Fiscale gevolgen partneralimentatie

Als één van beiden na de echtscheiding niet voldoende inkomsten heeft om in zijn/haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, heeft de ander de plicht om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud. Deze alimentatieplicht eindigt in principe na twaalf jaar. Duurde het huwelijk korter dan vijf jaar en zijn er geen kinderen, dan duurt de alimentatieplicht niet langer dan dat het huwelijk duurde.

De verplichting tot het betalen van partneralimentatie stopt als degene die de alimentatie krijgt, met een ander trouwt, gaat samenwonen of een geregistreerd partnerschap aangaat.

Partneralimentatie is bij de ontvanger belast en voor de betaler fiscaal aftrekbaar. Meestal spreken partijen met elkaar af dat de partneralimentatie maandelijks wordt betaald. Dat hoeft echter niet. Je kunt bijvoorbeeld ook besluiten om de alimentatieverplichting af te kopen. Dit kan fiscaal aantrekkelijk zijn voor met name de alimentatieplichtige. Er ontstaat dan namelijk een hoge aftrekpost. Je moet dan echter wel voldoende inkomen in box 1 hebben om effectief gebruik te maken van deze aftrekpost. De alimentatieontvanger daarentegen moet fiscaal in één keer afrekenen over de afkoopsom en dat is dan meestal weer niet voordelig. Dit kan worden voorkomen door de afkoop te storten in een lijfrenteverzekering. Er gelden hiervoor wel voorwaarden. Zo moeten de lijfrente-uitkeringen direct ingaan na het betalen van de afkoopsom.

Let op: een afkoopsom is pas fiscaal aftrekbaar als deze betaald is na inschrijving van de echtscheidingbeschikking in het register van de Burgerlijke Stand. Betaal je de afkoopsom eerder dan is deze voor jou niet aftrekbaar, maar wel belast bij de alimentatieontvanger.

Het is raadzaam om goed te overwegen of afkoop aantrekkelijk is. Stel dat je ex-partner na twee jaar gaat samenwonen, dan eindigt jouw alimentatieplicht. Heb je de alimentatie in een keer afgekocht, dan is dat dus bijzonder vervelend. In dat geval betaal je veel meer dan wanneer je de alimentatie maandelijks had overgemaakt.

Zoals u merkt komt er bij een echtscheiding nogal wat kijken en zijn er veel zaken die geregeld moeten worden. Het zijn beslissingen waarover u eerder niet hoefde na te denken en dat kan natuurlijk voor onrust zorgen. Daarnaast spelen de emotionele aspecten uiteraard ook nog een rol.

Tremanormen.nl kan u tijdens het echtscheidingsproces bijstaan op juridisch, financieel en fiscaal gebied. Neem gerust telefonisch op 074 – 250 72 73 of per email contact met ons op voor een vrijblijvend oriënterend gesprek òf wanneer u concrete vragen hebt. Zo krijgt u op het praktische vlak in ieder geval alvast een stuk rust en zekerheid terug.

Fiscale gevolgen kinderalimentatie

Kinderalimentatie is niet belast bij de ontvangende ouder en niet aftrekbaar bij de betalende ouder. Betaal je kinderalimentatie dan heb je mogelijk wel recht op de forfaitaire aftrek (normbedrag dat is vastgesteld door de overheid) voor de kosten van het levensonderhoud van de kinderen. Dat kan echter alleen als je voor het kind geen kinderbijslag krijgt en het kind zelf geen studiefinanciering ontvangt. Hoeveel je mag aftrekken, hangt af van de mate waarin je het kind onderhoudt én de leeftijd van het kind. Per 1 januari 2012 is deze leeftijdsgrens verlaagd van 30 jaar naar 21 jaar.

Let op: zoals gezegd stopt de aftrek levensonderhoud voor kinderen zodra het kind studiefinanciering ontvangt. In de meeste gevallen loopt de kinderalimentatieplicht echter nog wel door.

Zoals u merkt komt er bij een echtscheiding nogal wat kijken en zijn er veel zaken die geregeld moeten worden. Het zijn beslissingen waarover u eerder niet hoefde na te denken en dat kan natuurlijk voor onrust zorgen. Daarnaast spelen de emotionele aspecten uiteraard ook nog een rol.

Tremanormen.nl kan u tijdens het echtscheidingsproces bijstaan op juridisch, financieel en fiscaal gebied. Neem gerust telefonisch op 074 – 250 72 73 of per email contact met ons op voor een vrijblijvend oriënterend gesprek òf wanneer u concrete vragen hebt. Zo krijgt u op het praktische vlak in ieder geval alvast een stuk rust en zekerheid terug.

Kinderalimentatie. Rechtsverwerking. Specifieke omstandigheden van het geval.

