Partneralimentatie. Behoefte. Behoeftigheid. Draagkracht. Voortgezet gebruik van echtelijke woning.

Bron: 14 augustus 2012, LJN: BX3804, Gerechtshof ‘s-Gravenhage , 200.101.248

Samenvatting

Bij beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan [adres] (hierna: de echtelijke woning) te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont. Het verzoek van de vrouw tot een ten laste van de man vast te stellen partnerbijdrage is afgewezen.

 

Share

Hoe wordt het ouderdomspensioen verdeeld na een scheiding?

U en uw ex-partner hebben volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) allebei recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap is opgebouwd. Het maakt daarbij niet uit of u getrouwd bent in gemeenschap van goederen of dat u huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden heeft afgesloten.

Aanvragen uitbetaling ouderdomspensioen

De pensioenuitvoerder betaalt het verdeelde ouderdomspensioen rechtstreeks uit aan u en uw ex-partner. De rechter hoeft hierover geen beslissing te nemen. Om dit te kunnen doen, moet de pensioenuitvoerder wel van uw scheiding op de hoogte zijn. U moet daarom de pensioenuitvoerder binnen 2 jaar na de scheiding het formulier “Mededeling van scheiding in verband met de verdeling van ouderdomspensioen” toesturen.

Als u het formulier niet binnen 2 jaar na de scheiding naar de pensioenuitvoerder stuurt, hoeft de pensioenuitvoerder het pensioen niet te verdelen. Uw ex-partner heeft dan nog steeds recht op zijn of haar deel. U moet uw ouderdomspensioen na pensionering dan zelf onderling verdelen.

Andere verdeling ouderdomspensioen

Wilt u geen standaardverdeling, dan kunt u met uw ex-partner een andere verdeling van het ouderdomspensioen afspreken. Bijvoorbeeld 60% voor de ene partner en 40% voor de andere partner. U moet deze afspraken vastleggen in het scheidingsconvenant of in uw huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden. Als u hiervoor kiest, moet u een afschrift van dit stuk naar de pensioenuitvoerder sturen. Voor hulp en advies kunt u contact opnemen met uw notaris of advocaat.

Conversie ouderdomspensioen

U kunt ook kiezen voor conversie van het ouderdomspensioen. Bij conversie wordt het ouderdomspensioen van de ex-partner die het pensioen heeft opgebouwd, voorgoed omgezet in een eigen ouderdomspensioen voor beide partners. De ex-partner die het pensioen niet heeft opgebouwd, heeft nu een eigen aanspraak op het ouderdomspensioen dat tot uitkering komt op het moment dat de ex-partner zelf de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Kosten en uitbetaling pensioen

De pensioenuitvoerder mag de kosten van het verdelen van het pensioen aan beide ex-partners in rekening brengen. Wilt u de hoogte van het bedrag weten, dan kunt u terecht bij uw pensioenfonds of verzekeraar.

U heeft recht op uitbetaling van het verevende deel van het ouderdomspensioen van uw ex-partner vanaf het moment dat uw ex-partner de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Alleen als u gekozen heeft voor conversie, wordt hiervan afgeweken.

Het ‘recht op uitbetaling’ is steeds afhankelijk van de pensioendatum van de ex-partner die het pensioen heeft opgebouwd. Als die persoon kiest voor een vervroeging van de pensioendatum, krijgt de ex-partner ook eerder zijn of haar deel uitbetaald.

Pensioen overlijden ex-partner

Als uw ex-partner overlijdt, verandert de situatie voor u:

  • Overlijdt de ex-partner die het pensioen heeft opgebouwd, dan krijgt u als overlevende ex-partner geen deel meer van het ouderdomspensioen. Meestal is er dan recht op bijzonder nabestaandenpensioen. Overlijdt iemand voor de pensioendatum, dan wordt helemaal geen ouderdomspensioen uitgekeerd.
  • Overlijdt de ex-partner die het pensioen niet zelf heeft opgebouwd, dan krijgt de ex-partner die het pensioen heeft opgebouwd weer het volledige ouderdomspensioen.
  • Als er conversie heeft plaatsgevonden, verandert de situatie voor de ex-partner niet als de ex-partner die het pensioen heeft opgebouwd, overlijdt. Door conversie is er namelijk een zelfstandige aanspraak op ouderdomspensioen ontstaan voor beide ex-partners.

