Kinderalimentatie. Rechtsverwerking. Specifieke omstandigheden van het geval.

Bron: LJN: BX2754, Gerechtshof ‘s-Gravenhage d.d. 25-07-2012, zaaknr 200.103.068/01

Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht

Uitspraak : 25 juli 2012
Zaaknummer : 200.103.068/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-3765

[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D.H.J. Krouwel te ‘s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat voorheen mr. R.K. van der Brugge te ‘s-Gravenhage, thans geen advocaat bekend.

Als belanghebbende is opgeroepen:
[thans jongmeerderjarige],
geboren [in] 1994 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de thans jongmeerderjarige.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 29 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 november 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
– op 13 maart 2012 een brief van 12 maart 2012 met bijlagen;
van de zijde van de moeder:
– op 27 april 2012 een brief van 24 april 2012;
– op 4 mei 2012 een brief van 2 mei 2012.

De zaak is op 7 juni 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
– de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
– de thans jongmeerderjarige.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 3 februari 1999 van de rechtbank Amsterdam.

Bij beschikking van 3 februari 1999 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de vader fl. 300,– per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de thans jongmeerderjarige.

Bij de bestreden beschikking is – met wijziging in zoverre van de beschikking van 3 februari 1999 – de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de thans jongmeerderjarige bepaald op € 61,13 per maand voor de periode van 15 juni 2011 tot 1 januari 2012 (in de bestreden beschikking staat foutief vermeld
23 maart 2012) en op € 61,92 per maand over de periode vanaf 1 januari 2012, vanaf 29 november 2011 telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de vader binnen veertien dagen na 29 november 2011 € 203,18 aan de moeder dient te voldoen ter zake schoolkosten van de thans jongmeerderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
– bij beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank Arnhem is de thans jongmeerderjarige onder toezicht gesteld van Jeugdzorg en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de periode van 15 juni 2011 tot 23 maart 2012.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de thans jongmeerderjarige.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het verzoek van de vader om de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 op nihil te stellen dan wel de moeder de kinderalimentatie over de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 te ontzeggen alsnog wordt toegewezen.

3. De moeder heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd. Bij voormelde brief van 4 mei 2012 heeft de moeder het hof bericht dat zij niet zal verschijnen op de mondelinge behandeling van het hof.

4. De vader stelt dat naast het feit dat de moeder acht jaren lang heeft stilgezeten en niet om hervatting van betaling van de kinderalimentatie heeft verzocht, er bijzondere omstandigheden zijn als gevolg waarvan bij de vader het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de moeder haar recht tot invordering van de achterstallige kinderalimentatie niet meer geldend zou maken.
De vader voert daartoe aan dat partijen een stilzwijgende afspraak hebben gemaakt, inhoudende dat de vader de thans jongmeerderjarige vanaf januari 2003 niet meer zou zien en hij voor haar vanaf dat moment ook geen kinderalimentatie meer zou betalen. Daarnaast mocht de vader na ontvangst van de brief van het LBIO gedateerd 28 januari 2011, inhoudende het verzoek om kinderalimentatie vanaf augustus 2010 aan de moeder te voldoen, er gerechtvaardigd van uitgaan dat de moeder slechts aanspraak maakte op kinderalimentatie vanaf de laatst gemelde datum. In reactie op de daarna door de advocaat van de moeder op 8 juli 2011 rechtstreeks aan de vader gestuurde brief, waarin de vader wordt verzocht een bedrag van € 12.421,68 aan achterstallige kinderalimentatie over de periode van april 2004 tot augustus 2010 binnen veertien dagen te voldoen, heeft hij pas zijn gewijzigde inleidend verzoekschrift ingediend, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht de kinderalimentatie per 9 januari 2003 op nihil te stellen. De vader kon er na verloop van acht jaren en bij het in zicht komen van het meerderjarig worden van de thans jongmeerderjarige gerechtvaardigd van uitgaan dat de moeder zelf in de behoefte van de thans jongmeerderjarige voorzag en geen aanspraak meer zou maken op een bijdrage zijdens de vader. De vader stelt zich voorts op het standpunt dat de moeder heeft ingestemd met een beëindiging van de betaling van kinderalimentatie per januari 2003, dan wel dat hij dit uit haar verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mocht afleiden.
Daarnaast stelt de vader nog dat hij onredelijk in zijn positie zou worden benadeeld indien de moeder alsnog de achterstallige kinderalimentatie zou incasseren, nu de moeder geen behoefte had aan de bijdrage, terwijl de vader een lening zal moeten afsluiten om haar het bedrag van € 10.332,49 (het bedrag van de achterstallige kinderalimentatie over de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011) te betalen.