Bron: LJN: BX2754, Gerechtshof ‘s-Gravenhage d.d. 25-07-2012, zaaknr 200.103.068/01

Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht

Uitspraak : 25 juli 2012
Zaaknummer : 200.103.068/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-3765

[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D.H.J. Krouwel te ‘s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat voorheen mr. R.K. van der Brugge te ‘s-Gravenhage, thans geen advocaat bekend.

Als belanghebbende is opgeroepen:
[thans jongmeerderjarige],
geboren [in] 1994 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de thans jongmeerderjarige.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 29 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 november 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
– op 13 maart 2012 een brief van 12 maart 2012 met bijlagen;
van de zijde van de moeder:
– op 27 april 2012 een brief van 24 april 2012;
– op 4 mei 2012 een brief van 2 mei 2012.

De zaak is op 7 juni 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
– de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
– de thans jongmeerderjarige.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 3 februari 1999 van de rechtbank Amsterdam.

Bij beschikking van 3 februari 1999 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de vader fl. 300,– per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de thans jongmeerderjarige.

Bij de bestreden beschikking is – met wijziging in zoverre van de beschikking van 3 februari 1999 – de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de thans jongmeerderjarige bepaald op € 61,13 per maand voor de periode van 15 juni 2011 tot 1 januari 2012 (in de bestreden beschikking staat foutief vermeld
23 maart 2012) en op € 61,92 per maand over de periode vanaf 1 januari 2012, vanaf 29 november 2011 telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de vader binnen veertien dagen na 29 november 2011 € 203,18 aan de moeder dient te voldoen ter zake schoolkosten van de thans jongmeerderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
– bij beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank Arnhem is de thans jongmeerderjarige onder toezicht gesteld van Jeugdzorg en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de periode van 15 juni 2011 tot 23 maart 2012.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de thans jongmeerderjarige.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het verzoek van de vader om de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 op nihil te stellen dan wel de moeder de kinderalimentatie over de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 te ontzeggen alsnog wordt toegewezen.

3. De moeder heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd. Bij voormelde brief van 4 mei 2012 heeft de moeder het hof bericht dat zij niet zal verschijnen op de mondelinge behandeling van het hof.

4. De vader stelt dat naast het feit dat de moeder acht jaren lang heeft stilgezeten en niet om hervatting van betaling van de kinderalimentatie heeft verzocht, er bijzondere omstandigheden zijn als gevolg waarvan bij de vader het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de moeder haar recht tot invordering van de achterstallige kinderalimentatie niet meer geldend zou maken.
De vader voert daartoe aan dat partijen een stilzwijgende afspraak hebben gemaakt, inhoudende dat de vader de thans jongmeerderjarige vanaf januari 2003 niet meer zou zien en hij voor haar vanaf dat moment ook geen kinderalimentatie meer zou betalen. Daarnaast mocht de vader na ontvangst van de brief van het LBIO gedateerd 28 januari 2011, inhoudende het verzoek om kinderalimentatie vanaf augustus 2010 aan de moeder te voldoen, er gerechtvaardigd van uitgaan dat de moeder slechts aanspraak maakte op kinderalimentatie vanaf de laatst gemelde datum. In reactie op de daarna door de advocaat van de moeder op 8 juli 2011 rechtstreeks aan de vader gestuurde brief, waarin de vader wordt verzocht een bedrag van € 12.421,68 aan achterstallige kinderalimentatie over de periode van april 2004 tot augustus 2010 binnen veertien dagen te voldoen, heeft hij pas zijn gewijzigde inleidend verzoekschrift ingediend, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht de kinderalimentatie per 9 januari 2003 op nihil te stellen. De vader kon er na verloop van acht jaren en bij het in zicht komen van het meerderjarig worden van de thans jongmeerderjarige gerechtvaardigd van uitgaan dat de moeder zelf in de behoefte van de thans jongmeerderjarige voorzag en geen aanspraak meer zou maken op een bijdrage zijdens de vader. De vader stelt zich voorts op het standpunt dat de moeder heeft ingestemd met een beëindiging van de betaling van kinderalimentatie per januari 2003, dan wel dat hij dit uit haar verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mocht afleiden.
Daarnaast stelt de vader nog dat hij onredelijk in zijn positie zou worden benadeeld indien de moeder alsnog de achterstallige kinderalimentatie zou incasseren, nu de moeder geen behoefte had aan de bijdrage, terwijl de vader een lening zal moeten afsluiten om haar het bedrag van € 10.332,49 (het bedrag van de achterstallige kinderalimentatie over de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011) te betalen.

5. De thans jongmeerderjarige heeft ter terechtzitting verklaard achter het verzoek van de vader te staan, onder meer stellende dat de moeder de kinderalimentatie niet nodig had, mede gelet op het feit dat zij al sinds juli 2010 niet meer bij de moeder verblijft.