Geen verdeling pensioen (drempelbedrag)

Het pensioen wordt niet altijd verdeeld. U heeft volgens de wet geen recht op pensioenverevening als het door de pensioenuitvoerder uit te keren bedrag lager is dan het drempelbedrag. Het drempelbedrag is vanaf 1 januari 2011 vastgesteld op € 427,29 bruto per jaar.

Het bedrag dat de pensioenuitvoerder zou moeten betalen aan de ex-partner die zelf het pensioen niet heeft opgebouwd, moet op het tijdstip van scheiding dus meer zijn dan het drempelbedrag. Woont die persoon op het moment van scheiding in het buitenland, dan is de ondergrens het dubbele van dit bedrag.

Het uit te keren bedrag wordt berekend over de totale periode dat u bij de pensioenuitvoerder pensioen heeft opgebouwd. Is het pensioen opgebouwd bij 2 of meer pensioenuitvoerders, dan wordt het drempelbedrag per pensioenuitvoerder berekend.

Koude uitsluiting

Over het algemeen wordt in Nederland getrouwd in gemeenschap van goederen. Dit betekent dat alle goederen van beide partners zijn. Door het opstellen van huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden kunnen bepaalde goederen van de gemeenschap worden uitgesloten. Als elke vorm van gemeenschap van goederen wordt uitgesloten, wordt dit koude uitsluiting genoemd.

Bij echtscheiding op of na 1 mei 1995 wordt het pensioen ondanks de overeengekomen koude uitsluiting verdeeld, tenzij de Wet VPS expliciet niet van toepassing wordt verklaard in de huwelijkse voorwaarden of het scheidingsconvenant. Als u tussen 27 november 1981 en 1 mei 1995 gescheiden bent, dan is bij koude uitsluiting het pensioen niet verdeeld.

Als uw geregistreerd partnerschap eindigt, wordt het pensioen ondanks de overeengekomen koude uitsluiting verdeeld, tenzij de Wet VPS expliciet niet van toepassing wordt verklaard in de partnerschapsvoorwaarden of de overeenkomst waarmee het partnerschap beëindigd wordt.

Share

Fiscale gevolgen partneralimentatie

Als één van beiden na de echtscheiding niet voldoende inkomsten heeft om in zijn/haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, heeft de ander de plicht om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud. Deze alimentatieplicht eindigt in principe na twaalf jaar. Duurde het huwelijk korter dan vijf jaar en zijn er geen kinderen, dan duurt de alimentatieplicht niet langer dan dat het huwelijk duurde.

De verplichting tot het betalen van partneralimentatie stopt als degene die de alimentatie krijgt, met een ander trouwt, gaat samenwonen of een geregistreerd partnerschap aangaat.

Partneralimentatie is bij de ontvanger belast en voor de betaler fiscaal aftrekbaar. Meestal spreken partijen met elkaar af dat de partneralimentatie maandelijks wordt betaald. Dat hoeft echter niet. Je kunt bijvoorbeeld ook besluiten om de alimentatieverplichting af te kopen. Dit kan fiscaal aantrekkelijk zijn voor met name de alimentatieplichtige. Er ontstaat dan namelijk een hoge aftrekpost. Je moet dan echter wel voldoende inkomen in box 1 hebben om effectief gebruik te maken van deze aftrekpost. De alimentatieontvanger daarentegen moet fiscaal in één keer afrekenen over de afkoopsom en dat is dan meestal weer niet voordelig. Dit kan worden voorkomen door de afkoop te storten in een lijfrenteverzekering. Er gelden hiervoor wel voorwaarden. Zo moeten de lijfrente-uitkeringen direct ingaan na het betalen van de afkoopsom.

Let op: een afkoopsom is pas fiscaal aftrekbaar als deze betaald is na inschrijving van de echtscheidingbeschikking in het register van de Burgerlijke Stand. Betaal je de afkoopsom eerder dan is deze voor jou niet aftrekbaar, maar wel belast bij de alimentatieontvanger.

Het is raadzaam om goed te overwegen of afkoop aantrekkelijk is. Stel dat je ex-partner na twee jaar gaat samenwonen, dan eindigt jouw alimentatieplicht. Heb je de alimentatie in een keer afgekocht, dan is dat dus bijzonder vervelend. In dat geval betaal je veel meer dan wanneer je de alimentatie maandelijks had overgemaakt.

