Kinderalimentatie; behoefte en draagkracht

Bron: Rechtspraak.nl 7 augustus 2012, LJN: BX3375,                                               Gerechtshof ‘s-Gravenhage , 200.097.991/01

Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht

Uitspraak : 16 mei 2012
Zaaknummer : 200.097.991/01
Rekestnr. rechtbank : F2 RK 10-2252

[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.M. Baltazar de Seixas te Spijkenisse,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.W.M. Roozeboom te Schiedam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 29 november 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 september 2011.

De man heeft op 8 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
– op 9 januari 2012 een brief van 6 januari 2012 met bijlagen;
– op 14 maart 2012 een brief van 13 maart 2012 met bijlagen;

van de zijde van de man:
– op 19 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 30 maart 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
– de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
– de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – voor zover in dit hoger beroep van belang – het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderalimentatie) afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige.

2. De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voor zover het de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige betreft en, opnieuw rechtdoende, alsnog te bepalen dat de man met ingang van 13 december 2010 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal betalen van € 492,50 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen kan of zal worden verleend, dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof in goede justitie juist acht, kosten rechtens.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt de vrouw in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar verzochte af te wijzen.

Behoefte van de minderjarige

4. Als eerste grond voor het beroep stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van de minderjarige niet heeft vastgesteld. In juli 2008 is de relatie verbroken en de vrouw heeft de man toen verzocht om een bijdrage, gelet op haar inkomen beneden bijstandsniveau. De man is toen een bijdrage van € 150,- per maand gaan voldoen. De vrouw heeft vervolgens bij de rechtbank een bijdrage verzocht van € 300,- per maand, uitgaande van een inkomen van de man van € 3.000,- en van de vrouw van € 1.200,- netto per maand. Het verzoek van de vrouw is door de rechtbank afgewezen, omdat de vrouw volgens de rechtbank geen verweer had gevoerd tegen de stellingen van de man. Gezien het gezamenlijke inkomen kan de behoefte minimaal worden begroot op een bedrag van € 492,50 per maand. De vrouw is voorts van mening dat het inkomen van de man thans hoger is dan het inkomen van partijen ten tijde van de samenwoning, zodat dit hogere inkomen uitgangspunt dient te zijn bij de behoeftebepaling van de minderjarige.

5. De man stelt dat het gezamenlijk netto inkomen ten tijde van de samenwoning van partijen € 2.700,- per maand bedroeg, zodat de behoefte van de minderjarige op € 385,- per maand kan worden vastgesteld.

6. Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige gaat het hof uit van het netto gezinsinkomen van partijen in 2008, nu als onweersproken vaststaat dat partijen in dit jaar uit elkaar zijn gegaan. Uit de als productie 18 bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde jaaropgaaf 2008 blijkt dat het inkomen van de man in dat jaar € 33.635,- bedroeg, te weten € 1.856,- netto per maand. Tussen partijen staat voorts als onweersproken vast dat de vrouw ten tijde van de samenwoning een inkomen had van € 1.200,- netto per maand, zodat het netto gezinsinkomen € 3.056,- per maand bedroeg. Uitgaande van de gegevens zoals deze blijken uit de door de man als productie 9 bij zijn verweerschrift overgelegde salarisstroken, volgt het hof de vrouw niet in haar stelling dat het huidige inkomen van de man het voormalige gezinsinkomen overstijgt. Rekening houdend met een netto gezinsinkomen van € 3.056,- per maand stelt het hof de behoefte van de minderjarige vast op € 465,- in 2008, thans geïndexeerd € 505,- per maand.

