VVD, PvdA en D66 willen kortere partneralimentatie

VVD, PvdA en D66 willen de regeling voor partneralimentatie flink versoberen. Na een scheiding moet iemand hooguit vijf jaar partneralimentatie krijgen in plaats van de huidige twaalf jaar. De partijen dienen daartoe woensdag een wetsvoorstel in.

De partijen vinden de regeling zoals die nu is ‘niet eerlijk’ en ‘ingewikkeld’. Volgens hen moet nu veel te lang alimentatie worden betaald. Na een huwelijk dat minder dan drie jaar heeft standgehouden, wordt wat de partijen betreft geen partneralimentatie meer berekend. Bij een langer huwelijk duurt de alimentatieperiode de helft van het aantal jaren dat de partners getrouwd waren, met een maximum van vijf jaar.

De partijen vinden wel dat alimentatie betaald moet worden als een van de twee partners na de scheiding moeilijk aan een baan kan komen, bijvoorbeeld doordat die jarenlang niet heeft gewerkt vanwege de zorg voor kinderen. “In alle andere gevallen heb je hooguit kortstondig alimentatie nodig.”

In het voorstel wordt rekening gehouden met de manier waarop de zorg voor kinderen is verdeeld. Zo moet bij onevenredige zorgverdeling partneralimentatie worden betaald tot het jongste kind 12 jaar is. Het maximum van vijf jaar geldt ook niet bij huwelijken die langer dan vijftien jaar hebben geduurd en waarin een van de partners tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt vanwege de zorg voor kinderen.

Het CDA is het ‘op grote lijnen’ eens met het voorstel en vindt ook dat de alimentatieberekening eenvoudiger moet. Onenigheid daarover levert nu te veel rechtszaken op, zegt Kamerlid Madeleine van Toorenburg. “Twaalf jaar afhankelijkheid in stand houden is niet goed.” Zo’n periode levert volgens haar een ‘levensgrote’ afstand op tot de arbeidsmarkt. De partij gaat het voorstel wel kritisch beoordelen op het effect op kinderen. “Die mogen niet de dupe worden.”

De PVV heeft ‘met verbazing’ kennisgenomen van het voorstel van de VVD, PvdA en D66, laat de partij in een reactie weten. PVV-Kamerlid Louis Bontes kondigde eerder dit jaar al aan te werken aan een wetsvoorstel voor een kortere partneralimentatie. Dat voorstel is nu af en Bontes dient zijn voorstel ook woensdag in bij de Kamer. “Dit is een beetje jammer, maar ik ga ervan uit dat hieruit blijkt dat ze voor onze wet zullen stemmen.”

De Tweede Kamer stemt waarschijnlijk in het najaar over het voorstel.

Bron: Nieuws.nl

Kinderopvangtoeslag lager in 2012

Wat betekent dit voor u?
In 2012 kunt u alleen nog kinderopvangtoeslag krijgen voor het aantal uren dat u werkt, vermenigvuldigd met een factor waarbij rekening is gehouden met reistijd en verplichte pauzes. Als beide ouders werken, moet worden uitgegaan van de ouder die per jaar het minste aantal uren werkt.

Wat is kinderopvangtoeslag?
Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Hoeveel toeslag u krijgt, hangt af van het aantal kinderen dat naar de opvang gaat, het aantal uren dat u werkt en uw inkomen.

Hoe berekent u uw kinderopvangtoeslag?
Het maximaal aantal uren waarvoor u per kind kinderopvangtoeslag kunt krijgen, berekent u zo:
Gaat uw kind naar de dagopvang (kinderen tot vier jaar oud)? Vermenigvuldig het aantal uren dat u werkt dan met 140%. Dit percentage is hoger dan 100% omdat u ook tijd kwijt bent aan woon-werkverkeer en pauzes.
Gaat uw kind naar de buitenschoolse opvang (kinderen van vier tot en met twaalf jaar)? Vermenigvuldig het aantal uren dat u werkt dan met 70%. Dit percentage is lager dan 100% omdat uw kind ook naar school gaat.

