Moeder niet gerechtigd om namens jong-meerderjarige vordering tot levensonderhoud en studie in te stellen

Bron: LJN: BW8731, Rechtbank ‘s-Gravenhage , 412187 FA RK 12-710Via art 69 Rechtsvordering is een verzoek om alimentatie via de civiele procedure verwezen naar de familiekamer. Nu het verzoek op geen enkel moment in de procedure nader is onderbouwd, komt de rechtbank tot afwijzing van het verzochte. Voorts is de vrouw in een deel van haar verzoek niet ontvankelijk.

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-710
Zaaknummer: 412187
Datum beschikking: 12 juni 2012

Alimentatie

Beschikking op de op 20 augustus 2010 ingediende vordering bij conclusie van antwoord van:

[de vrouw],
de vrouw,
wonende te [woonplaats vrouw],
advocaat: mr. R.W. van den Hoek te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man ],
de man,
wonende te [woonplaats man],
advocaat: mr. –.

Procedure
Op 6 juli 2010 heeft de man de vrouw gedagvaard om voor de civiele rechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage te verschijnen terzake een geldvordering van de man op de vrouw. Bij conclusie van antwoord heeft de vrouw in deze procedure een eis in reconventie gedaan, betreffende betaling door de man van alimentatie ten behoeve van hun beider zoon [de jong-meerderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

De civiele procedure is beëindigd middels een vonnis d.d. [datum vonnis] 2011, waarbij – voor zover hier van belang – de vordering in reconventie van de vrouw als een verzoek om alimentatie is verstaan. Dit verzoek is verwezen naar de sector familie- en jeugdrecht om als verzoekschriftprocedure te worden afgedaan conform artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De rechtbank beschikt in deze zaak over de navolgende stukken:
– de dagvaarding d.d. 6 juli 2010 met producties;
– het faxbericht d.d. 20 augustus 2010 met bijlagen van de zijde van de vrouw;
– de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van 25 augustus 2010 met producties;
– de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging/vermeerdering eis;
– het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2011 met de daarin genoemde stukken;
– het vonnis van deze rechtbank d.d. [datum vonnis] 2011;
– het faxbericht d.d. 11 januari 2012 van de zijde van de vrouw.

Op 15 mei 2012 is de zaak ter terechtzitting behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, alsmede de man.

Verzoek en verweer
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat:
– de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige dient te voldoen een bedrag van € 9.750,- voor de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 augustus 2010;
– de man een bedrag van € 250,- per maand dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de jong-meerderjarige voormeld tot het moment dat hij de 21-jarige leeftijd bereikt ([geboortedatum jong-meerderjarige] 2012);
– een en ander met compensatie van de proceskosten.

De man heeft verweer gevoerd welk verweer hierna voor zover nodig zal worden besproken.

Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.

Alimentatie
Uit de processtukken blijkt het navolgende. Bij eis van reconventie heeft de vrouw gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat de man zou bijdragen aan de kosten van de kinderen. Zij heeft voorts gesteld dat een bijdrage van € 250,- per maand vanaf 1 juni 2007 redelijk en terecht is, uitgaande van het gezamenlijke netto inkomen van partijen en hun draagkracht ten tijde van de echtscheiding.

De man heeft bij conclusie van antwoord in reconventie de door de vrouw gestelde afspraak betwist, alsmede de behoefte van de minderjarige, het netto gezinsinkomen dat hiervoor nodig zou zijn en hij heeft betwist draagkracht te hebben voor de verzochte kinderbijdrage.