5. De thans jongmeerderjarige heeft ter terechtzitting verklaard achter het verzoek van de vader te staan, onder meer stellende dat de moeder de kinderalimentatie niet nodig had, mede gelet op het feit dat zij al sinds juli 2010 niet meer bij de moeder verblijft.

6. Het hof stelt voorop dat van rechtsverwerking in beginsel slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel een tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist, als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser die aanspraak alsnog geldend zou maken.

7. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is het hof van oordeel dat het beroep van de vader op rechtsverwerking gehonoreerd moet worden. Daartoe overweegt het hof het volgende. Vast staat dat de vader vanaf januari 2003 geen kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald. Tot medio 2011 heeft de moeder hiertegen niet geprotesteerd, naar haar eigen verklaring omdat zij bang was voor de vader en zijn familie. Deze stelling is door de moeder evenwel niet onderbouwd, terwijl de vader weerspreekt dat daarvoor gronden aanwezig zouden zijn. In de tussenliggende periode van acht jaren is door de moeder nooit om betaling van kinderalimentatie verzocht, heeft zij anderszins evenmin aan de orde gesteld dat de vader in gebreke was met de betaling van een bijdrage voor de thans jongmeerderjarige en ook heeft zij in die periode niet getracht de beschikking van 3 februari 1999 te executeren. Het hof gaat daarbij voorbij aan de verklaring van de moeder ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende dat zij reeds in 2009 een beroep heeft gedaan op betaling van achterstallige kinderalimentatie via het LBIO, nu zij deze stelling, bij betwisting daarvan door de vader, (in hoger beroep) niet met stukken heeft onderbouwd. Het enkele tijdsverloop vormt op zichzelf echter geen bijzondere omstandigheid die rechtsverwerking rechtvaardigt.

8. In dit specifieke geval zijn naar het oordeel van het hof echter bijzondere omstandigheden aanwezig die in onderlinge samenhang bezien tezamen met het vorenstaande maken dat bij de vader het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de moeder haar aanspraak op kinderalimentatie niet (meer) geldend zou maken. Deze bijzondere omstandigheden zijn vooreerst gelegen in de door de moeder gedurende het tijdvak april 2004 tot augustus 2010 jegens de vader ingenomen houding. De vader heeft gesteld dat sprake was van een stilzwijgende afspraak tussen partijen inhoudende dat de vader de thans jongmeerderjarige vanaf januari 2003 niet meer zou zien en dat hij aan de moeder vanaf dat moment ook geen kinderalimentatie meer zou betalen. Hoewel het bestaan van deze stilzwijgende afspraak door de moeder in eerste aanleg is betwist, is gebleken dat gedurende de periode van acht jaar de vader niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en dat evenmin omgang tussen de vader en de thans jongmeerderjarige heeft plaatsgevonden. Dat door de moeder het uitblijven van deze omgang evenmin op enig moment bij de vader aan de orde is gesteld, maakt haar betwisting van de stelling van de vader met betrekking tot de stilzwijgende afspraak onaannemelijk. Vast staat in ieder geval dat de moeder jarenlang geen betaling van de kinderalimentatie heeft gevorderd en er tussen de vader en zijn dochter geen omgang heeft plaats gevonden, op welke omgang de moeder nooit heeft aangedrongen. Verder heeft de moeder naar eigen zeggen ter zitting in eerste aanleg altijd een goed salaris verdiend; zij kon daarvan met de thans jongmeerderjarige goed rondkomen en zij was nimmer genoodzaakt leningen aan te gaan om te voorzien in haar levensonderhoud en dat van de thans jongmeerderjarige. De moeder heeft derhalve geen relevant gebleken nadeel geleden door het uitblijven van de kinderalimentatie. De vader daarentegen zou onredelijk worden benadeeld indien de moeder haar aanspraak alsnog geldend kan maken, te meer nu door de vader – onweersproken – is gesteld dat, nu hij geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de moeder hem te eniger tijd in rechte zou kunnen betrekken, hij hierop niet heeft geanticipeerd als gevolg waarvan hij een lening zal moeten afsluiten om alsnog het bedrag aan achterstallige kinderalimentatie te kunnen betalen.

9. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is het hof dan ook van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de moeder – in het bijzonder gezien haar daarmee onverenigbare ingenomen houding – thans nog aanspraak maakt op betaling van achterstallige kinderalimentatie. Nu het beroep van de vader op rechtsverwerking slaagt, zal het hof het inleidend verzoek van de vader voor zover dit ziet op de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 alsnog toewijzen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo¬ver aan het oor¬deel van het hof onder¬worpen en voor zover deze betrekking heeft op de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 februari 1999 van de rechtbank Amsterdam, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jongmeerderjarige met ingang van 1 juli 2006 tot
15 juni 2011 op nihil;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan ‘s hofs oor¬deel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stollenwerck en Van Veen, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2012.

Share

Confrontatie van behoefte en draagkracht (vervolg)

Ingeval naast partneralimentatie tevens kinderalimentatie voor een minderjarig- of jongmeerderjarig kind volgens de tremanormen moet worden vastgesteld:

Als de gewezen partner niet alleen op partner- maar ook op kinderalimentatie aanspraak maakt, dient allereerst een draagkrachtberekening te worden gemaakt voor de vaststelling van kinderalimentatie, waarbij altijd de norm voor een alleenstaande wordt gebruikt en de draagkracht in beginsel gelijk wordt verdeeld over alle kinderen die de ouder moet onderhouden.

Is de alsdan berekende draagkracht gelijk aan of lager dan de kosten van de kinderen, dan resteert geen draagkracht meer voor partneralimentatie. Beschikt de onderhoudsplichtige ouder na aftrek van de kinderalimentatie nog over draagkracht, dan kan op de gebruikelijke wijze een tremanorm draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden gemaakt, waarbij de kosten van de kinderen ten laste van de alsdan berekende draagkracht worden gebracht. De resterende draagkracht kan worden aangewend voor partneralimentatie.

Als de kosten van de kinderen tussen de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige worden verdeeld, kan dat deel van deze kosten dat ten laste van de onderhoudsgerechtigde komt in de draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden verwerkt en ten laste van de draagkracht worden gebracht net zoals in de berekening van de onderhoudsplichtige.

Een voorbeeld van deze situatie ter verduidelijking: stel de ouders hebben een kind van 13 jaar. Ouder 1 heeft een besteedbaar inkomen van  € 2.000,- per maand en ouder 2 een besteedbaar inkomen, rekening houdend met de extra heffingskortingen, van € 1.500,- per maand. De behoefte van het kind[1] hebben zij, rekening houdend met de tabel kosten kinderen en het gezamenlijk gezinsinkomen toen men nog samenwoonde, vastgesteld op € 500.- per maand. Vervolgens wordt ieders bijdrage voor het kind bepaald. Het draagkrachtloos inkomen van ouder 1 omvat naast de hier toepasselijke norm voor een alleenstaande, de gebruikelijke kosten voor wonen, ziektekosten en schulden. Stel de draagkracht bedraagt € 470,- plus het belastingvoordeel van de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie dat gemakshalve gesteld wordt op € 43,- per maand, zodat de totale draagkracht van de ouder 1 bedraagt € 513,- per maand. Ouder 2 heeft een draagkracht van € 180,- per maand. Verdeling naar rato van ieders draagkracht leidt tot een bijdrage van € 370,- per maand van ouder 1 en van  € 130,- per maand van ouder 2. Ieders deel van de kosten van het kind wordt ten laste van de draagkracht gebracht. Vervolgens wordt voor beide ouders een draagkrachtberekening gemaakt zoals hiervoor beschreven, waarin de kosten van het kind aan beide zijden als last worden meegenomen. Ten slotte kan met behulp van een jusvergelijking worden bezien welke partneralimentatie redelijk is.