Draagkracht van de man

7. De vrouw stelt voorts als grond voor haar beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige te betalen en het verzoek van de vrouw daartoe afgewezen. Hoewel de man niet heeft gesteld geen draagkracht te hebben om enige alimentatie te kunnen voldoen, heeft de rechtbank dit wel bepaald. Met betrekking tot de door de man opgevoerde aflossing op een schuld bij Primeline van € 107,- per maand, dient naar de mening van de vrouw slechts rekening te worden gehouden met € 42,03 per maand, omdat de overige incasso’s worden geweigerd. Wat betreft de schuld aangegaan bij mevrouw [naam] voor de aanschaf van een auto is de vrouw van mening dat deze niet prevaleert boven een kinderbijdrage. Daarnaast mag worden aangenomen dat deze schuld inmiddels volledig is afgelost. Wat betreft de schuld aan de Belastingdienst blijkt dat deze is ontstaan door ten onrechte ontvangen toeslagen, zodat dit geheel aan de man zelf te wijten is. De man woont samen met zijn broer in de woning van zijn moeder. De vrouw acht het niet reëel dat de man een huur van € 350,- per maand aan zijn moeder zou voldoen. Bovendien blijkt uit de overgelegde betalingsbewijzen van sporadische betalingen en wisselende bedragen.

8. De man kan zich vinden in de beslissing van de rechtbank nu hij altijd al een maandelijkse bijdrage van € 150,- ten behoeve van de minderjarige aan de vrouw heeft voldaan, hij alle schulden stammend uit de periode van samenwoning op zich heeft genomen, en de vrouw altijd verklaard heeft dat zij de kinderalimentatie van ondergeschikt belang vindt.

9. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van de door hem als productie 16 overgelegde draagkrachtberekening, voor zover deze niet door de vrouw is betwist.

10. Met betrekking tot het inkomen van de man zal het hof uitgaan van het basismaandsalaris en de toeslagen daarop zoals deze uit de door de man als productie 9 overgelegde salarisspecificatie van december 2011 blijken. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat er thans geen mogelijkheid meer voor hem is tot het verrichten van overwerk.

11. Het hof is van oordeel dat de door de man opgevoerde woonlast van € 350,- per maand alleszins redelijk is en zal hier rekening mee houden. Ook acht het hof het redelijk om rekening te houden met het door de man opgevoerde eigen risico van de zorgverzekering.

12. Ten aanzien van de door de man opgevoerde schulden overweegt het hof als volgt. De man heeft ter zitting verklaard dat hij de schuld aan zijn moeder, mevrouw [naam], en die aan de Belastingdienst heeft afgelost. Het hof zal daarom rekening houden met een aflossing van € 100,- per maand aan een schuld bij Prime Line, welke schuld de man naar het oordeel van het hof voldoende heeft onderbouwd.

13. Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde herinrichtingskosten en advocaatkosten, nu het hof van oordeel is dat deze lasten geen voorrang hebben boven kinderalimentatie.

14. Rekening houdend met voormelde inkomsten en lasten, de bijstandsnorm voor een alleenstaande, een draagkrachtpercentage van 70 %, alsmede met de van toepassing zijnde heffingskortingen en de geheven inkomstenbelasting en het fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man een bijdrage toelaat zoals door de vrouw verzocht. Daarbij merkt het hof op, dat zelfs als zou het hof wel rekening hebben gehouden met de door de man opgevoerde lasten zoals deze sub 13 staan vermeld, de man ook nog voldoende draagkracht zou hebben de verzochte bijdrage te voldoen.

Verdeling kosten van de minderjarige

15. Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Ter zitting is als onweersproken vast komen te staan dat de vrouw en haar partner geen draagkracht hebben nu zij afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering en zij daarnaast in een minnelijk schuldhulpverleningstraject zitten. Dit brengt mee dat de vrouw en haar partner, die als stiefvader onderhoudsplichtig jegens de minderjarige is, thans geen draagkracht hebben om een deel van de kosten van de minderjarige te kunnen voldoen. De kosten van de minderjarige dienen daarom in zijn geheel door de man te worden gedragen. Het hof gaat er vanuit dat de vrouw en haar partner zich op korte termijn in zullen spannen om inkomsten te verwerven.

Ingangsdatum

16. Het hof acht het in het onderhavige geval redelijk de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage op de datum van deze beschikking vast te stellen.

Proceskosten

17. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof aanleiding in hoger beroep de proceskosten te compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van heden op € 492,50,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Van Kempen en Zwagemaker, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.

