per kind per maand.

De financiële omstandigheden van de man
4.11. Voor de financiële omstandigheden van de man wordt verwezen naar hetgeen in rechtsoverweging 4.6 en 4.7 is overwogen.

4.12. Het inkomen uit eigen woning en de hoogte van de woonlasten van de man zijn tussen partijen in geschil.

De man acht het redelijk indien zijn partner, [huidige vrouw vd man], voor 16 %, zijnde 1/6 deel, bijdraagt in de huisvestingskosten, nu haar inkomen 1/6 deel is van het gezamenlijk inkomen van de man en [huidige vrouw vd man]. De man heeft aangevoerd dat [huidige vrouw vd man] niet in staat is zelf in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien aangezien zij volgens de stukken in 2010 een bedrijfsresultaat had van € 7.631,12. Daarbij voert de man aan dat van [huidige vrouw vd man] niet gevergd kan worden dat zij meer uren gaat werken dan gemiddeld 2,5 dag per week, omdat zij de zorg heeft over [roepnaam mj huidige huwelijk vd man] en de twee jonge kinderen heeft uit haar eerdere relatie. Door de vrouw is betwist dat [huidige vrouw vd man] niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij voert aan dat de man niet heeft aangetoond dat [huidige vrouw vd man] extra zorgtaken heeft voor [roepnaam mj huidige huwelijk vd man].
De rechtbank overweegt hieromtrent dat sinds 1 maart 2009, de datum van inwerkingtreding van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding, in artikel 1: 400 BW een expliciete voorrang voor kinderalimentatie is opgenomen. In het geval dat de onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner dient rekening te worden gehouden met de helft van de totale woonlast, tenzij aangetoond wordt dat van de partner niet gevergd kan worden een zodanige bijdrage in deze woonlasten te leveren.
Gelet hierop wordt de echtgenote van de man geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Door de man zijn in de onderhavige procedure onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden vastgesteld dat [huidige vrouw vd man] vanwege haar (extra) zorgtaken voor [roepnaam mj huidige huwelijk vd man], [kindZ] en [kindY] niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Derhalve zal de helft van het eigenwoningforfait en de rente en kosten van de hypothecaire schuld in verband met de eigen woning aan [huidige vrouw vd man], de echtgenote van de man, worden toegerekend.

Voorts is de hoogte van de rente en kosten van de hypothecaire schuld in verband met de eigen woning van de man in geschil. Na de beschikking van 14 februari 2007 heeft de man per 26 oktober 2007 zijn hypotheek verhoogd met een bedrag van € 26.000,–. Ter terechtzitting heeft de man toegelicht dat deze verhoging van de hypotheek noodzakelijk was vanwege noodzakelijk vervanging van de keuken en de badkamer. Door de vrouw is de noodzaak van de verhoging van de hypotheek betwist. De rechtbank overweegt dat de man gezien zijn toenmalig reeds bestaande alimentatieverplichting onvoldoende heeft aangetoond dat hij genoodzaakt is geweest om de hypotheek ten koste van zijn draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie te verhogen. De rechtbank zal derhalve geen rekening houden met de verhoogde renteverplichting en kosten over de lening van € 26.000,–.

Het belastbare inkomen uit eigen woning van de man, waarbij de rechtbank uitgaat van een WOZ-waarde van € 204.000,– , bedraagt derhalve € 3.600,– per jaar negatief, zijnde de helft van het eigenwoningforfait van € 561,– verminderd met de helft van de jaarlijkse hypothecaire rentelast van € 4.161,–.

4.13. In de berekening zal de helft van het kindgebonden budget te weten € 638,– worden meegenomen, nu de man het bedrag tezamen met zijn huidige partner [huidige vrouw vd man] ontvangt voor hun dochter [roepnaam mj huidige huwelijk vd man].

4.14. Het besteedbaar inkomen van de man, na aftrek van de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, bedraagt € 26.364,– per jaar, ofwel
€ 2.197,– per maand.

De draagkracht van de man
4.15. Door de man is gesteld dat zijn draagkracht niet toereikend is om de door de vrouw verzochte kinderalimentatie te betalen.