De ontvangen kinderalimentatie is geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder dat dient ter dekking van de eigen kosten en blijft daarom bij de berekening van diens draagkracht dan wel de behoefte buiten beschouwing.



[1] In de tekst wordt met het woord “behoefte” steeds het eigen aandeel van ouders in de kosten van een kind bedoeld en met “de tabel kosten kinderen”



Share

Moeder niet gerechtigd om namens jong-meerderjarige vordering tot levensonderhoud en studie in te stellen

Bron: LJN: BW8731, Rechtbank ‘s-Gravenhage , 412187 FA RK 12-710Via art 69 Rechtsvordering is een verzoek om alimentatie via de civiele procedure verwezen naar de familiekamer. Nu het verzoek op geen enkel moment in de procedure nader is onderbouwd, komt de rechtbank tot afwijzing van het verzochte. Voorts is de vrouw in een deel van haar verzoek niet ontvankelijk.

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-710
Zaaknummer: 412187
Datum beschikking: 12 juni 2012

Alimentatie

Beschikking op de op 20 augustus 2010 ingediende vordering bij conclusie van antwoord van:

[de vrouw],
de vrouw,
wonende te [woonplaats vrouw],
advocaat: mr. R.W. van den Hoek te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man ],
de man,
wonende te [woonplaats man],
advocaat: mr. –.

Procedure
Op 6 juli 2010 heeft de man de vrouw gedagvaard om voor de civiele rechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage te verschijnen terzake een geldvordering van de man op de vrouw. Bij conclusie van antwoord heeft de vrouw in deze procedure een eis in reconventie gedaan, betreffende betaling door de man van alimentatie ten behoeve van hun beider zoon [de jong-meerderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

De civiele procedure is beëindigd middels een vonnis d.d. [datum vonnis] 2011, waarbij – voor zover hier van belang – de vordering in reconventie van de vrouw als een verzoek om alimentatie is verstaan. Dit verzoek is verwezen naar de sector familie- en jeugdrecht om als verzoekschriftprocedure te worden afgedaan conform artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De rechtbank beschikt in deze zaak over de navolgende stukken:
– de dagvaarding d.d. 6 juli 2010 met producties;
– het faxbericht d.d. 20 augustus 2010 met bijlagen van de zijde van de vrouw;
– de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van 25 augustus 2010 met producties;
– de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging/vermeerdering eis;
– het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2011 met de daarin genoemde stukken;
– het vonnis van deze rechtbank d.d. [datum vonnis] 2011;
– het faxbericht d.d. 11 januari 2012 van de zijde van de vrouw.

Op 15 mei 2012 is de zaak ter terechtzitting behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, alsmede de man.

Verzoek en verweer
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat:
– de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige dient te voldoen een bedrag van € 9.750,- voor de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 augustus 2010;
– de man een bedrag van € 250,- per maand dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de jong-meerderjarige voormeld tot het moment dat hij de 21-jarige leeftijd bereikt ([geboortedatum jong-meerderjarige] 2012);
– een en ander met compensatie van de proceskosten.

De man heeft verweer gevoerd welk verweer hierna voor zover nodig zal worden besproken.

Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.

Alimentatie
Uit de processtukken blijkt het navolgende. Bij eis van reconventie heeft de vrouw gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat de man zou bijdragen aan de kosten van de kinderen. Zij heeft voorts gesteld dat een bijdrage van € 250,- per maand vanaf 1 juni 2007 redelijk en terecht is, uitgaande van het gezamenlijke netto inkomen van partijen en hun draagkracht ten tijde van de echtscheiding.

De man heeft bij conclusie van antwoord in reconventie de door de vrouw gestelde afspraak betwist, alsmede de behoefte van de minderjarige, het netto gezinsinkomen dat hiervoor nodig zou zijn en hij heeft betwist draagkracht te hebben voor de verzochte kinderbijdrage.