Beëindiging partneralimentatie; verlenging termijn.

Bron en volledige beschikking: LJN: BX2402, Gerechtshof Arnhem , 200.095.877

Partijen zijn op 30 juni 1978 met elkaar gehuwd. De rechtbank `s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 16 juli 1999 echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 13 augustus 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ƒ 3.050,- per maand zal voldoen, met inachtneming van hetgeen partijen zijn overeengekomen in het echtscheidingsconvenant. Daarin is overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 1999, na levering van de echtelijke woning aan een derde, een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van f 5.750,- bruto per maand. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 3.502,93 per maand.

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 9 maart 2011, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud te verlengen van 13 augustus 2011 tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man. Daarbij stelt de vrouw voor dat, ter overbrugging tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man, de alimentatie jaarlijks met € 1.200,- wordt verminderd met ingang van [geboortedatum] 2011 en dat de door haar ontvangen uitkeringen (flexpensioen, AOW, ouderdomspensioen) in mindering worden gebracht op de door de man verschuldigde alimentatie.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen.

Het hof overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, LJN BF3928, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:
– in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat   redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;
– de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;
– de verwachting van partijen toen zij huwden;
– de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de terugval in inkomen van de vrouw na ommekomst van de twaalf jaren termijn ingrijpend is, aangezien zij na afloop van die termijn zal zijn aangewezen op een uitkering op bijstandsniveau. Net als de rechtbank zal het hof hiervan uitgaan.

Nu uit het voorgaande volgt dat de beëindiging van de onderhoudsverplichting ingrijpend is, dient het hof te bezien of de vrouw bijzondere omstandigheden stelt en aantoont, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van 12 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhoor ter mondelinge behandeling is het volgende gebleken. De vrouw heeft een Havo en assurantie B diploma. Daarnaast heeft zij een opleiding tot medisch secretaresse gevolgd. In de periode van 1972 tot 1978 heeft zij achtereenvolgens bij de Amro-bank en als medisch secretaresse gewerkt. Na het huwelijk van partijen in 1978 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam A] en heeft de vrouw tot 1980 voor het Ministerie van Economische Zaken gewerkt. Na de geboorte van de kinderen in 1980 en 1981 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam B]. De vrouw heeft van 1984 tot 1990 gedurende 15 uur per week gewerkt bij een financieel adviesbureau. In 1990 zijn partijen verhuisd naar [woonplaats vrouw]. Sedertdien heeft de vrouw niet meer gewerkt. In 1993 is de buurman van partijen vermoord. In 1998 zijn partijen gescheiden gaan wonen. Na de echtscheiding in 1999 is de vrouw verhuisd naar een eigen woning. De kinderen zijn in 1997 en 2000 op zichzelf gaan wonen. De vrouw heeft een drankprobleem en heeft in de periode 1997-2001 hele perioden niet bewust meegemaakt. Zij is in 2001/2002 gedurende zeven weken opgenomen geweest op een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Tevens is zij in die periode korte tijd opgenomen geweest in de crisisopvang en wegens een kniebreuk. Vanwege het drankprobleem heeft de vrouw in 2003 gespecialiseerde thuiszorg ter ondersteuning en begeleiding gekregen. Bij de vrouw is voorts de diagnose COPD gesteld. In 2007 is aan de vrouw een WMO-indicatie voor thuishulp verleend.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw verlengen en wel met ingang van 13 augustus 2011 tot [geboortedatum] 2019 als de vrouw 65 jaar wordt. Daarbij zal het hof bepalen dat deze termijn na ommekomst niet opnieuw kan worden verlengd. Het hof neemt daarbij in aanmerking de duur van de periode gedurende welke de man, na ommekomst van deze termijn, te weten 20 jaar, aan deze alimentatieverplichting zal hebben voldaan, tegenover de duur van het huwelijk, te weten 21 jaar, alsmede de mate waarin de behoefte van de vrouw aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk. Anders dan de vrouw acht het hof voor deze periode een bijdrage van € 2.250,- bruto per maand, met uitsluiting van de wettelijke indexering, mede gezien haar lasten, in overeenstemming met haar huidige behoefte. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking het feit dat de man niet heeft gesteld dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

Invloed inkomen nieuwe partner op draagkracht onderhoudsplichtige ouder voor kind uit eerder huwelijk.