Zoals u merkt komt er bij een echtscheiding nogal wat kijken en zijn er veel zaken die geregeld moeten worden. Het zijn beslissingen waarover u eerder niet hoefde na te denken en dat kan natuurlijk voor onrust zorgen. Daarnaast spelen de emotionele aspecten uiteraard ook nog een rol.

Tremanormen.nl kan u tijdens het echtscheidingsproces bijstaan op juridisch, financieel en fiscaal gebied. Neem gerust telefonisch op 074 – 250 72 73 of per email contact met ons op voor een vrijblijvend oriënterend gesprek òf wanneer u concrete vragen hebt. Zo krijgt u op het praktische vlak in ieder geval alvast een stuk rust en zekerheid terug.

Share

Is er sprake van samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW? Hof: nee. Passeren bewijsaanbod.

Bron d.d. 25 juli 2012: LJN: BX2648, Gerechtshof Leeuwarden , 200.086.778/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van
[appellant],
zonder bekende woonplaats,
doch thans verblijvende te [adres],
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. G.M. Goes, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. van den Eshof, kantoorhoudende te Dronten.

Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 16 februari 2011 (zaaknummer 170190 / FA RK 10-1441) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 14 april 2010 bepaald op € 2.000,- (bruto) per maand.

Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 9 mei 2011, heeft de man verzocht de beschikking van 16 februari 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende het inleidend verzoek van de vrouw af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 28 juni 2011, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 22 juli 2011 met bijlage (het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van – naar het hof begrijpt – 25 november 2010) en een brief van 21 oktober 2011 met bijlagen van mr. Goes.

Ter zitting van 7 november 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. M.V. Scheffer, kantoorgenoot van mr. Goes, en de vrouw, bijgestaan door mr. Van den Eshof. Door mr. Van den Eshof zijn pleitnotities overgelegd.

De beoordeling
1.  Uit het huwelijk van partijen zijn geboren [kind 1] [in 1991] en [kind 2] [in 1994].

2.  Partijen zijn uit elkaar gegaan. Vervolgens zijn partijen in maart 2006 een echtscheidingsconvenant overeengekomen. Dat convenant houdt onder meer in dat zij voor het faillissement van de man afgesproken hebben dat de man een partneralimentatie van € 2.000,- per maand aan de vrouw zal betalen en een kinderalimentatie van € 750,- per kind per maand zal betalen, dat de man dat niet kan nakomen zolang hij in staat van faillissement is, dat partijen geen afspraken maken over de alimentatie omdat zij er geen zicht op hebben hoe lang die situatie zich voordoet en dat partijen nadere afspraken zullen maken zodra er meer duidelijkheid is omtrent de financiële situatie van de man.
Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van [2006] is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 2 januari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.  De ingangsdatum van de partneralimentatie van 14 april 2010 is niet in geschil. Het hof zal daarom van deze datum uitgaan.

De geschilpunten
4.  De geschilpunten tussen partijen betreffen:
– de samenleving van de vrouw in de zin van art. 1:160 BW;
– de behoefte en behoeftigheid van de vrouw;
– de draagkracht van de man.

De samenleving van de vrouw in de zin van art. 1:160 BW
5.  Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

6.  De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrouw heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd en dat daarmee zijn onderhoudsverplichting is geëindigd. De vrouw heeft het standpunt van de man bestreden.

7.  Voor de vaststelling dat een gescheiden echtgenoot samenleeft met een ander als waren zij gehuwd dan wel als hadden zij hun partnerschap laten registreren, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW, is vereist dat tussen de partners een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat zij met elkaar samenwonen, dat zij elkaar wederzijds verzorgen en dat zij tevens een gemeenschappelijke huishouding voeren. Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is onder meer sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

8.  De man heeft gesteld dat de vrouw in Zuid-Afrika samenwoonde met [X] als waren zij gehuwd. Ze had een eigen woning, maar verbleef daar volgens de man feitelijk niet meer. Het aannemen van een samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW brengt verstrekkende gevolgen voor de vrouw met zich mee, zodat van de man gevergd mag worden dat hij zijn stellingen hieromtrent met voldoende overtuigende stukken onderbouwt. Het hof is van oordeel dat met de door de man ingebrachte verklaringen in onvoldoende mate aannemelijk is gemaakt dat is voldaan aan de hiervoor genoemde in het kader van artikel 1:160 BW te stellen eisen. Daartoe neemt het hof onder meer het volgende in aan¬mer¬king.