6. Het hof stelt voorop dat van rechtsverwerking in beginsel slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel een tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist, als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser die aanspraak alsnog geldend zou maken.

7. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is het hof van oordeel dat het beroep van de vader op rechtsverwerking gehonoreerd moet worden. Daartoe overweegt het hof het volgende. Vast staat dat de vader vanaf januari 2003 geen kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald. Tot medio 2011 heeft de moeder hiertegen niet geprotesteerd, naar haar eigen verklaring omdat zij bang was voor de vader en zijn familie. Deze stelling is door de moeder evenwel niet onderbouwd, terwijl de vader weerspreekt dat daarvoor gronden aanwezig zouden zijn. In de tussenliggende periode van acht jaren is door de moeder nooit om betaling van kinderalimentatie verzocht, heeft zij anderszins evenmin aan de orde gesteld dat de vader in gebreke was met de betaling van een bijdrage voor de thans jongmeerderjarige en ook heeft zij in die periode niet getracht de beschikking van 3 februari 1999 te executeren. Het hof gaat daarbij voorbij aan de verklaring van de moeder ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende dat zij reeds in 2009 een beroep heeft gedaan op betaling van achterstallige kinderalimentatie via het LBIO, nu zij deze stelling, bij betwisting daarvan door de vader, (in hoger beroep) niet met stukken heeft onderbouwd. Het enkele tijdsverloop vormt op zichzelf echter geen bijzondere omstandigheid die rechtsverwerking rechtvaardigt.

8. In dit specifieke geval zijn naar het oordeel van het hof echter bijzondere omstandigheden aanwezig die in onderlinge samenhang bezien tezamen met het vorenstaande maken dat bij de vader het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de moeder haar aanspraak op kinderalimentatie niet (meer) geldend zou maken. Deze bijzondere omstandigheden zijn vooreerst gelegen in de door de moeder gedurende het tijdvak april 2004 tot augustus 2010 jegens de vader ingenomen houding. De vader heeft gesteld dat sprake was van een stilzwijgende afspraak tussen partijen inhoudende dat de vader de thans jongmeerderjarige vanaf januari 2003 niet meer zou zien en dat hij aan de moeder vanaf dat moment ook geen kinderalimentatie meer zou betalen. Hoewel het bestaan van deze stilzwijgende afspraak door de moeder in eerste aanleg is betwist, is gebleken dat gedurende de periode van acht jaar de vader niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en dat evenmin omgang tussen de vader en de thans jongmeerderjarige heeft plaatsgevonden. Dat door de moeder het uitblijven van deze omgang evenmin op enig moment bij de vader aan de orde is gesteld, maakt haar betwisting van de stelling van de vader met betrekking tot de stilzwijgende afspraak onaannemelijk. Vast staat in ieder geval dat de moeder jarenlang geen betaling van de kinderalimentatie heeft gevorderd en er tussen de vader en zijn dochter geen omgang heeft plaats gevonden, op welke omgang de moeder nooit heeft aangedrongen. Verder heeft de moeder naar eigen zeggen ter zitting in eerste aanleg altijd een goed salaris verdiend; zij kon daarvan met de thans jongmeerderjarige goed rondkomen en zij was nimmer genoodzaakt leningen aan te gaan om te voorzien in haar levensonderhoud en dat van de thans jongmeerderjarige. De moeder heeft derhalve geen relevant gebleken nadeel geleden door het uitblijven van de kinderalimentatie. De vader daarentegen zou onredelijk worden benadeeld indien de moeder haar aanspraak alsnog geldend kan maken, te meer nu door de vader – onweersproken – is gesteld dat, nu hij geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de moeder hem te eniger tijd in rechte zou kunnen betrekken, hij hierop niet heeft geanticipeerd als gevolg waarvan hij een lening zal moeten afsluiten om alsnog het bedrag aan achterstallige kinderalimentatie te kunnen betalen.

9. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is het hof dan ook van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de moeder – in het bijzonder gezien haar daarmee onverenigbare ingenomen houding – thans nog aanspraak maakt op betaling van achterstallige kinderalimentatie. Nu het beroep van de vader op rechtsverwerking slaagt, zal het hof het inleidend verzoek van de vader voor zover dit ziet op de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 alsnog toewijzen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo¬ver aan het oor¬deel van het hof onder¬worpen en voor zover deze betrekking heeft op de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2011 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 februari 1999 van de rechtbank Amsterdam, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jongmeerderjarige met ingang van 1 juli 2006 tot
15 juni 2011 op nihil;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan ‘s hofs oor¬deel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stollenwerck en Van Veen, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2012.