De rechtbank stelt vast dat door de vrouw, voor of na betwisting van haar stellingen door de man, op geen enkel moment in de procedure enige onderbouwing is gegeven hoewel daarvoor, gelet op het tijdsverloop in de zaak, ruim voldoende tijd is geweest. De rechtbank is op grond hiervoor van oordeel dat noch de behoefte van de minderjarige aan een bijdrage is komen vast te staan, noch dat de man draagkracht heeft (gehad) om een kinderbijdrage te voldoen. Het verzoek van de vrouw dient om deze reden integraal te worden afgewezen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de vrouw eveneens een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie heeft verzocht met ingang van 1 september 2010, nadat de minderjarige jong-meerderjarig was geworden. Daargelaten dat ook deze vordering, na betwisting hiervan door de man, op geen enkele wijze is onderbouwd, stelt de rechtbank vast dat de vrouw niet gerechtigd is om namens de jong-meerderjarige deze vordering in te stellen nu niet is gebleken van een machtiging hiertoe. De vrouw zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard voor dit deel van haar verzoek.

Proceskosten
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing
De rechtbank:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om een bijdrage ten behoeve van de jong-meerderjarige;

wijst het verzoek van de vrouw voor het overige af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. van der Meer, bijgestaan door mr. I.M. Talstra – Touwen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012.

Gevolgen van zelf veroorzaakt onherstelbaar inkomensverlies voor alimentatie

Uitspraak GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht
Uitspraak : 2 mei 2012
Zaaknummer : 200.098.982/01
Rekestnr. rechtbank : F1 RK 09-2974

[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. D.W.J. Leijs te Hilversum,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. I.H. van Hall te Gouda.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 december 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 september 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 9 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:
– op 28 december 2011 een brief van 27 december 2011 met bijlagen;
– op 3 januari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage;
– op 6 januari 2012 een brief van 5 januari 2012 met bijlage;
– op 16 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
– op 28 maart 2012 een faxbericht met bijlage;

van de zijde van de vrouw:
– op 21 maart 2012 een brief van 20 maart 2012 met bijlagen.

De zaak is op 29 maart 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
– de man, bijgestaan door zijn advocaat;
– de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 23 december 2010.

Bij tussenbeschikking van 23 december 2010 is, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De behandeling van de zaak ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie is aangehouden.

Bij bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de na te noemen minderjarigen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 593,– per maand per kind. Voorts heeft de rechtbank ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.266,– per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is vastgesteld dat de echtscheidingsbeschikking op 21 april 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren [in] 1999 te [geboorteplaats], en
[minderjarige 2], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, alsmede de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

2. De man verzoekt het hof, bij beschikking, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 250,– per maand per kind, met ingang van 1 januari 2015 bij vooruitbetaling te voldoen, en de partneralimentatie vast te stellen op nihil, althans op een nader door het hof vast te stellen bedrag en met ingang van een door het hof te bepalen datum.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, althans aan hem deze verzoeken te ontzeggen, dan wel het verzoek af te wijzen en derhalve de bestreden beschikking op alle onderdelen te bekrachtigen.

Indiening van nadere stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling

4. Het hof stelt vast dat de door de man op 28 maart 2012 overgelegde stukken binnen de termijn van tien kalenderdagen als bedoeld in artikel 1.4.3 van het geldende procesreglement zijn overgelegd. Deze stukken zullen door het hof bij de beoordeling van het hoger beroep buiten beschouwing worden gelaten nu de vrouw hiertegen bezwaar heeft gemaakt en deze stukken naar het oordeel van het hof niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn.