9.  De man heeft er in hoger beroep op gewezen dat mr. Viljoen, zijn advocaat in Zuid-Afrika, heeft verklaard dat de vrouw en [X] hebben samengewoond en -geleefd als waren zij gehuwd. De man heeft opgemerkt dat mr. Viljoen er geen belang bij heeft om in strijd met de waarheid te verklaren en dat dat ook met zijn functie als advocaat zou botsen. Volgens de man is onvoldoende gemotiveerd waarom aan de betrouwbaarheid van deze verklaring getwijfeld wordt.
Noch de brief van mr. Viljoen van 7 juli 2010, noch de brief van 24 november 2010 bevat naar het oordeel van het hof een verklaring dat de vrouw samenleefde als ware zij gehuwd. In de brief van 7 juli 2010 wordt enkel aangegeven dat gesteld werd dat de vrouw een affectieve relatie had die duurzaam van aard was en dat er geen bewijs is geleverd. Over samenwonen spreekt de brief niet. In de brief van 24 november 2010 merkt mr. Viljoen op dat hij van [X] heeft gehoord, dat hij 2 tot 3 jaar een relatie had met de vrouw, maar ook dat zij niet hebben samengewoond of een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Ook in deze brief geeft mr. Viljoen aan dat er geen bewijs voor samenwoning gevonden is.
Mr. Viljoen heeft geen blijk gegeven van eigen waarneming van de samenwoning als waren zij gehuwd. Hij wijst er daarentegen op dat er geen bewijs is geleverd, dan wel gevonden voor het gestelde. Nog los van de vraag of de onpartijdigheid van deze getuige voldoende gewaarborgd is, geeft mr. Viljoen dus niet aan dat de vrouw heeft samengewoond in voornoemde zin.
De stelling van de man in eerste aanleg dat [X] in de procedure in Zuid-Afrika zelf heeft verklaard dat hij een affectieve en duurzame relatie met de vrouw had, is – zoals door de rechtbank is overwogen en ook thans nog geldt – niet onderbouwd met stukken. Overigens ook al zou [X] dat wel verklaard hebben, dan volgt daaruit nog niet dat hij samengewoond heeft met de vrouw.

10.  Volgens de man ondersteunen de verklaring van [getuige 1] die zijn dochter [kind 2] in Zuid-Afrika vaak opgevangen heeft en haar paard verzorgd heeft, en [getuige 2], een vriendin van [kind 2], de overige verklaringen.
De ingebrachte verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] samen betreft [kind 2] en haar contact met en zorg door haar moeder. Ze hebben slechts aangegeven wat [kind 2] over het samenwonen van haar moeder met [X] heeft gezegd, maar niet blijkt van eigen waarneming of wetenschap van [getuige 1] en/of [getuige 2].

11.  Er is volgens de man geen reden om de verklaring van [kind 2] niet betrouwbaar te achten.
Dat de ingebrachte verklaring van juli 2010 van de toen vijftien- of zestienjarige [kind 2] woordgebruik bevat dat niet past bij een vijftienjarige [kind 2], is niet door de man bestreden. Daar komt bij dat de verklaring op briefpapier van de advocaat is gesteld. De man heeft toegelicht dat het een interview betrof van [kind 2] door een kantoorgenoot van mr. Viljoen en dat de verklaring niet door [kind 2] zelf geschreven is maar het wel haar verklaring betreft.
De rechtbank heeft aangegeven dat deze verklaring niet duidelijk maakt hoe [kind 2] wetenschap heeft (gekregen) van de door haar genoemde omstandigheden in het huis waar haar moeder met [X] zou samenwonen op basis waarvan zij heeft aangegeven dat de vrouw heeft samengewoond als ware zij gehuwd. In de verklaring van [kind 2] die de man in hoger beroep heeft ingebracht, heeft ze verteld dat ze op een gegeven moment mee moest naar [X]s huis en dat ze daar nul tot twee keer per maand was. Uit die verklaring blijkt tevens dat de relatie tussen [kind 2] en de vrouw (ernstig) verstoord is, dat ze zich enorm in de steek gelaten voelt en dat ze de nieuwe partner van de man beschouwt als de moeder die ze nooit heeft gehad.
De verklaring van [kind 2] vindt geen steun in de stukken van het dossier of anderszins. Het hof acht haar verklaring daarom niet voldoende objectiveerbaar. Buiten dat, uit de verklaringen van [kind 2] blijkt ook niet van een financiële verstrengeling van haar moeder met [X] of anderszins van wederzijdse zorg tussen hen. Deze verklaringen acht het hof dan ook onvoldoende om daaruit te concluderen dat de vrouw heeft samengewoond met [X] in de zin van art. 1:160 BW. Overigens merkt het hof in dit verband ten overvloede nog op dat met verklaringen van kinderen die ten aanzien van één van de ouders een grote loyaliteit laat zien, voorzichtig moet worden omgegaan.