Is er sprake van samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW? Hof: nee. Passeren bewijsaanbod.

Bron d.d. 25 juli 2012: LJN: BX2648, Gerechtshof Leeuwarden , 200.086.778/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van
[appellant],
zonder bekende woonplaats,
doch thans verblijvende te [adres],
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. G.M. Goes, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. van den Eshof, kantoorhoudende te Dronten.

Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 16 februari 2011 (zaaknummer 170190 / FA RK 10-1441) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 14 april 2010 bepaald op € 2.000,- (bruto) per maand.

Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 9 mei 2011, heeft de man verzocht de beschikking van 16 februari 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende het inleidend verzoek van de vrouw af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 28 juni 2011, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 22 juli 2011 met bijlage (het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van – naar het hof begrijpt – 25 november 2010) en een brief van 21 oktober 2011 met bijlagen van mr. Goes.

Ter zitting van 7 november 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. M.V. Scheffer, kantoorgenoot van mr. Goes, en de vrouw, bijgestaan door mr. Van den Eshof. Door mr. Van den Eshof zijn pleitnotities overgelegd.

De beoordeling
1.  Uit het huwelijk van partijen zijn geboren [kind 1] [in 1991] en [kind 2] [in 1994].

2.  Partijen zijn uit elkaar gegaan. Vervolgens zijn partijen in maart 2006 een echtscheidingsconvenant overeengekomen. Dat convenant houdt onder meer in dat zij voor het faillissement van de man afgesproken hebben dat de man een partneralimentatie van € 2.000,- per maand aan de vrouw zal betalen en een kinderalimentatie van € 750,- per kind per maand zal betalen, dat de man dat niet kan nakomen zolang hij in staat van faillissement is, dat partijen geen afspraken maken over de alimentatie omdat zij er geen zicht op hebben hoe lang die situatie zich voordoet en dat partijen nadere afspraken zullen maken zodra er meer duidelijkheid is omtrent de financiële situatie van de man.
Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van [2006] is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 2 januari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.  De ingangsdatum van de partneralimentatie van 14 april 2010 is niet in geschil. Het hof zal daarom van deze datum uitgaan.

De geschilpunten
4.  De geschilpunten tussen partijen betreffen:
– de samenleving van de vrouw in de zin van art. 1:160 BW;
– de behoefte en behoeftigheid van de vrouw;
– de draagkracht van de man.

De samenleving van de vrouw in de zin van art. 1:160 BW
5.  Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

6.  De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrouw heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd en dat daarmee zijn onderhoudsverplichting is geëindigd. De vrouw heeft het standpunt van de man bestreden.

7.  Voor de vaststelling dat een gescheiden echtgenoot samenleeft met een ander als waren zij gehuwd dan wel als hadden zij hun partnerschap laten registreren, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW, is vereist dat tussen de partners een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat zij met elkaar samenwonen, dat zij elkaar wederzijds verzorgen en dat zij tevens een gemeenschappelijke huishouding voeren. Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is onder meer sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

8.  De man heeft gesteld dat de vrouw in Zuid-Afrika samenwoonde met [X] als waren zij gehuwd. Ze had een eigen woning, maar verbleef daar volgens de man feitelijk niet meer. Het aannemen van een samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW brengt verstrekkende gevolgen voor de vrouw met zich mee, zodat van de man gevergd mag worden dat hij zijn stellingen hieromtrent met voldoende overtuigende stukken onderbouwt. Het hof is van oordeel dat met de door de man ingebrachte verklaringen in onvoldoende mate aannemelijk is gemaakt dat is voldaan aan de hiervoor genoemde in het kader van artikel 1:160 BW te stellen eisen. Daartoe neemt het hof onder meer het volgende in aan¬mer¬king.