Rekenfactor
In de hierboven vermelde percentages houdt de overheid rekening met reistijd voor woon-werkverkeer en verplichte pauzes. De overheid hanteert daarbij een factor 1,4. Om 8 uur te kunnen werken is de gemiddelde Nederlander namelijk ruim 11 uur van huis. En ook als u minder reistijd heeft en uw kinderen later wegbrengt of vroeger ophaalt, berekent het kinderopvangcentrum u doorgaans het tarief voor de totale tijd dat men geopend is. Voor dagopvang is dat meestal 11 uur per dag.

Rekenvoorbeeld
Stel, u werkt 6 uur per dag en uw partner 8 uur. Dan bent u dus de ouder die het minste aantal uren werkt. Uw kind gaat naar de dagopvang. U krijgt dan 6 uur maal 140% vergoed. Dat is 8,4 uur kinderopvangtoeslag per dag. Uw kinderopvangcentrum berekent u het tarief voor opvangdagen van 11 uur. Dit betekent dat u de overige 2,6 uur helemaal zelf moet betalen.
De maximale uurprijs die de overheid voor dagopvang vergoedt, is € 6,36. Voor de buitenschoolse opvang is dit € 5,93. Hoe hoog de geldelijke toeslag is die u voor de vergoede uren krijgt, hangt af van:
uw toetsingsinkomen en dat van uw eventuele toeslagpartner (hoe meer u verdient, hoe lager de toeslag);
hoeveel van uw kinderen naar de opvang gaan (hoe meer kinderen, hoe hoger de toeslag).
Voor wie?

U kunt kinderopvangtoeslag krijgen als beide ouders werken en uw kind naar een geregistreerde kinderopvang gaat. Dit kan een dagopvang zijn voor kinderen tot vier jaar, een buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen en een opvang verzorgd door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau. Informele kinderopvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder.

Ook voor niet-werkenden
Ook niet-werkenden kunnen recht hebben op kinderopvangtoeslag. Bijvoorbeeld als u een integratie- of re-integratietraject volgt, als u als nieuwkomer een inburgeringscursus volgt of als u student bent bij een door de overheid gefinancierde onderwijsinstelling. De gemeente of UWV betalen dan mee aan de kosten van kinderopvang. Ook voor alleenstaande ouders geldt dat zij moeten werken of tot een van de bovengenoemde groepen moeten behoren.

Berekenen en aanvragen
Op www.toeslagen.nl kunt u berekenen op hoeveel kinderopvangtoeslag u in 2012 recht heeft. U kunt daar tevens de toeslag aanvragen. Dit kan ook via de BelastingTelefoon: 0800 0543.

Positieve beschikking in het incident inzake een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking kinderalimentatie

Het geding in eerste aanleg
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 15 maart 2012 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de bij vaststellingsovereenkomst van 12 februari 2009 tussen partijen overeengekomen en door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage gewijzigd en heeft deze bijdrage met ingang van 7 juni 2011 bepaald op € 127,– per kind, per maand.

Het geding in hoger beroep
Bij verzoekschrift, binnengekomen op de griffie van het Gerechtshof Leeuwarden op 27 april 2012, heeft de man een schorsingsverzoek gedaan.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 21 mei 2012, heeft de vrouw verzocht het schorsingsverzoek van de man af te wijzen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 11 mei 2012, een brief van 15 mei 2012 met bijlagen, een brief van 16 mei 2012 met bijlage van de procesadvocaat van de man, en een brief van 24 mei 2012 met bijlage van de procesadvocaat van de vrouw. Ter zitting van 31 mei 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door zijn procesadvocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar procesadvocaat.

De beoordeling

De vaststaande feiten
Bij beroepschrift van 25 april 2012, binnengekomen bij de griffie van het hof op 27 april 2012, heeft de man appèl ingesteld tegen de beschikking van 15 maart 2012.

De overwegingen
Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de executant bevoegd is tot tenuitvoerlegging, maar dat de belangen van partijen bij deze tenuitvoerlegging tegen elkaar moeten worden afgewogen. Van belang is daarbij het antwoord op de vraag of aannemelijk is dat de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of dat de tenuitvoerlegging, op grond van na het geven van de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

De man heeft zijn schorsingsverzoek aldus toegelicht dat zijn (financiële) situatie zodanig is dat tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op het punt van de kinderalimentatie een noodtoestand zal doen ontstaan. Uit de door de man overgelegde cijfers over 2011 komt naar voren dat het nettoresultaat van zijn onderneming dat jaar negatief is. Hierdoor ontvangt de man, anders dan de vrouw stelt, geen fiscaal voordeel over de door hem te betalen kinderalimentatie.