12.  De door de man ingebrachte tandartsrekeningen van de vrouw vermelden één tandartsbezoek van [X] op 23 maart 2009. Dat kan evenwel niet de conclusie dragen dat er sprake is van wederzijdse verzorging of financiële verwevenheid tussen de vrouw en [X].

13.  De man heeft bewijs aangeboden door het horen van getuigen, te weten dochter [kind 2], zijn partner [naam], mr. Viljoen en medewerkers van de school van [kind 2] in Zuid-Afrika. Het hof gaat aan het bewijsaanbod voorbij, omdat het onvoldoende duidelijk en concreet is. De man heeft alleen in algemene bewoordingen aangeboden te bewijzen dat de vrouw samengeleefd heeft in de zin van art. 1:160 BW. De man heeft onvoldoende aangegeven op welke punten de getuigen (uit eigen wetenschap) zouden kunnen verklaren, dan wel op basis van welke omstandigheden tot uitdrukking komt dat er sprake van een dergelijke samenwoning is (geweest). Ten aanzien van de heer Viljoen heeft de man desgevraagd bovendien ter zitting meegedeeld dat hij niets anders kan verklaren dan hetgeen reeds op schrift is meegedeeld.

14.  Het hof komt tot de conclusie dat uit de overgelegde stukken en de toelichtende verklaring van de man niet het bewijs valt te putten van de juistheid van zijn stelling, die door de vrouw gemotiveerd bestreden is. Het bewijsaanbod passeert het hof zoals hiervoor is overwogen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat de vrouw en haar toenmalige partner samenwoonden als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, als bedoeld in artikel 1:160 BW en dat uit dien hoofde de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw niet is geëindigd.
15.  Gezien deze stand van zaken dient het hof nader te beslissen op de verdere geschilpunten van partijen die, zakelijk weergegeven, betrekking hebben op de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Behoefte en behoeftigheid
16.  Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de vrouw, mede gelet op de welstand tijdens het huwelijk, dient te worden vastgesteld. De man heeft betwist dat er sprake is geweest van een behoefte van de vrouw van € 2.000,- per maand. De vrouw is het niet eens met de man en heeft aangevoerd dat de man zijn standpunt niet onderbouwd heeft.

17.  De welstand van partijen in de periode voordat ze uit elkaar gingen en daarmee de bepaling van de hoogte van de alimentatiebehoefte kan op verschillende manieren worden bewerkstelligd. Niet doorslaggevend is hoe hoog het formele inkomen van partijen tijdens het huwelijk was, maar welk bedrag zij pleegden uit te geven.
Partijen zijn eind 2004/begin 2005 uit elkaar gegaan, zo blijkt uit het verhandelde ter zitting van het hof. De vrouw heeft gesteld dat het netto besteedbaar inkomen ten tijde van het huwelijk € 8.000,- per maand heeft bedragen. Deze door de man in hoger beroep bestreden stelling, heeft de vrouw evenwel niet met stukken onderbouwd.
De man heeft aangiften inkomstenbelasting 2002, 2003 en 2004 ingebracht, maar geen bijbehorende belastingaanslagen. De man heeft bovendien aangegeven dat partijen meer uitgaven dan zij als inkomen ontvingen. Het hof kan daarom evenmin uitgaan van het in die belastingaangiften genoemd inkomen.
Partijen hebben beiden niet aangegeven en met stukken onderbouwd hoeveel zij pleegden te besteden. Uit de door de vrouw aangevoerde omstandigheden, dat de WOZ-waarde van de echtelijke woning volgens de aangifte inkomstenbelasting 2002 € 837.678,- heeft bedragen, dan wel dat de aandelenportefeuille 1 januari 2002 een waarde had van € 57.462,-, dan wel dat de man in staat was een (duur) huis in Zuid-Afrika te huren en in te richten, kan het hof evenmin opmaken hoeveel partijen pleegden uit te geven.