4.16. De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de man de navolgende maandelijkse lasten op zijn besteedbaar inkomen in mindering:
– het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 924,–;
– de woonkosten van € 245,–, bestaande uit de helft van de hypotheekrente van € 347,– en de helft van de premie voor de voor de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering van € 60,– en de helft van het forfait eigenaarslasten van € 48,–, op welke bedragen de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 210,– in mindering strekt;
– de ziektekosten van in totaal € 61,– bestaande uit premie Zorgkostenverzekeringswet
van € 128,– en de premie aanvullende ziektekostenverzekering van € 30,– , verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 45,– en de zorgtoeslag van € 52,–. Door de man is met betrekking tot het eigen risico van de ziektekosten onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hij het eigen risico heeft gerealiseerd zodat het bedrag niet wordt meegenomen in de draagkrachtberekening;
– kosten omgangsregeling € 80,–.

4.17. De rechtbank houdt geen rekening met de premiebetaling van € 50,– voor de polis
van de levensverzekering van [huidige vrouw vd man], aangezien de betaling van deze polis, die als vermogensvormend moet worden beschouwd, niet prevaleert boven de bijdrage voor de kinderen.

4.18. Met betrekking tot de door hem opgevoerde schulden heeft de man ter terechtzitting verklaard dat de man de schuld bij de Nederlandse Energie Maatschappij vanwege de energieachterstand, waarvoor hij € 263,– per maand betaalde, volledig heeft afgelost. Door de man is derhalve verzocht om enkel rekening te houden met de schuld van de man van € 15.000,– aan de heer [NN], waarop de man € 200,– per maand op aflost.
Hieromtrent overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie met schulden die zijn aangegaan ná het tot stand komen van de alimentatieverplichting rekening wordt gehouden, tenzij het aangaan van deze schulden onnodig was dan wel anderszins onredelijk is jegens de alimentatiegerechtigde.
Met betrekking tot de lening die de man bij de heer Jongman is aangegaan, is aangevoerd dat dit is gedaan in verband met noodzakelijke herinrichting, aflossing van overige (huwelijkse) schulden en de achterstand in alimentatieverplichtingen. Met betrekking tot de herinrichtingskosten is in de beschikking van 14 februari 2007 onder punt 4.21 reeds overwogen dat de man na de verdeling van de huwelijksgemeenschap een bedrag van
€ 11.000,– heeft ontvangen, zodat de noodzaak tot het aangaan van een lening ten behoeve van de herinrichting niet is aangetoond. Dat het aangaan van de lening noodzakelijk was vanwege een achterstand in alimentatieverplichtingen en overige huwelijkse schulden is onvoldoende aangetoond, zodat mede gezien de prioriteit van de verplichting tot kinderalimentatie, geen rekening wordt gehouden met deze opgevoerde last.

4.19. Tenslotte wordt er geen rekening gehouden met de € 13,– per maand die de man voor [huidige vrouw vd man] aan de belastingdienst betaalt, nu niet is onderbouwd op grond waarvan de man deze betaling verricht en dat deze dient te prevaleren ten opzichte van de geldende verplichting tot kinderalimentatie.

4.20. Gelet op het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 887,– per maand. Hiervan is 70 % beschikbaar voor kinderalimentatie, te weten € 621,–. De draagkracht van de man dient vervolgens te worden verdeeld over drie kinderen, namelijk [roepnaam minderjarige], [roepnaam minderjarige2] en [roepnaam mj huidige huwelijk vd man]. Door de man is aangevoerd dat zijn draagkracht tevens over de helft van de behoefte van [kindZ] en [kindY] dient te worden verdeeld. Hieromtrent wordt overwogen dat de man onvoldoende gegevens heeft verstrekt ten aanzien van de kosten van [kindZ] en [kindY] en ten aanzien van de hoogte van de bijdrage die hierin door de ex-partner van [huidige vrouw vd man] wordt geleverd. De draagkracht van de man wordt derhalve verdeeld over drie kinderen, waarvan na aftrek van het deel van [roepnaam mj huidige huwelijk vd man], ten behoeve van de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2], rekening houdend met het fiscaal voordeel van € 116,–, een bedrag resteert van € 530,– in totaal.

De financiële omstandigheden van de vrouw
4.21. Voor de financiële omstandigheden van de vrouw wordt verwezen naar hetgeen in rechtsoverweging 4.8 en 4.9 is overwogen.

4.22. Het belastbare inkomen uit eigen woning van de vrouw, bedraagt € 2.811,– per jaar negatief, zijnde het eigenwoningforfait van € 924,– verminderd met de jaarlijkse hypothecaire rentelast van € 3.735,– .