De rechtbank stelt vast dat door de vrouw, voor of na betwisting van haar stellingen door de man, op geen enkel moment in de procedure enige onderbouwing is gegeven hoewel daarvoor, gelet op het tijdsverloop in de zaak, ruim voldoende tijd is geweest. De rechtbank is op grond hiervoor van oordeel dat noch de behoefte van de minderjarige aan een bijdrage is komen vast te staan, noch dat de man draagkracht heeft (gehad) om een kinderbijdrage te voldoen. Het verzoek van de vrouw dient om deze reden integraal te worden afgewezen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de vrouw eveneens een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie heeft verzocht met ingang van 1 september 2010, nadat de minderjarige jong-meerderjarig was geworden. Daargelaten dat ook deze vordering, na betwisting hiervan door de man, op geen enkele wijze is onderbouwd, stelt de rechtbank vast dat de vrouw niet gerechtigd is om namens de jong-meerderjarige deze vordering in te stellen nu niet is gebleken van een machtiging hiertoe. De vrouw zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard voor dit deel van haar verzoek.

Proceskosten
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing
De rechtbank:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om een bijdrage ten behoeve van de jong-meerderjarige;

wijst het verzoek van de vrouw voor het overige af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. van der Meer, bijgestaan door mr. I.M. Talstra – Touwen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012.

Share

Geen kinderalimentatie na wangedrag kind

Lotsverbondenheid speelt niet alleen een rol bij het recht op partneralimentatie. Ook bij kinderalimentatie kan wangedrag van de alimentatiegerechtigde gevolgen hebben.

De lotsverbondenheid die ontstaat tijdens een huwelijk of geregistreerd partnerschap zorgt ervoor dat beide partners een financieel beroep op de ander kunnen doen na het huwelijk. Dit recht op partneralimentatie kan echter doorbroken worden als degene die recht heeft op alimentatie zich dusdanig gedraagt dat van de alimentatiebetaler niet langer kan worden gevergd dat die nog alimentatie betaalt. Het principe van lotsverbondenheid speelt ook een rol bij het recht op kinderalimentatie.

Lotsverbondenheid ouder-kind
Ook een kind dat recht heeft op kinderalimentatie kan zich dusdanig grievend uitlaten of gedragen naar de alimentatiebetaler toe, dat daardoor het recht op een onderhoudsbijdrage vervalt of de alimentatie kan worden gematigd. Er moet dan wel sprake zijn van een meerderjarig kind. Zo lang een kind minderjarig is, kan de alimentatiebetaler hier geen beroep op doen. Is het kind meerderjarig en is er geen sprake meer van lotsverbondenheid, dan kan de rechter de alimentatie stoppen of matigen. Een rechter zal dit echter doorgaans niet snel aannemen.

Praktijkvoorbeeld
In een recente zaak verzocht de jongmeerderjarige Arno de rechtbank om te bepalen dat zijn vader meer zou bijdragen in de kosten van zijn levensonderhoud en studie. Arno kreeg sinds de scheiding van zijn ouders al kinderalimentatie, maar inmiddels was Arno meerderjarig en had hij meer kosten.

De vader stelde dat hij minder of geen kinderalimentatie hoefde te betalen, omdat er volgens hem geen sprake meer was van een lotsverbondenheid tussen vader en zoon. Ondanks dat de vader meerdere pogingen daartoe had ondernomen, wilde Arno geen contact meer met zijn vader. De vader voelde zich daarom evenmin geroepen nog langer kinderalimentatie te betalen.

De rechtbank ging niet mee in het betoog van de vader. De verstoorde relatie tussen de vader en de zoon was het gevolg geweest van de heftige juridische strijd ten tijde van de echtscheiding, waarbij Arno ter oplossing van het loyaliteitsconflict de zijde van zijn moeder had gekozen. De vader nam hem dat nog steeds kwalijk.

De rechtbank zag dit gedrag echter niet als dusdanig grievend dat daardoor de lotsverbondenheid werd doorbroken. De rechtbank wees daarom het verzoek tot verhoging van de kinderalimentatie toe.

Bron: Rechtbank Groningen, sector civiel, 24 januari 2012, LJN BV2864

Share