18.  Uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat partijen overeengekomen zijn dat de man een partneralimentatie van € 2.000,- aan de vrouw zal betalen, maar dat dit niet nagekomen kan worden zolang de man in staat van faillissement verkeert. Ter zitting heeft de man aangegeven dat bij het maken van het convenant de gegevens van de vijf daaraan voorafgaande jaren betrokken zijn. Bij gebrek aan andere gegevens, zal het hof op basis van het convenant van maart 2006 er van uitgaan dat de behoefte van de vrouw € 2.000,- bruto per maand heeft bedragen. Dat is – nu partijen daarover niets gezegd hebben uitgaande van de hier geldende belastingtarieven – netto € 1.440,- per maand. Geïndexeerd naar 2010 is dat € 1.592,40,- netto per maand.

19.  Tussen partijen is tevens in geschil of en in hoeverre de vrouw door middel van eigen inkomsten in haar behoefte kan voorzien.
De man is van mening dat de vrouw geacht moet worden om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij is intelligent en is fysiek in staat om te werken. Daarnaast heeft zij niet meer de zorg voor de kinderen. Bovendien heeft de vrouw in Zuid-Afrika een goede baan gehad bij een im- en export bedrijf, aldus de man.
De vrouw heeft gesteld dat zij niet in haar eigen levensonderhoud kon en kan voorzien. Zij heeft uit hoofde van haar bijstandsuitkering een sollicitatieplicht.

20.  De vrouw heeft ter zitting onweersproken aangegeven dat ze gewerkt heeft met behoud van haar bijstandsuitkering en dat haar uitkering ongeveer € 600,- per maand heeft bedragen. Bij gebrek aan nadere gegevens gaat het hof ervan uit dat de vrouw een netto-uitkering van € 619,58 per maand heeft ontvangen zoals is genoemd in de uitkeringsspecificaties van juli en augustus 2010. De bijstandsnorm voor een alleenstaande bedroeg destijds € 913,- per maand. Het hof maakt daaruit op dat de vrouw een inkomen verdient van (€ 913,- – € 619,58 =) € 293,42 netto per maand. Daaruit volgt dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man van (€ 1.592,40,- – € 293,42 =) € 1.298,98 netto per maand. Het hof berekent die behoefte aan een bijdrage op ongeveer € 1.730,- bruto per maand.

Draagkracht
21.  De man heeft gesteld dat hij niet voldoende inkomen heeft om de verzochte partneralimentatie te voldoen. De man heeft laten weten dat zijn faillissement in januari 2008 wegens gebrek aan baten is opgeheven en dat hij nog steeds niet beschikt over enige draagkracht. De man heeft aangevoerd dat hij grote schulden heeft en al jaren niet in staat is die af te lossen en heeft gewezen op het door hem ingebrachte BKR-overzicht.

22.  Anders dan de man, is de vrouw van mening dat de man heeft nagelaten inzicht te geven in zijn financiële situatie en die van zijn partner, hetgeen voor risico van de man dient te komen.

23.  In artikel 2.1.1. van het ‘procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven’ is nader gespecificeerd aangegeven welke financiële gegevens dienen te worden overgelegd in het geval de draagkracht van de onderhoudsplichtige onderwerp van geschil is. Het had op de weg van de man gelegen om zijn inkomen inzichtelijk te maken over de periode vanaf 14 april 2010 door overlegging van de in artikel 2.1.1. van het geldende procesreglement bedoelde bescheiden, waaruit onder meer zijn inkomen kan blijken. Dit geldt te meer nu de man ook in eerste aanleg is gewezen op de noodzaak om zijn stellingen te voorzien van een onderbouwing.

24.  De man heeft in zijn hoger beroepschrift bestreden dat hij geen inkomensgegevens van 2009 zou hebben ingebracht, zoals de rechtbank onder meer heeft overwogen. Naar het oordeel van het hof heeft de man weliswaar enige gegevens over 2009 ingebracht, maar hij heeft onvoldoende stukken ingebracht waaruit duidelijk wordt wat zijn inkomen in 2009 dan wel nadien is geweest. Aangiftes inkomstenbelasting 2009 en/of 2010 en bijbehorende aanslagen ontbreken. Salarisspecificaties van 2011 missen eveneens. De man heeft geen bankafschriften van zichzelf – die zijn stellingen mogelijk hadden kunnen ondersteunen – in het geding gebracht. Nu de man heeft gesteld dat zijn draagkracht ontoereikend is voor het betalen van de verzochte partneralimentatie, had het op zijn weg gelegen om zijn stellingen met stukken – zoals hiervoor overwogen – te onderbouwen.