9.  De man heeft er in hoger beroep op gewezen dat mr. Viljoen, zijn advocaat in Zuid-Afrika, heeft verklaard dat de vrouw en [X] hebben samengewoond en -geleefd als waren zij gehuwd. De man heeft opgemerkt dat mr. Viljoen er geen belang bij heeft om in strijd met de waarheid te verklaren en dat dat ook met zijn functie als advocaat zou botsen. Volgens de man is onvoldoende gemotiveerd waarom aan de betrouwbaarheid van deze verklaring getwijfeld wordt.
Noch de brief van mr. Viljoen van 7 juli 2010, noch de brief van 24 november 2010 bevat naar het oordeel van het hof een verklaring dat de vrouw samenleefde als ware zij gehuwd. In de brief van 7 juli 2010 wordt enkel aangegeven dat gesteld werd dat de vrouw een affectieve relatie had die duurzaam van aard was en dat er geen bewijs is geleverd. Over samenwonen spreekt de brief niet. In de brief van 24 november 2010 merkt mr. Viljoen op dat hij van [X] heeft gehoord, dat hij 2 tot 3 jaar een relatie had met de vrouw, maar ook dat zij niet hebben samengewoond of een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Ook in deze brief geeft mr. Viljoen aan dat er geen bewijs voor samenwoning gevonden is.
Mr. Viljoen heeft geen blijk gegeven van eigen waarneming van de samenwoning als waren zij gehuwd. Hij wijst er daarentegen op dat er geen bewijs is geleverd, dan wel gevonden voor het gestelde. Nog los van de vraag of de onpartijdigheid van deze getuige voldoende gewaarborgd is, geeft mr. Viljoen dus niet aan dat de vrouw heeft samengewoond in voornoemde zin.
De stelling van de man in eerste aanleg dat [X] in de procedure in Zuid-Afrika zelf heeft verklaard dat hij een affectieve en duurzame relatie met de vrouw had, is – zoals door de rechtbank is overwogen en ook thans nog geldt – niet onderbouwd met stukken. Overigens ook al zou [X] dat wel verklaard hebben, dan volgt daaruit nog niet dat hij samengewoond heeft met de vrouw.

10.  Volgens de man ondersteunen de verklaring van [getuige 1] die zijn dochter [kind 2] in Zuid-Afrika vaak opgevangen heeft en haar paard verzorgd heeft, en [getuige 2], een vriendin van [kind 2], de overige verklaringen.
De ingebrachte verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] samen betreft [kind 2] en haar contact met en zorg door haar moeder. Ze hebben slechts aangegeven wat [kind 2] over het samenwonen van haar moeder met [X] heeft gezegd, maar niet blijkt van eigen waarneming of wetenschap van [getuige 1] en/of [getuige 2].

11.  Er is volgens de man geen reden om de verklaring van [kind 2] niet betrouwbaar te achten.
Dat de ingebrachte verklaring van juli 2010 van de toen vijftien- of zestienjarige [kind 2] woordgebruik bevat dat niet past bij een vijftienjarige [kind 2], is niet door de man bestreden. Daar komt bij dat de verklaring op briefpapier van de advocaat is gesteld. De man heeft toegelicht dat het een interview betrof van [kind 2] door een kantoorgenoot van mr. Viljoen en dat de verklaring niet door [kind 2] zelf geschreven is maar het wel haar verklaring betreft.
De rechtbank heeft aangegeven dat deze verklaring niet duidelijk maakt hoe [kind 2] wetenschap heeft (gekregen) van de door haar genoemde omstandigheden in het huis waar haar moeder met [X] zou samenwonen op basis waarvan zij heeft aangegeven dat de vrouw heeft samengewoond als ware zij gehuwd. In de verklaring van [kind 2] die de man in hoger beroep heeft ingebracht, heeft ze verteld dat ze op een gegeven moment mee moest naar [X]s huis en dat ze daar nul tot twee keer per maand was. Uit die verklaring blijkt tevens dat de relatie tussen [kind 2] en de vrouw (ernstig) verstoord is, dat ze zich enorm in de steek gelaten voelt en dat ze de nieuwe partner van de man beschouwt als de moeder die ze nooit heeft gehad.
De verklaring van [kind 2] vindt geen steun in de stukken van het dossier of anderszins. Het hof acht haar verklaring daarom niet voldoende objectiveerbaar. Buiten dat, uit de verklaringen van [kind 2] blijkt ook niet van een financiële verstrengeling van haar moeder met [X] of anderszins van wederzijdse zorg tussen hen. Deze verklaringen acht het hof dan ook onvoldoende om daaruit te concluderen dat de vrouw heeft samengewoond met [X] in de zin van art. 1:160 BW. Overigens merkt het hof in dit verband ten overvloede nog op dat met verklaringen van kinderen die ten aanzien van één van de ouders een grote loyaliteit laat zien, voorzichtig moet worden omgegaan.

12.  De door de man ingebrachte tandartsrekeningen van de vrouw vermelden één tandartsbezoek van [X] op 23 maart 2009. Dat kan evenwel niet de conclusie dragen dat er sprake is van wederzijdse verzorging of financiële verwevenheid tussen de vrouw en [X].

13.  De man heeft bewijs aangeboden door het horen van getuigen, te weten dochter [kind 2], zijn partner [naam], mr. Viljoen en medewerkers van de school van [kind 2] in Zuid-Afrika. Het hof gaat aan het bewijsaanbod voorbij, omdat het onvoldoende duidelijk en concreet is. De man heeft alleen in algemene bewoordingen aangeboden te bewijzen dat de vrouw samengeleefd heeft in de zin van art. 1:160 BW. De man heeft onvoldoende aangegeven op welke punten de getuigen (uit eigen wetenschap) zouden kunnen verklaren, dan wel op basis van welke omstandigheden tot uitdrukking komt dat er sprake van een dergelijke samenwoning is (geweest). Ten aanzien van de heer Viljoen heeft de man desgevraagd bovendien ter zitting meegedeeld dat hij niets anders kan verklaren dan hetgeen reeds op schrift is meegedeeld.