Invloed inkomen nieuwe partner op draagkracht onderhoudsplichtige ouder voor kind uit eerder huwelijk. Schatting door rechter indien geen beschikking over inkomensgegevens partner.

Het gaat in deze zaak om de vaststelling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de op [geboortedatum] 2005 uit de relatie van partijen geboren dochter [kind 1]. Die relatie is in 2005 beëindigd. De man is in 2009 gehuwd, uit welk huwelijk (in 2009 en 2010) twee kinderen zijn geboren, het jongste hangende het hoger beroep in deze procedure. De rechtbank heeft de alimentatie voor [kind 1] vastgesteld op € 356,– per maand, respectievelijk op € 457,– per maand vanaf het moment dat de voormalige gezamenlijke woning zou zijn verkocht. Het hof heeft die bijdrage bepaald op uiteenlopende bedragen, uitmondend in € 268,– per maand, ingaande 1 december 2010. Het hof heeft daartoe allereerst de behoefte van [kind 1] bepaald, zulks, in het spoor van partijen, aan de hand van hun inkomens in 2007, en wel op € 629,– per maand. Het overwoog dat de beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen en het heeft vervolgens de draagkracht van elk van partijen onderzocht. Het hof besliste de draagkracht van de man gelijkelijk te verdelen over zijn (inmiddels) drie kinderen, nu het onvoldoende aannemelijk achtte dat de behoefte van die kinderen verschillend is. Het bepaalde de draagkracht van de man voor [kind 1] aldus (ingaande 1 december 2010) op € 469,– per maand, die van de vrouw op € 631,– per maand, zodat de alimentatie ten laste van de man werd vastgesteld op het hiervoor genoemde bedrag van € 268,– per maand.

Het middel is terecht voorgesteld. Op grond van art. 1:397 lid 2 BW geldt dat indien meer personen op grond van bloed- en aanverwantschap tot het verstrekken van levensonderhoud zijn gehouden, de omvang van ieders verplichting afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van ieders draagkracht en de bijzondere verhouding waarin ieder staat tot degene die onderhoud behoeft. Ingeval het gaat om kinderalimentatie die door ouders is verschuldigd, zal de omvang van ieders verplichting in beginsel moet worden vastgesteld naar rato van ieders draagkracht (art. 1:404 lid 1 BW). Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om tevens bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust en dat de onderlinge bijdrageplicht van de ouders in de nieuwe relatie eveneens bepaald dient te worden naar rato van ieders draagkracht. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder. Het hof heeft daarom niet kunnen voorbijgaan aan het betoog van de vrouw dat de man de inkomensgegevens van zijn echtgenote dient over te leggen (vgl. HR 22 april 1988, LJN AD0287, NJ 1989/386, HR 28 mei 1993, LJN ZC0978, NJ 1994/434, HR 11 november 1994, LJN ZC1539, NJ 1995/129 en HR 26 november 2010, LJN BN7055, NJ 2010/633). Voor zover het oordeel van het hof daarop mocht berusten dat de draagkracht van de man ontoereikend is om aan zijn verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen – en zijn draagkracht daarom gelijkelijk moet worden verdeeld over alle kinderen – geldt dat het heeft miskend dat het eerst tot deze vaststelling kon komen nadat het de draagkracht van de echtgenote van de man had onderzocht en vastgesteld, nu de voor [kind 1] beschikbare draagkracht van de man daardoor mede op vorenstaande wijze kan worden beïnvloed (HR 22 april 2005, LJN AS3643, NJ 2005/379).