25.  De enkele stelling van de man dat zijn partner hem onderhoudt en de ingebrachte bevestiging daarvan door zijn partner, is onvoldoende om tot de overtuiging te kunnen komen dat de man daadwerkelijk – zoals hij zelf heeft aangevoerd – geen of weinig inkomen heeft en geen draagkracht heeft.
De man heeft een gegevensoverzicht van St. Bureau Krediet Registratie van 21 maart 2011 ingebracht waarin kredieten genoemd worden die tezamen ruim € 100.000,- bedragen en waarop in 2005 en 2006 afboekingen zijn gedaan. Deze informatie over de schulden van de man, zeggen evenwel niets over zijn inkomen nadien. De man heeft daarbij ook gewezen op: een e-mail waarin de belastingadviseur heeft verklaard dat de man in 2005 en 2006 geen (Nederlands) inkomen had en in 2007 € 11.643,-, jaarrekeningen over 2007 en 2008 van Design ‘2 M B.V. waar hij aandelen van heeft en die een verlies vermelden, en een overzicht waarin staat dat hij een commissie van CYA Technologies heeft ontvangen van € 19.358,- in 2008 en € 1.532,- in 2009. Ook dat brengt evenwel niet zonder meer mee dat er geen inkomen is (geweest). Uit die stukken valt evenals uit voornoemde andere stukken, niet op te maken wat het inkomen van de man vanaf 2010 is (geweest) (of zelfs in 2009).

26.  De man heeft in eerste aanleg aangegeven dat hij incidenteel werkzaamheden voor een onderneming in het buitenland, CYA Technologies, verricht en vanwege de economische crisis weinig tot geen opdrachten meer krijgt. De man heeft een e-mail ingebracht van CYA Technologies van 23 december 2010 waarin staat dat de partnerovereenkomst met de man wordt beëindigd. Daaruit wordt het hof evenwel niet duidelijk wat het inkomen van de man in 2010 bij CYA Technologies is geweest en wat zijn inkomen na die beëindiging is (geweest).
De betalingen van CYA Technologies op de rekening van de partner van de man in december 2007 en het verweer van de man dat dat vergoeding van kosten voorgeschoten door zijn partner, betrof, kan in het midden blijven, nu daaruit niet valt af te leiden welk inkomen de man (van genoemd bedrijf) in 2010 en nadien heeft ontvangen.

27.  De man heeft bij brief van 21 oktober 2011 een arbeidsovereenkomst met K9 Associates Limited d.d. 1 februari 2011 overgelegd. De vrouw betwijfelt de waarde van de stukken die bij die brief zijn ingebracht. Het hof laat deze overeenkomst en het daarin genoemde salaris buiten beschouwing. Het is namelijk niet ondertekend en het vindt geen steun in salarisspecificaties, dan wel anderszins.

28.  Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. De vrouw voert aan dat het uitgavenpatroon van de man niet past bij zijn stelling dat hij geen inkomen heeft. Niet weersproken is dat de man en zijn partner een woning huren voor € 1.695,- per maand, dat [kind 2] naar een internationale school gaat, dat zij paarden hebben met alle hoge kosten van dien en dat er nog heen en weer naar Zuid-Afrika gereisd wordt. Dit past bij een hoger inkomen dan de man stelt te hebben (gehad). De man heeft niet met stukken onderbouwd toegelicht hoe die uitgaven bekostigd worden. Het uitgavenpatroon geeft aldus aanwijzingen voor het tegendeel van de stelling van de man.

29.  Evenzo overweegt het hof dat de man weliswaar ter zitting in eerste aanleg heeft aangegeven dat hij onder meer in 2007 en 2008 geen inkomen had en dat hij in zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft aangevoerd, dat hij vanaf 1 februari 2008 geen draagkracht had en dat ware er inkomen geweest de curator niet voorgesteld zou hebben zijn faillissement op te heffen bij gebrek aan baten, maar dat is in tegenspraak met zijn e-mail van 25 februari 2008 aan een Zuid-Afrikaans vastgoedbedrijf waarin hij een bedrag van € 95.000,- als zijn jaarinkomen genoemd heeft. Ook dat past niet bij het door de man genoemde inkomen en gebrek aan draagkracht.