14.  Het hof komt tot de conclusie dat uit de overgelegde stukken en de toelichtende verklaring van de man niet het bewijs valt te putten van de juistheid van zijn stelling, die door de vrouw gemotiveerd bestreden is. Het bewijsaanbod passeert het hof zoals hiervoor is overwogen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat de vrouw en haar toenmalige partner samenwoonden als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, als bedoeld in artikel 1:160 BW en dat uit dien hoofde de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw niet is geëindigd.
15.  Gezien deze stand van zaken dient het hof nader te beslissen op de verdere geschilpunten van partijen die, zakelijk weergegeven, betrekking hebben op de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Behoefte en behoeftigheid
16.  Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de vrouw, mede gelet op de welstand tijdens het huwelijk, dient te worden vastgesteld. De man heeft betwist dat er sprake is geweest van een behoefte van de vrouw van € 2.000,- per maand. De vrouw is het niet eens met de man en heeft aangevoerd dat de man zijn standpunt niet onderbouwd heeft.

17.  De welstand van partijen in de periode voordat ze uit elkaar gingen en daarmee de bepaling van de hoogte van de alimentatiebehoefte kan op verschillende manieren worden bewerkstelligd. Niet doorslaggevend is hoe hoog het formele inkomen van partijen tijdens het huwelijk was, maar welk bedrag zij pleegden uit te geven.
Partijen zijn eind 2004/begin 2005 uit elkaar gegaan, zo blijkt uit het verhandelde ter zitting van het hof. De vrouw heeft gesteld dat het netto besteedbaar inkomen ten tijde van het huwelijk € 8.000,- per maand heeft bedragen. Deze door de man in hoger beroep bestreden stelling, heeft de vrouw evenwel niet met stukken onderbouwd.
De man heeft aangiften inkomstenbelasting 2002, 2003 en 2004 ingebracht, maar geen bijbehorende belastingaanslagen. De man heeft bovendien aangegeven dat partijen meer uitgaven dan zij als inkomen ontvingen. Het hof kan daarom evenmin uitgaan van het in die belastingaangiften genoemd inkomen.
Partijen hebben beiden niet aangegeven en met stukken onderbouwd hoeveel zij pleegden te besteden. Uit de door de vrouw aangevoerde omstandigheden, dat de WOZ-waarde van de echtelijke woning volgens de aangifte inkomstenbelasting 2002 € 837.678,- heeft bedragen, dan wel dat de aandelenportefeuille 1 januari 2002 een waarde had van € 57.462,-, dan wel dat de man in staat was een (duur) huis in Zuid-Afrika te huren en in te richten, kan het hof evenmin opmaken hoeveel partijen pleegden uit te geven.

18.  Uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat partijen overeengekomen zijn dat de man een partneralimentatie van € 2.000,- aan de vrouw zal betalen, maar dat dit niet nagekomen kan worden zolang de man in staat van faillissement verkeert. Ter zitting heeft de man aangegeven dat bij het maken van het convenant de gegevens van de vijf daaraan voorafgaande jaren betrokken zijn. Bij gebrek aan andere gegevens, zal het hof op basis van het convenant van maart 2006 er van uitgaan dat de behoefte van de vrouw € 2.000,- bruto per maand heeft bedragen. Dat is – nu partijen daarover niets gezegd hebben uitgaande van de hier geldende belastingtarieven – netto € 1.440,- per maand. Geïndexeerd naar 2010 is dat € 1.592,40,- netto per maand.

19.  Tussen partijen is tevens in geschil of en in hoeverre de vrouw door middel van eigen inkomsten in haar behoefte kan voorzien.
De man is van mening dat de vrouw geacht moet worden om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij is intelligent en is fysiek in staat om te werken. Daarnaast heeft zij niet meer de zorg voor de kinderen. Bovendien heeft de vrouw in Zuid-Afrika een goede baan gehad bij een im- en export bedrijf, aldus de man.
De vrouw heeft gesteld dat zij niet in haar eigen levensonderhoud kon en kan voorzien. Zij heeft uit hoofde van haar bijstandsuitkering een sollicitatieplicht.