4.23. Voor de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank voorts rekening met de navolgende fiscale aspecten:
– de alleenstaande ouderkorting;
– combinatiekorting.

4.24. Het kindgebonden budget waarvoor de vrouw in aanmerking komt, bedraagt
€ 1.993,– op jaarbasis.

De draagkracht van de vrouw
4.25. Ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de vrouw worden de navolgende maandelijkse lasten op haar besteedbaar inkomen in mindering gebracht:
– het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 924,–;
– de woonkosten van € 196,–, bestaande uit de hypotheekrente van € 311,– en het forfait eigenaarslasten (€ 95,–), op welke bedragen de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 210,– in mindering strekt;
– de ziektekosten van in totaal € 91,–, bestaande uit premie Zorgkostenverzekeringswet
(€ 136,–) verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 45,–. Door de vrouw is met betrekking tot het eigen risico van de ziektekosten onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij het eigen risico heeft gerealiseerd zodat het bedrag niet wordt meegenomen in de draagkrachtberekening.

4.26. Gelet op het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de vrouw € 540,– per maand. Hiervan is 70 % beschikbaar voor kinderalimentatie, te weten € 378,–.

Draagkrachtvergelijking
4.27. Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank de totale draagkracht van de vrouw en de man op € 908,– (€ 378,– aan de zijde van de vrouw en € 530,–, aan de zijde van de man, rekening houdende met het fiscaal voordeel voor de man wegens het betalen van een onderhoudsbijdrage van € 116,–)

4.28. De verdeling van de kosten van de kinderen over beide ouders kan berekend worden volgens de formule: Ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het deel van de man bedraagt: 530/908 x 791= € 462,–
Het deel van de vrouw bedraagt: 378/908 x 791= € 329,–

4.29. Gelet op de hiervoor vermelde financiële gegevens dient de man aan de vrouw ten behoeve van de minderjarigen een totale bijdrage te betalen van € 462,– per maand.
Derhalve zal aan de man een onderhoudsverplichting worden opgelegd van € 231,– per kind per maand.

4.30. Op de kinderalimentatie is de wettelijke indexering van toepassing.

Ingangsdatum
4.31. In geschil is de datum waarop de alimentatieverplichting van de man dient te worden gewijzigd. De vrouw verzoekt als ingangsdatum 1 april 2011 te hanteren. De man betwist deze ingangsdatum en verzoekt van de datum van deze beschikking, danwel van het inleidend verzoekschrift, uit te gaan.

4.32. De rechtbank ziet geen aanleiding om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht per 1 april 2011 te wijzigen. De rechtbank acht het in onderhavige zaak redelijk om de verplichting te wijzigen met ingang van 1 augustus 2011, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift. Partijen hebben met ingang van die datum rekening kunnen houden met een eventuele wijziging in de door de man te betalen alimentatie.

Proceskosten
4.33. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank:
5.1. wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2011 aan de man ten
behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op 30 november 1994 te
Dordrecht, op nihil gestelde alimentatiebijdrage;

5.2. wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2007 aan de man ten
behoeve van de minderjarige [minderjarige2], geboren op [geboortedatum+plaats minderjarige2], opgelegde alimentatiebijdrage;

5.3. bepaalt de door de man aan de vrouw ten behoeve van de hiervoor genoemde
minderjarigen te betalen alimentatie met ingang van 1 augustus 2011 op € 231,– (tweehonderdéénendertig euro) per kind per maand;

5.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

5.6. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M.J. Janssen, rechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 20 juni 2012.

Share

Kinderalimentatie. Rechtsverwerking. Specifieke omstandigheden van het geval.

Bron: LJN: BX2754, Gerechtshof ‘s-Gravenhage d.d. 25-07-2012, zaaknr 200.103.068/01

Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht

Uitspraak : 25 juli 2012
Zaaknummer : 200.103.068/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-3765

[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D.H.J. Krouwel te ‘s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat voorheen mr. R.K. van der Brugge te ‘s-Gravenhage, thans geen advocaat bekend.

Als belanghebbende is opgeroepen:
[thans jongmeerderjarige],
geboren [in] 1994 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de thans jongmeerderjarige.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 29 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 november 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
– op 13 maart 2012 een brief van 12 maart 2012 met bijlagen;
van de zijde van de moeder:
– op 27 april 2012 een brief van 24 april 2012;
– op 4 mei 2012 een brief van 2 mei 2012.