30.  Het heeft op de weg van de man gelegen om zijn stelling dat hij geen of onvoldoende draagkracht heeft (gehad) om een partneralimentatie te kunnen voldoen, met stukken te onderbouwen en hij is op grond van het procesreglement zoals overwogen ook verplicht financiële stukken in te brengen. Nu de man echter heeft nagelaten voldoende (financiële) gegevens over te leggen, niet alleen over zijn inkomen maar ook over zijn lasten, heeft hij zijn stelling dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen, onvoldoende onderbouwd. Dit kan naar het oordeel van het hof tot geen andere conclusie leiden dan dat, zoals de vrouw ook heeft betoogd, de man in staat moet worden geacht om in voornoemde behoefte van € 1.730,- bruto per maand te voorzien.

Slotsom
31.  Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing
Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 14 april 2010 op € 1.730,- bruto per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, G.M. van der Meer en I.A. Vermeulen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 3 juli 2012 in bijzijn van de griffier.

Share

Confrontatie van behoefte en draagkracht (vervolg)

Ingeval naast partneralimentatie tevens kinderalimentatie voor een minderjarig- of jongmeerderjarig kind volgens de tremanormen moet worden vastgesteld:

Als de gewezen partner niet alleen op partner- maar ook op kinderalimentatie aanspraak maakt, dient allereerst een draagkrachtberekening te worden gemaakt voor de vaststelling van kinderalimentatie, waarbij altijd de norm voor een alleenstaande wordt gebruikt en de draagkracht in beginsel gelijk wordt verdeeld over alle kinderen die de ouder moet onderhouden.

Is de alsdan berekende draagkracht gelijk aan of lager dan de kosten van de kinderen, dan resteert geen draagkracht meer voor partneralimentatie. Beschikt de onderhoudsplichtige ouder na aftrek van de kinderalimentatie nog over draagkracht, dan kan op de gebruikelijke wijze een tremanorm draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden gemaakt, waarbij de kosten van de kinderen ten laste van de alsdan berekende draagkracht worden gebracht. De resterende draagkracht kan worden aangewend voor partneralimentatie.

Als de kosten van de kinderen tussen de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige worden verdeeld, kan dat deel van deze kosten dat ten laste van de onderhoudsgerechtigde komt in de draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden verwerkt en ten laste van de draagkracht worden gebracht net zoals in de berekening van de onderhoudsplichtige.

Een voorbeeld van deze situatie ter verduidelijking: stel de ouders hebben een kind van 13 jaar. Ouder 1 heeft een besteedbaar inkomen van  € 2.000,- per maand en ouder 2 een besteedbaar inkomen, rekening houdend met de extra heffingskortingen, van € 1.500,- per maand. De behoefte van het kind[1] hebben zij, rekening houdend met de tabel kosten kinderen en het gezamenlijk gezinsinkomen toen men nog samenwoonde, vastgesteld op € 500.- per maand. Vervolgens wordt ieders bijdrage voor het kind bepaald. Het draagkrachtloos inkomen van ouder 1 omvat naast de hier toepasselijke norm voor een alleenstaande, de gebruikelijke kosten voor wonen, ziektekosten en schulden. Stel de draagkracht bedraagt € 470,- plus het belastingvoordeel van de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie dat gemakshalve gesteld wordt op € 43,- per maand, zodat de totale draagkracht van de ouder 1 bedraagt € 513,- per maand. Ouder 2 heeft een draagkracht van € 180,- per maand. Verdeling naar rato van ieders draagkracht leidt tot een bijdrage van € 370,- per maand van ouder 1 en van  € 130,- per maand van ouder 2. Ieders deel van de kosten van het kind wordt ten laste van de draagkracht gebracht. Vervolgens wordt voor beide ouders een draagkrachtberekening gemaakt zoals hiervoor beschreven, waarin de kosten van het kind aan beide zijden als last worden meegenomen. Ten slotte kan met behulp van een jusvergelijking worden bezien welke partneralimentatie redelijk is.

De ontvangen kinderalimentatie is geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder dat dient ter dekking van de eigen kosten en blijft daarom bij de berekening van diens draagkracht dan wel de behoefte buiten beschouwing.



[1] In de tekst wordt met het woord “behoefte” steeds het eigen aandeel van ouders in de kosten van een kind bedoeld en met “de tabel kosten kinderen”



Share