20.  De vrouw heeft ter zitting onweersproken aangegeven dat ze gewerkt heeft met behoud van haar bijstandsuitkering en dat haar uitkering ongeveer € 600,- per maand heeft bedragen. Bij gebrek aan nadere gegevens gaat het hof ervan uit dat de vrouw een netto-uitkering van € 619,58 per maand heeft ontvangen zoals is genoemd in de uitkeringsspecificaties van juli en augustus 2010. De bijstandsnorm voor een alleenstaande bedroeg destijds € 913,- per maand. Het hof maakt daaruit op dat de vrouw een inkomen verdient van (€ 913,- – € 619,58 =) € 293,42 netto per maand. Daaruit volgt dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man van (€ 1.592,40,- – € 293,42 =) € 1.298,98 netto per maand. Het hof berekent die behoefte aan een bijdrage op ongeveer € 1.730,- bruto per maand.

Draagkracht
21.  De man heeft gesteld dat hij niet voldoende inkomen heeft om de verzochte partneralimentatie te voldoen. De man heeft laten weten dat zijn faillissement in januari 2008 wegens gebrek aan baten is opgeheven en dat hij nog steeds niet beschikt over enige draagkracht. De man heeft aangevoerd dat hij grote schulden heeft en al jaren niet in staat is die af te lossen en heeft gewezen op het door hem ingebrachte BKR-overzicht.

22.  Anders dan de man, is de vrouw van mening dat de man heeft nagelaten inzicht te geven in zijn financiële situatie en die van zijn partner, hetgeen voor risico van de man dient te komen.

23.  In artikel 2.1.1. van het ‘procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven’ is nader gespecificeerd aangegeven welke financiële gegevens dienen te worden overgelegd in het geval de draagkracht van de onderhoudsplichtige onderwerp van geschil is. Het had op de weg van de man gelegen om zijn inkomen inzichtelijk te maken over de periode vanaf 14 april 2010 door overlegging van de in artikel 2.1.1. van het geldende procesreglement bedoelde bescheiden, waaruit onder meer zijn inkomen kan blijken. Dit geldt te meer nu de man ook in eerste aanleg is gewezen op de noodzaak om zijn stellingen te voorzien van een onderbouwing.

24.  De man heeft in zijn hoger beroepschrift bestreden dat hij geen inkomensgegevens van 2009 zou hebben ingebracht, zoals de rechtbank onder meer heeft overwogen. Naar het oordeel van het hof heeft de man weliswaar enige gegevens over 2009 ingebracht, maar hij heeft onvoldoende stukken ingebracht waaruit duidelijk wordt wat zijn inkomen in 2009 dan wel nadien is geweest. Aangiftes inkomstenbelasting 2009 en/of 2010 en bijbehorende aanslagen ontbreken. Salarisspecificaties van 2011 missen eveneens. De man heeft geen bankafschriften van zichzelf – die zijn stellingen mogelijk hadden kunnen ondersteunen – in het geding gebracht. Nu de man heeft gesteld dat zijn draagkracht ontoereikend is voor het betalen van de verzochte partneralimentatie, had het op zijn weg gelegen om zijn stellingen met stukken – zoals hiervoor overwogen – te onderbouwen.

25.  De enkele stelling van de man dat zijn partner hem onderhoudt en de ingebrachte bevestiging daarvan door zijn partner, is onvoldoende om tot de overtuiging te kunnen komen dat de man daadwerkelijk – zoals hij zelf heeft aangevoerd – geen of weinig inkomen heeft en geen draagkracht heeft.
De man heeft een gegevensoverzicht van St. Bureau Krediet Registratie van 21 maart 2011 ingebracht waarin kredieten genoemd worden die tezamen ruim € 100.000,- bedragen en waarop in 2005 en 2006 afboekingen zijn gedaan. Deze informatie over de schulden van de man, zeggen evenwel niets over zijn inkomen nadien. De man heeft daarbij ook gewezen op: een e-mail waarin de belastingadviseur heeft verklaard dat de man in 2005 en 2006 geen (Nederlands) inkomen had en in 2007 € 11.643,-, jaarrekeningen over 2007 en 2008 van Design ‘2 M B.V. waar hij aandelen van heeft en die een verlies vermelden, en een overzicht waarin staat dat hij een commissie van CYA Technologies heeft ontvangen van € 19.358,- in 2008 en € 1.532,- in 2009. Ook dat brengt evenwel niet zonder meer mee dat er geen inkomen is (geweest). Uit die stukken valt evenals uit voornoemde andere stukken, niet op te maken wat het inkomen van de man vanaf 2010 is (geweest) (of zelfs in 2009).