Daarnaast is ter zitting van het hof als onweersproken vast komen te staan dat de man gemiddeld € 600,00 per maand leent om in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en dat hij (mede) hierdoor een schuld heeft opgebouwd van € 30.000,00 in totaal. Voorts is gebleken dat de man, bij wie de kinderen de helft van de tijd verblijven, daarnaast zelf ook kleding en schoenen voor de kinderen moet kopen. De vrouw, die de kinderbijslag voor de kinderen ontvangt, geeft de kinderen namelijk geen kleding en schoenen meer mee wanneer zij naar hun vader gaan.

Het hof acht het, op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, aannemelijk dat tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank, op grond van na de beschikking aan het licht gekomen feiten, zoals hiervoor uiteengezet, aan de zijde van de man een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de vrouw – gelet op hetgeen zij heeft aangevoerd – niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat haar belang bij uitvoerbaarheid van de beslissing van 15 maart 2012 de rechtbank zwaarder dient te wegen dan het belang van de man bij schorsing van de uitvoerbaarheid daarvan. Het hof zal dan ook het schorsingsverzoek van de man toewijzen.

Slotsom
Gelet op het voren overwogene zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing
Het gerechtshof:

schorst de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 15 maart 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, M.P. den Hollander en G. Jonkman en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2012.

Moeder niet gerechtigd om namens jong-meerderjarige vordering tot levensonderhoud en studie in te stellen

Bron: LJN: BW8731, Rechtbank ‘s-Gravenhage , 412187 FA RK 12-710Via art 69 Rechtsvordering is een verzoek om alimentatie via de civiele procedure verwezen naar de familiekamer. Nu het verzoek op geen enkel moment in de procedure nader is onderbouwd, komt de rechtbank tot afwijzing van het verzochte. Voorts is de vrouw in een deel van haar verzoek niet ontvankelijk.

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-710
Zaaknummer: 412187
Datum beschikking: 12 juni 2012

Alimentatie

Beschikking op de op 20 augustus 2010 ingediende vordering bij conclusie van antwoord van:

[de vrouw],
de vrouw,
wonende te [woonplaats vrouw],
advocaat: mr. R.W. van den Hoek te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man ],
de man,
wonende te [woonplaats man],
advocaat: mr. –.

Procedure
Op 6 juli 2010 heeft de man de vrouw gedagvaard om voor de civiele rechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage te verschijnen terzake een geldvordering van de man op de vrouw. Bij conclusie van antwoord heeft de vrouw in deze procedure een eis in reconventie gedaan, betreffende betaling door de man van alimentatie ten behoeve van hun beider zoon [de jong-meerderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

De civiele procedure is beëindigd middels een vonnis d.d. [datum vonnis] 2011, waarbij – voor zover hier van belang – de vordering in reconventie van de vrouw als een verzoek om alimentatie is verstaan. Dit verzoek is verwezen naar de sector familie- en jeugdrecht om als verzoekschriftprocedure te worden afgedaan conform artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De rechtbank beschikt in deze zaak over de navolgende stukken:
– de dagvaarding d.d. 6 juli 2010 met producties;
– het faxbericht d.d. 20 augustus 2010 met bijlagen van de zijde van de vrouw;
– de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van 25 augustus 2010 met producties;
– de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging/vermeerdering eis;
– het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2011 met de daarin genoemde stukken;
– het vonnis van deze rechtbank d.d. [datum vonnis] 2011;
– het faxbericht d.d. 11 januari 2012 van de zijde van de vrouw.

Op 15 mei 2012 is de zaak ter terechtzitting behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, alsmede de man.

Verzoek en verweer
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat:
– de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige dient te voldoen een bedrag van € 9.750,- voor de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 augustus 2010;
– de man een bedrag van € 250,- per maand dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de jong-meerderjarige voormeld tot het moment dat hij de 21-jarige leeftijd bereikt ([geboortedatum jong-meerderjarige] 2012);
– een en ander met compensatie van de proceskosten.

De man heeft verweer gevoerd welk verweer hierna voor zover nodig zal worden besproken.

Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.