De zaak is op 7 juni 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
– de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
– de thans jongmeerderjarige.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 3 februari 1999 van de rechtbank Amsterdam.

Bij beschikking van 3 februari 1999 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de vader fl. 300,– per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de thans jongmeerderjarige.

Bij de bestreden beschikking is – met wijziging in zoverre van de beschikking van 3 februari 1999 – de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de thans jongmeerderjarige bepaald op € 61,13 per maand voor de periode van 15 juni 2011 tot 1 januari 2012 (in de bestreden beschikking staat foutief vermeld
23 maart 2012) en op € 61,92 per maand over de periode vanaf 1 januari 2012, vanaf 29 november 2011 telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de vader binnen veertien dagen na 29 november 2011 € 203,18 aan de moeder dient te voldoen ter zake schoolkosten van de thans jongmeerderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
– bij beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank Arnhem is de thans jongmeerderjarige onder toezicht gesteld van Jeugdzorg en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de periode van 15 juni 2011 tot 23 maart 2012.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de thans jongmeerderjarige.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het verzoek van de vader om de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 op nihil te stellen dan wel de moeder de kinderalimentatie over de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 te ontzeggen alsnog wordt toegewezen.

3. De moeder heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd. Bij voormelde brief van 4 mei 2012 heeft de moeder het hof bericht dat zij niet zal verschijnen op de mondelinge behandeling van het hof.

4. De vader stelt dat naast het feit dat de moeder acht jaren lang heeft stilgezeten en niet om hervatting van betaling van de kinderalimentatie heeft verzocht, er bijzondere omstandigheden zijn als gevolg waarvan bij de vader het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de moeder haar recht tot invordering van de achterstallige kinderalimentatie niet meer geldend zou maken.
De vader voert daartoe aan dat partijen een stilzwijgende afspraak hebben gemaakt, inhoudende dat de vader de thans jongmeerderjarige vanaf januari 2003 niet meer zou zien en hij voor haar vanaf dat moment ook geen kinderalimentatie meer zou betalen. Daarnaast mocht de vader na ontvangst van de brief van het LBIO gedateerd 28 januari 2011, inhoudende het verzoek om kinderalimentatie vanaf augustus 2010 aan de moeder te voldoen, er gerechtvaardigd van uitgaan dat de moeder slechts aanspraak maakte op kinderalimentatie vanaf de laatst gemelde datum. In reactie op de daarna door de advocaat van de moeder op 8 juli 2011 rechtstreeks aan de vader gestuurde brief, waarin de vader wordt verzocht een bedrag van € 12.421,68 aan achterstallige kinderalimentatie over de periode van april 2004 tot augustus 2010 binnen veertien dagen te voldoen, heeft hij pas zijn gewijzigde inleidend verzoekschrift ingediend, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht de kinderalimentatie per 9 januari 2003 op nihil te stellen. De vader kon er na verloop van acht jaren en bij het in zicht komen van het meerderjarig worden van de thans jongmeerderjarige gerechtvaardigd van uitgaan dat de moeder zelf in de behoefte van de thans jongmeerderjarige voorzag en geen aanspraak meer zou maken op een bijdrage zijdens de vader. De vader stelt zich voorts op het standpunt dat de moeder heeft ingestemd met een beëindiging van de betaling van kinderalimentatie per januari 2003, dan wel dat hij dit uit haar verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mocht afleiden.
Daarnaast stelt de vader nog dat hij onredelijk in zijn positie zou worden benadeeld indien de moeder alsnog de achterstallige kinderalimentatie zou incasseren, nu de moeder geen behoefte had aan de bijdrage, terwijl de vader een lening zal moeten afsluiten om haar het bedrag van € 10.332,49 (het bedrag van de achterstallige kinderalimentatie over de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011) te betalen.

5. De thans jongmeerderjarige heeft ter terechtzitting verklaard achter het verzoek van de vader te staan, onder meer stellende dat de moeder de kinderalimentatie niet nodig had, mede gelet op het feit dat zij al sinds juli 2010 niet meer bij de moeder verblijft.

6. Het hof stelt voorop dat van rechtsverwerking in beginsel slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel een tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist, als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser die aanspraak alsnog geldend zou maken.

7. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is het hof van oordeel dat het beroep van de vader op rechtsverwerking gehonoreerd moet worden. Daartoe overweegt het hof het volgende. Vast staat dat de vader vanaf januari 2003 geen kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald. Tot medio 2011 heeft de moeder hiertegen niet geprotesteerd, naar haar eigen verklaring omdat zij bang was voor de vader en zijn familie. Deze stelling is door de moeder evenwel niet onderbouwd, terwijl de vader weerspreekt dat daarvoor gronden aanwezig zouden zijn. In de tussenliggende periode van acht jaren is door de moeder nooit om betaling van kinderalimentatie verzocht, heeft zij anderszins evenmin aan de orde gesteld dat de vader in gebreke was met de betaling van een bijdrage voor de thans jongmeerderjarige en ook heeft zij in die periode niet getracht de beschikking van 3 februari 1999 te executeren. Het hof gaat daarbij voorbij aan de verklaring van de moeder ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende dat zij reeds in 2009 een beroep heeft gedaan op betaling van achterstallige kinderalimentatie via het LBIO, nu zij deze stelling, bij betwisting daarvan door de vader, (in hoger beroep) niet met stukken heeft onderbouwd. Het enkele tijdsverloop vormt op zichzelf echter geen bijzondere omstandigheid die rechtsverwerking rechtvaardigt.

8. In dit specifieke geval zijn naar het oordeel van het hof echter bijzondere omstandigheden aanwezig die in onderlinge samenhang bezien tezamen met het vorenstaande maken dat bij de vader het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de moeder haar aanspraak op kinderalimentatie niet (meer) geldend zou maken. Deze bijzondere omstandigheden zijn vooreerst gelegen in de door de moeder gedurende het tijdvak april 2004 tot augustus 2010 jegens de vader ingenomen houding. De vader heeft gesteld dat sprake was van een stilzwijgende afspraak tussen partijen inhoudende dat de vader de thans jongmeerderjarige vanaf januari 2003 niet meer zou zien en dat hij aan de moeder vanaf dat moment ook geen kinderalimentatie meer zou betalen. Hoewel het bestaan van deze stilzwijgende afspraak door de moeder in eerste aanleg is betwist, is gebleken dat gedurende de periode van acht jaar de vader niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en dat evenmin omgang tussen de vader en de thans jongmeerderjarige heeft plaatsgevonden. Dat door de moeder het uitblijven van deze omgang evenmin op enig moment bij de vader aan de orde is gesteld, maakt haar betwisting van de stelling van de vader met betrekking tot de stilzwijgende afspraak onaannemelijk. Vast staat in ieder geval dat de moeder jarenlang geen betaling van de kinderalimentatie heeft gevorderd en er tussen de vader en zijn dochter geen omgang heeft plaats gevonden, op welke omgang de moeder nooit heeft aangedrongen. Verder heeft de moeder naar eigen zeggen ter zitting in eerste aanleg altijd een goed salaris verdiend; zij kon daarvan met de thans jongmeerderjarige goed rondkomen en zij was nimmer genoodzaakt leningen aan te gaan om te voorzien in haar levensonderhoud en dat van de thans jongmeerderjarige. De moeder heeft derhalve geen relevant gebleken nadeel geleden door het uitblijven van de kinderalimentatie. De vader daarentegen zou onredelijk worden benadeeld indien de moeder haar aanspraak alsnog geldend kan maken, te meer nu door de vader – onweersproken – is gesteld dat, nu hij geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de moeder hem te eniger tijd in rechte zou kunnen betrekken, hij hierop niet heeft geanticipeerd als gevolg waarvan hij een lening zal moeten afsluiten om alsnog het bedrag aan achterstallige kinderalimentatie te kunnen betalen.

9. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is het hof dan ook van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de moeder – in het bijzonder gezien haar daarmee onverenigbare ingenomen houding – thans nog aanspraak maakt op betaling van achterstallige kinderalimentatie. Nu het beroep van de vader op rechtsverwerking slaagt, zal het hof het inleidend verzoek van de vader voor zover dit ziet op de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 alsnog toewijzen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo¬ver aan het oor¬deel van het hof onder¬worpen en voor zover deze betrekking heeft op de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 februari 1999 van de rechtbank Amsterdam, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jongmeerderjarige met ingang van 1 juli 2006 tot
15 juni 2011 op nihil;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan ‘s hofs oor¬deel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stollenwerck en Van Veen, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2012.

Share