Indien de rechter niet de beschikking krijgt over de voor de berekening van de draagkracht van de andere ouder van de kinderen uit de andere relatie benodigde gegevens, staat het hem vrij die draagkracht te schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens, en daarbij, gelet op art. 21 en 22 Rv., rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Indien de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat die andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van die kinderen.

Bron: Rechtspraak.nl: LJN: BX1295

Confrontatie van behoefte en draagkracht (vervolg)

Ingeval naast partneralimentatie tevens kinderalimentatie voor een minderjarig- of jongmeerderjarig kind volgens de tremanormen moet worden vastgesteld:

Als de gewezen partner niet alleen op partner- maar ook op kinderalimentatie aanspraak maakt, dient allereerst een draagkrachtberekening te worden gemaakt voor de vaststelling van kinderalimentatie, waarbij altijd de norm voor een alleenstaande wordt gebruikt en de draagkracht in beginsel gelijk wordt verdeeld over alle kinderen die de ouder moet onderhouden.

Is de alsdan berekende draagkracht gelijk aan of lager dan de kosten van de kinderen, dan resteert geen draagkracht meer voor partneralimentatie. Beschikt de onderhoudsplichtige ouder na aftrek van de kinderalimentatie nog over draagkracht, dan kan op de gebruikelijke wijze een tremanorm draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden gemaakt, waarbij de kosten van de kinderen ten laste van de alsdan berekende draagkracht worden gebracht. De resterende draagkracht kan worden aangewend voor partneralimentatie.

Als de kosten van de kinderen tussen de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige worden verdeeld, kan dat deel van deze kosten dat ten laste van de onderhoudsgerechtigde komt in de draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden verwerkt en ten laste van de draagkracht worden gebracht net zoals in de berekening van de onderhoudsplichtige.

Een voorbeeld van deze situatie ter verduidelijking: stel de ouders hebben een kind van 13 jaar. Ouder 1 heeft een besteedbaar inkomen van  € 2.000,- per maand en ouder 2 een besteedbaar inkomen, rekening houdend met de extra heffingskortingen, van € 1.500,- per maand. De behoefte van het kind[1] hebben zij, rekening houdend met de tabel kosten kinderen en het gezamenlijk gezinsinkomen toen men nog samenwoonde, vastgesteld op € 500.- per maand. Vervolgens wordt ieders bijdrage voor het kind bepaald. Het draagkrachtloos inkomen van ouder 1 omvat naast de hier toepasselijke norm voor een alleenstaande, de gebruikelijke kosten voor wonen, ziektekosten en schulden. Stel de draagkracht bedraagt € 470,- plus het belastingvoordeel van de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie dat gemakshalve gesteld wordt op € 43,- per maand, zodat de totale draagkracht van de ouder 1 bedraagt € 513,- per maand. Ouder 2 heeft een draagkracht van € 180,- per maand. Verdeling naar rato van ieders draagkracht leidt tot een bijdrage van € 370,- per maand van ouder 1 en van  € 130,- per maand van ouder 2. Ieders deel van de kosten van het kind wordt ten laste van de draagkracht gebracht. Vervolgens wordt voor beide ouders een draagkrachtberekening gemaakt zoals hiervoor beschreven, waarin de kosten van het kind aan beide zijden als last worden meegenomen. Ten slotte kan met behulp van een jusvergelijking worden bezien welke partneralimentatie redelijk is.

De ontvangen kinderalimentatie is geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder dat dient ter dekking van de eigen kosten en blijft daarom bij de berekening van diens draagkracht dan wel de behoefte buiten beschouwing.



[1] In de tekst wordt met het woord “behoefte” steeds het eigen aandeel van ouders in de kosten van een kind bedoeld en met “de tabel kosten kinderen”



Confrontatie van behoefte en draagkracht

De te bepalen alimentatie wordt begrensd door de vastgestelde draagkracht en behoefte. De laagste van de twee maximeert de alimentatie. De wettelijke opdracht om met behoefte en draagkracht rekening te houden, opent evenwel de mogelijkheid om op grond van de onderlinge verhoudingen tot een lager bedrag dan het maximum te besluiten.