26.  De man heeft in eerste aanleg aangegeven dat hij incidenteel werkzaamheden voor een onderneming in het buitenland, CYA Technologies, verricht en vanwege de economische crisis weinig tot geen opdrachten meer krijgt. De man heeft een e-mail ingebracht van CYA Technologies van 23 december 2010 waarin staat dat de partnerovereenkomst met de man wordt beëindigd. Daaruit wordt het hof evenwel niet duidelijk wat het inkomen van de man in 2010 bij CYA Technologies is geweest en wat zijn inkomen na die beëindiging is (geweest).
De betalingen van CYA Technologies op de rekening van de partner van de man in december 2007 en het verweer van de man dat dat vergoeding van kosten voorgeschoten door zijn partner, betrof, kan in het midden blijven, nu daaruit niet valt af te leiden welk inkomen de man (van genoemd bedrijf) in 2010 en nadien heeft ontvangen.

27.  De man heeft bij brief van 21 oktober 2011 een arbeidsovereenkomst met K9 Associates Limited d.d. 1 februari 2011 overgelegd. De vrouw betwijfelt de waarde van de stukken die bij die brief zijn ingebracht. Het hof laat deze overeenkomst en het daarin genoemde salaris buiten beschouwing. Het is namelijk niet ondertekend en het vindt geen steun in salarisspecificaties, dan wel anderszins.

28.  Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. De vrouw voert aan dat het uitgavenpatroon van de man niet past bij zijn stelling dat hij geen inkomen heeft. Niet weersproken is dat de man en zijn partner een woning huren voor € 1.695,- per maand, dat [kind 2] naar een internationale school gaat, dat zij paarden hebben met alle hoge kosten van dien en dat er nog heen en weer naar Zuid-Afrika gereisd wordt. Dit past bij een hoger inkomen dan de man stelt te hebben (gehad). De man heeft niet met stukken onderbouwd toegelicht hoe die uitgaven bekostigd worden. Het uitgavenpatroon geeft aldus aanwijzingen voor het tegendeel van de stelling van de man.

29.  Evenzo overweegt het hof dat de man weliswaar ter zitting in eerste aanleg heeft aangegeven dat hij onder meer in 2007 en 2008 geen inkomen had en dat hij in zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft aangevoerd, dat hij vanaf 1 februari 2008 geen draagkracht had en dat ware er inkomen geweest de curator niet voorgesteld zou hebben zijn faillissement op te heffen bij gebrek aan baten, maar dat is in tegenspraak met zijn e-mail van 25 februari 2008 aan een Zuid-Afrikaans vastgoedbedrijf waarin hij een bedrag van € 95.000,- als zijn jaarinkomen genoemd heeft. Ook dat past niet bij het door de man genoemde inkomen en gebrek aan draagkracht.

30.  Het heeft op de weg van de man gelegen om zijn stelling dat hij geen of onvoldoende draagkracht heeft (gehad) om een partneralimentatie te kunnen voldoen, met stukken te onderbouwen en hij is op grond van het procesreglement zoals overwogen ook verplicht financiële stukken in te brengen. Nu de man echter heeft nagelaten voldoende (financiële) gegevens over te leggen, niet alleen over zijn inkomen maar ook over zijn lasten, heeft hij zijn stelling dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen, onvoldoende onderbouwd. Dit kan naar het oordeel van het hof tot geen andere conclusie leiden dan dat, zoals de vrouw ook heeft betoogd, de man in staat moet worden geacht om in voornoemde behoefte van € 1.730,- bruto per maand te voorzien.

Slotsom
31.  Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing
Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 14 april 2010 op € 1.730,- bruto per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, G.M. van der Meer en I.A. Vermeulen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 3 juli 2012 in bijzijn van de griffier.

Weer meer mensen met betalingsproblemen

TIEL – Het aantal mensen met betalingsachterstand op een lening is het afgelopen halfjaar gestegen van 7,4 naar 7,7 procent. Eind dit jaar is het waarschijnlijk verder opgelopen naar 8 procent. Dat zijn zo’n 720.000 personen.

Dat blijkt uit cijfers van het Bureau Krediet Registratie (BKR), die maandag zijn gepubliceerd. Deze instantie beheert gegevens over afgesloten kredieten en informeert daarover banken, hypotheekverstrekkers en andere aangesloten kredietverleners

Volgens BKR is het probleem in werkelijkheid waarschijnlijk nog veel groter. Het bureau heeft alleen zicht op afgesloten kredietovereenkomsten. ,,We zien slechts een klein deel van de betalingsproblemen.’’

‘Spookschulden’ zoals huurachterstanden of belastingschulden zijn voor BKR niet zichtbaar. Zij zijn een bedreiging voor de consument, want spookschulden stapelen zich al snel ongemerkt op, zegt Peter van den Bosch, algemeen directeur van BKR.

Volgens onderzoek van de overheid neemt de schuldenproblematiek al jaren toe. In 2011 waren er ruim 2 miljoen huishoudens met betalingsachterstanden. Dat is 27,8 procent van het totaal.

Bron: ANP