Kinder- en partneralimentatie

Draagkracht man

5. Om proceseconomische redenen zal het hof eerst de draagkracht van de man beoordelen.

6. De man stelt zich op het standpunt dat hij draagkracht mist om enig bedrag aan alimentatie te voldoen.
In de visie van de man dient, in elk geval vanaf 22 september 2011, de datum van de bestreden beschikking, rekening te worden gehouden met het inkomen dat de man nu verdient en niet met het inkomen zoals hij dat een aantal jaren in zijn eenmanszaak heeft kunnen verdienen. De man voert daartoe aan dat hij zijn onderneming heeft verkocht op 31 december 2009 en sindsdien in loondienst is getreden bij de koper van zijn voorheen eigen onderneming. Voor zover dit al een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hetgeen volgens de man nog maar zeer de vraag is, is hij redelijkerwijs niet in staat het oude inkomen weer te verwerven en kan dit ook niet van hem worden gevergd. De man stelt dat door wetswijzigingen de situatie in de branche waarin hij werkzaam is, wezenlijk is veranderd en dat er structureel minder werk is op de markt. Ook anderszins is de man van mening dat hij voldoende heeft aangetoond dat de situatie in zijn onderneming in 2009 dermate slecht was, dat voortzetting in financieel opzicht onmogelijk was. De man stelt dan ook dat hij terecht zijn onderneming heeft verkocht. In het geval het hof van oordeel is dat dit niet het geval is, dient zijn draagkracht berekend te worden aan de hand van het fictieve oude inkomen, waarbij het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering er in beginsel niet toe mag leiden tot het resultaat dat de man als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplichten feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien. De man wijst er in dit kader op dat hij in 2011 een salaris heeft genoten van € 3.250,– bruto per maand (€ 1.808,09 netto) en dat de salarisspecificatie van februari 2012 een brutosalaris laat zien van € 3.350,– per maand (€ 1.844,24 netto). Daarnaast wordt op dit salaris maandelijks een bedrag van € 1.000,– ingehouden door loonbeslag van de fiscus, in verband met een gezamenlijke belastingschuld inkomstenbelasting van partijen van € 45.219,– vermeerderd met heffingsrente.

7. De vrouw betwist dat het de man aan draagkracht ontbreekt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor de man geen noodzaak bestond om de onderneming te verkopen. De vrouw betwist dat de man ten gevolge van overwerktheid uiteindelijk overspannen is geworden. Een medische verklaring daartoe ontbreekt. De vrouw stelt dat de man de verlaging van zijn inkomen bovendien niet heeft aangetoond. Zo er al sprake zou zijn van enige inkomensvermindering, is de vrouw van mening dat deze voor herstel vatbaar is zodat uitgegaan dient te worden van het door de rechtbank vastgestelde netto besteedbaar inkomen. Bovendien is het vermeende inkomensverlies volgens de vrouw aan de man te wijten.

8. Het hof stelt voorop dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de man op eigen initiatief zijn onderneming [X] B.V. in december 2009 heeft verkocht en sinds 1 januari 2010 in loondienst is bij zijn voorheen eigen onderneming. Anders dan de man betoogt, is het hof van oordeel dat als gevolg van deze door de man gemaakte voormelde afweging sprake is van een situatie waarin hij zelf een vermindering van zijn inkomen teweeg heeft gebracht. Het hof gaat daar van uit.

9. Het hof overweegt vervolgens dat wanneer een onderhoudsplichtige door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen teweeg brengt, het bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat hij daadwerkelijk verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs nadien te kunnen verwerven. Of een door eigen toedoen ontstane inkomensvermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, zal in de eerste plaats afhangen van de vraag of de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en of de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.

10. Gelet op de huidige economische omstandigheden, de door de man gestelde, – en door de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwiste – wetswijziging met de daaraan volgens de man verbonden gevolgen, alsmede de financiële situatie van de onderneming, acht het hof het niet aannemelijk dat de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht in de naaste toekomst zijn oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven. De inkomensvermindering dient derhalve te worden aangemerkt als een zelf teweeggebrachte, maar onherstelbare inkomensvermindering. Het hof gaat daarmee voorbij aan de stelling van de vrouw inhoudende dat de keuze van de man dient te worden aangemerkt als een zelf teweeggebracht, voor herstel vatbaar, inkomensverlies met de daaraan verbonden gevolgen.