Ingeval partneralimentatie moet worden vastgesteld

Als er sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het nuttig en redelijk zijn de financiële situatie van partijen op basis van ieders inkomen en lasten te vergelijken. Men noemt dit een jusvergelijking. Aan de hand daarvan kan bezien worden of er reden is een lagere bijdrage vast te stellen dan de berekende maximale draagkracht bij de onderhoudsplichtige.

In het algemeen vindt de werkgroep alimentatienormen van de NvvR het redelijk, dat de onderhoudsgerechtigde niet meer “vrije ruimte” of  “jus” overhoudt dan de onderhoudsplichtige; met andere woorden de onderhoudsgerechtigde behoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige (N.B.: er bestaat geen regel dat partijen na de scheiding in beginsel een gelijk besteedbaar inkomen behoren te hebben). Voorwaarde voor een goede vergelijking is een gelijke behandeling van partijen bij de beoordeling van hun lasten. Voor de onderhoudsgerechtigde kan op dezelfde wijze als voor de onderhoudsplichtige een draagkrachtberekening worden gemaakt met daarin verwerkt de bijstandsnorm (in beginsel voor een alleenstaande, tenzij er nog andere gezinsleden zijn die (mede) door de onderhoudsgerechtigde moeten worden onderhouden dan de kinderen van partijen), de woonlast, de premie ZVW en andere bijzondere, noodzakelijke lasten. Luxe uitgaven waaraan de onderhoudsgerechtigde tijdens het huwelijk gewend was, dienen niet in het draagkrachtloos inkomen te worden opgenomen; bij de onderhoudsplichtige gebeurt dit immers ook niet. Vervolgens wordt dan vergeleken welke “jus” ieder overhoudt na betaling van een bepaald bedrag aan partneralimentatie door de onderhoudsplichtige. Bij de onderhoudsplichtige wordt de eventueel te betalen kinder­alimentatie (voor hun beider of andere kinderen) als last meegenomen. De door de onderhoudsgerechtigde ontvangen kinderalimentatie wordt direct toegerekend aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel wordt bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening gehouden met de aan die ouder toekomende fiscale voordelen van het tot het gezin behoren van kinderen, voornamelijk ten gevolge van het benutten van extra heffingskortingen.

De aldus berekende jus bij elk van beide partijen verschaft inzicht in de financiële gevolgen van een scheiding. Deze jus hebben beide partijen immers nodig om te voorzien in de luxe uitgaven (de welstand) waaraan zij gewend waren tijdens het huwelijk. Denk bij voorbeeld aan vakanties, een auto, contributies van clubs en dergelijke. De onderhoudsgerechtigde dient deze luxe lasten wel aannemelijk te maken.

De berekende jus dient niet te worden verward met het begrip “vrije ruimte” dat in geval van een reguliere draagkrachtberekening gebruikt wordt, te weten het gedeelte van de draagkrachtruimte (40% of 55% dat resteert na 60% of 45% alimentatie van die ruimte in de bruto methode) dat de onderhoudsplichtige zelf mag houden. De jus in een jusvergelijking kan gelijk zijn aan of zelfs groter dan dat zelf te behouden deel van de draagkrachtruimte, maar niet kleiner omdat de vergelijking er volgens de werkgroep niet toe mag leiden dat er meer alimentatie wordt vastgesteld dan de draagkracht van de onderhoudsplichtige op grond van de richtlijnen van de werkgroep toelaat. Dit gevolg acht de werkgroep in het algemeen niet redelijk. Minder alimentatie dan de draagkracht toelaat, is wel mogelijk, bijvoorbeeld indien uit de vergelijking blijkt dat de onderhoudsgerechtigde meer jus overhoudt dan de onderhoudsplichtige. Indien de jus van de onderhoudsgerechtigde groter is dan die van de onderhoudsplichtige, is er reden een lagere alimentatie vast te stellen, in beginsel een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijke vrije ruimte hebben. Met behulp van het alimentatierekenprogramma INA kan dit eenvoudig worden berekend.