Alimentatie
Uit de processtukken blijkt het navolgende. Bij eis van reconventie heeft de vrouw gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat de man zou bijdragen aan de kosten van de kinderen. Zij heeft voorts gesteld dat een bijdrage van € 250,- per maand vanaf 1 juni 2007 redelijk en terecht is, uitgaande van het gezamenlijke netto inkomen van partijen en hun draagkracht ten tijde van de echtscheiding.

De man heeft bij conclusie van antwoord in reconventie de door de vrouw gestelde afspraak betwist, alsmede de behoefte van de minderjarige, het netto gezinsinkomen dat hiervoor nodig zou zijn en hij heeft betwist draagkracht te hebben voor de verzochte kinderbijdrage.

De rechtbank stelt vast dat door de vrouw, voor of na betwisting van haar stellingen door de man, op geen enkel moment in de procedure enige onderbouwing is gegeven hoewel daarvoor, gelet op het tijdsverloop in de zaak, ruim voldoende tijd is geweest. De rechtbank is op grond hiervoor van oordeel dat noch de behoefte van de minderjarige aan een bijdrage is komen vast te staan, noch dat de man draagkracht heeft (gehad) om een kinderbijdrage te voldoen. Het verzoek van de vrouw dient om deze reden integraal te worden afgewezen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de vrouw eveneens een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie heeft verzocht met ingang van 1 september 2010, nadat de minderjarige jong-meerderjarig was geworden. Daargelaten dat ook deze vordering, na betwisting hiervan door de man, op geen enkele wijze is onderbouwd, stelt de rechtbank vast dat de vrouw niet gerechtigd is om namens de jong-meerderjarige deze vordering in te stellen nu niet is gebleken van een machtiging hiertoe. De vrouw zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard voor dit deel van haar verzoek.

Proceskosten
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing
De rechtbank:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om een bijdrage ten behoeve van de jong-meerderjarige;

wijst het verzoek van de vrouw voor het overige af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. van der Meer, bijgestaan door mr. I.M. Talstra – Touwen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012.

Verdeling verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen bij co-ouderschap

Rechtbank Utrecht, 25-04-2012, LJN: BW4258; 317504 / FA RK 11-8018,  (Bron: rechtspraak.nl)

Samenvatting

Partijen zijn gewezen echtelieden. Uit hun huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Partijen hebben op 2 november 2010 een ouderschapsplan ondertekend, waarin zij co-ouderschap zijn overeengekomen. Partijen zijn verder overeengekomen dat iedere partij de dagelijkse kosten van de kinderen voldoet in de periode dat ze bij hen zijn en dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten betaalt. De man voldoet ter vergoeding hiervan aan de vrouw een bedrag van € 76,50 per kind per maand. Dit ouderschapsplan maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man met ingang van 6 oktober 2011 een bedrag van € 384,25 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aan de vrouw dient te voldoen. De vrouw stelt dat het bedrag van € 76,50 waarmee de man bijdraagt in de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen onvoldoende is om in alle kosten te voorzien.

De rechtbank overweegt als volgt:

Een verdeling van de behoefte van de kinderen naar rato van draagkracht betekent dat de man een bijdrage in de kosten van de kinderen dient te leveren van € 349,- per kind per maand, inclusief het fiscaal voordeel in verband met de aftrek buitengewone uitgaven voor kinderen voor één van de twee kinderen van partijen. De rechtbank brengt hierop in mindering het eigen aandeel van de man in de extra kosten van wonen van de kinderen van € 97,70 per kind per maand (16% van het hiervoor berekende eigen aandeel in de kosten van de kinderen van € 610,70 per kind per maand) en de verblijfskosten van de kinderen van € 96,25 per kind per maand, zoals door de vrouw zo begroot en door de man niet betwist. De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedraagt hiermee afgerond € 155,- per kind per maand.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen het er over eens zijn dat de vrouw altijd de verblijfsoverstijgende uitgaven voor de kinderen regelde.

Conclusie:

Nu de vrouw daarnaast stelt dat de verdeling van de kosten van de kinderen tot discussie en spanningen leidt, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de vrouw met de door de man te betalen bijdrage van € 155,- per kind per maand en haar eigen aandeel in de kosten van de kinderen de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen dient te voldoen.