11. De beantwoording van de vraag of dit niet voor herstel vatbaar, zelf teweeg gebracht, inkomensverlies de man kan worden aangerekend, kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven. Immers, indien de inkomensvermindering aan de man verwijtbaar is en derhalve buiten beschouwing moet blijven, mag dit voor de bepaling van de draagkracht van de man niet tot het resultaat leiden, dat hij als gevolg van de berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsverplichtingen feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het eigen bestaan te voorzien. Bovendien mag het in geen geval ertoe leiden dat zijn inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. Indien dit resultaat dreigt, dient een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de man plaats te vinden. Het hof heeft hiernaar onderzoek gedaan. Gebleken is dat de man in 2011 een inkomen uit dienstbetrekking had van rond de € 3.250,– bruto (€ 1.808,09 netto) per maand en thans van € 3.350,– bruto per maand (€ 1.844,24 netto). Daarnaast is gebleken van een inhouding door de fiscus op voormeld salaris van € 1.000,– per maand door middel van een loonbeslag in verband met een gezamenlijke belastingschuld van partijen ter zake van inkomstenbelasting van € 45.219,–, vermeerderd met heffingsrente. Op grond hiervan en in het licht van de overige lasten van de man, zoals woonlasten, komt het hof tot de conclusie komt dat de man bij betaling van kinder- en/of partneralimentatie feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het eigen bestaan te voorzien en dat zijn inkomen zal zakken beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. De draagkracht van de man laat met ingang van 21 april 2011 (zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) noch kinder- noch partneralimentatie toe.

12. Gezien het voorgaande behoeven de overige grieven en het bewijsaanbod van de man geen bespreking meer en zal het hof de bestreden beschikking vernietigen. Het hof ziet, anders dan de vader in beroep verzoekt, geen aanleiding om nu reeds een kinderalimentatie te bepalen met ingang van 1 januari 2015, nu er op dit moment in het geheel niets gezegd kan worden over de draagkracht van de vader en de moeder per 1 januari 2015.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst de inleidende verzoeken van de vrouw tot een uitkering tot levensonderhoud alsmede een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging ten behoeve van de minderjarigen alsnog af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Kamminga en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2012.

 

Bron: Rechtspraak.nl, LJN: BW6117, Gerechtshof ’s-Gravenhage, 200.098.982

Auto van de zaak in relatie tot vaststelling draagkracht voor alimentatie

Stelt de werkgever een auto ter beschikking, dan dient voor het gebruik van deze auto van de zaak in vrijwel alle gevallen voor de inkomensheffing een forfaitair bedrag bij het inkomen te worden opgeteld. Met ingang van 1 januari 2006 wordt de bijtelling niet langer in de inkomstenbelasting belast, maar in de loonbelasting. De ondernemer en de resultaatsgenieter moeten wel in de inkomstenbelasting hun privé-gebruik van de auto blijven bijtellen. Het gevolg hiervan is dat maandelijks meer belas­ting moet worden betaald en dat daarom het be­steedbaar inkomen per maand daalt. Bijzondere omstandigheden daargelaten wordt met deze fiscale bijtelling, en dus met de daling van het besteedbaar inkomen, geen reke­ning gehouden. Immers, de bijtelling betreft in feite een belasting op loon in natura: het door de werkgever gratis ter beschikking gestelde privé gebruik van de auto waarvoor betrokkene zelf geen benzine, verzekering, onderhoud of afschrij­ving betaalt. Be­doelde belastingclaim wordt voor de betrokkene ruimschoots goedgemaakt door de besparing die het gratis gebruik van de auto hem oplevert. Onder voorwaarden blijft de bijtel­ling voor de inkomstenbelasting achterwege indien minder dan 500 kilometer op jaarbasis voor privé-doeleinden van de auto gebruik wordt gemaakt.
Soms wordt aan de werkgever een vergoeding voor het privé-gebruik van de auto betaald. Bedacht moet worden dat deze vergoeding in mindering strekt op het bedrag dat voor de inkom­stenbelasting bij het loon moet worden opgeteld. Tegenover de aan de werkgever betaalde vergoe­ding staat dus een lagere belastingheffing. Voor zover het niet om een zeer hoog bedrag gaat, ziet de werkgroep alimentatienormen van de NVvR ook voor de vergoeding geen aan­leiding deze bij de vaststelling van het draag­krachtloos inkomen in aanmerking te nemen. Zo nodig moet het uit een loonspecificatie blijkend netto loon worden gecorrigeerd met de ter zake van het privé-gebruik door de werkgever ingehouden loonbelasting.