Nieuwe tremanormen berekening kinderalimentatie 2013

Per 1 januari en 1 april 2013 veranderen de normen van de Rechtspraak  (ook wel tremanormen genoemd) voor het berekenen van kinderalimentatie. Zo kunnen (stief)ouders bij het bepalen van hun draagkracht in eenvoudige gevallen voortaan gebruikmaken van een draagkrachttabel. Een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.

Aanleiding voor de wijziging van de (trema)normen voor kinderalimentatie is veranderde regelgeving en de wens tot verbetering van de huidige systematiek. De eerste verandering is dat het kindgebonden budget met ingang van 1 januari 2013 in mindering wordt gebracht op het aandeel dat (stief)ouders in de behoefte van een kind moeten bijdragen (zie de behoeftetabel. Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke bijdrage van de overheid in de kosten voor kinderen. Door deze bijdrage mee te rekenen, kan de behoefte aan een bijdrage lager worden. Verder was er behoefte aan een minder complexe berekening van de draagkracht van de (stief)ouders. Daar is aan tegemoetkomen door met ingang van 1 april 2013 een draagkrachttabel in te voeren.  Daarmee kunnen (stief)ouders snel en simpel de hoogte van hun draagkracht bepalen. Daardoor hoeven ze minder vaak de hulp van een deskundige in te schakelen.

Zorgkorting

Ten slotte wordt met ingang van 1 april 2013 een zorgkorting ingevoerd. Deze komt in plaats van de omgangskosten van € 5 per dag die nu in de aanbeveling zijn opgenomen. De zorgkorting is onder meer afhankelijk van de hoogte van de behoefte en sluit daardoor meer aan op het niveau van welstand waar een kind aan gewend is. Of recht bestaat op de zorgkorting is mede afhankelijk van de draagkracht. De nieuwe normen voor het berekenen van kinderalimentatie gaan in per 1 april volgend jaar. De veranderingen zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Voorzitters Familiesectoren- en Jeugdrecht (LOVF). Naast rechters maken ook veel advocaten, mediators en andere betrokken professionals gebruik van de nieuwe normen.

Maatwerk

Voor complexe situaties blijft maatwerk mogelijk. Dat biedt de mogelijkheid rekening te houden met bijzonderheden zoals schulden of bijzondere verplichtingen, ruimere omgang of juist geen omgang, gebrek aan draagkracht, onduidelijkheid over de financiële situatie of de aanwezigheid van een onderneming met wisselende resultaten. Diverse bestaande rekenprogramma’s zullen zodanig worden aangepast dat met dit soort situaties op relatief eenvoudige wijze rekening kan worden gehouden. Hierbij een aantal rekenvoorbeelden met diverse concrete praktijksituaties.

Draagkracht

Enkele onderliggende principes in de berekening van de kinderalimentatie blijven hetzelfde. De draagkracht van iedere (stief)ouder na de scheiding blijft bepalend voor de vast te stellen bijdrage. Die draagkracht wordt nog steeds per persoon vastgesteld. De financiële behoefte van het kind wordt ook in de nieuwe richtlijn grotendeels vastgesteld op het netto inkomen van de (stief)ouders en de budgettabellen van het NIBUD.

Bron: Rechtspraak.nl

Share

Second opinion beschikking kinderalimentatie en partneralimentatie loont!

Bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011, gegeven door de rechter mevrouw mr. A.H.E. van der Pol, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K. van Oirschot, griffier, heeft de rechtbank onder meer in een zaak van een DGA beschikt:

  •  […];
  • bepaalt dat de man € 825,00 (€ 412,50 per kind) per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;
  • bepaalt dat de man € 405,00 per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te voldoen;
  • verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;
  • […].

Bij de bepaling van de draagkracht van de man, heeft de rechtbank, zoals blijkt uit de inhoud van de beschikking van 19 januari 2011 de/het verzoek(en) beoordeeld “met inachtneming van de in het Tremarapport (www.tremarapport.nl) van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak geformuleerde uitgangspunten”. […]. “Derhalve houdt de rechtbank evenals de vrouw rekening met een netto-gezinsinkomen van partijen in 2009 van € 4.011,00 per maand”. […] “Op grond van de Tremanormen bedraagt de behoefte van de kinderen bij voornoemd netto gezinsinkomen € 898,00 per maand, of € 449,00 per kind per maand”. […]. “De behoefte van de vrouw wordt aldus vastgesteld op € 1.868,00 netto per maand. Gebruteerd komt de behoefte van de vrouw op € 2.634,00 bruto per maand. Hierbij is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en € 1.367,00 per jaar aan inkomensafhankelijke bijdrage ziektekosten”. […]. “Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank rekening met het loon van de man van   € 55.531,00 per jaar, zoals blijkt uit zijn jaaropgave 2009”. De rechtbank is er daarbij echter aan voorbij gegaan, dat in het loon de fiscale bijtelling van de personenauto waarvan de 1ste toelating-, de datum aanvang laatste tenaamstelling- en de datum eerste afgifte van het kenteken 30 juni 2006 is geweest, blijkens de bij de RDW opgevraagde informatie, zoals blijkt uit de loonstaat van deze DGA over 2012 (12 * € 900,73 =) € 10.809,00 per jaar is. […]. “Met betrekking tot de overige posten houdt de rechtbank rekening met de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening (datum uitdraai 12-11-2010)”. “De rechtbank hanteert de bijstandsnorm voor een alleenstaande en hanteert voor de kinderalimentatie een draagkrachtpercentage van 70%.” […]. “Met betrekking tot de partneralimentatie hanteert de rechtbank de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%”. […]. “De rechtbank acht deze bijdragen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven […]”.

Ingevolge artikel 1:401 eerste en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen, of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

In het geval van deze DGA is tremanormen.nl van oordeel, dat de beide in de vorige alinea genoemde omstandigheden zich in dit geval voordoen, hetgeen na reconstructie van de draagkrachtberekening door tremanormen, hierna zal worden toegelicht.

De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 betreffende de daarin vastgestelde bedragen voor levensonderhoud, heeft van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord doordat bij die uitspraak van tenminste 10 onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

  1. de rechtbank is bij de berekening van de draagkracht van de man voorbij gegaan aan het negatieve gemiddelde resultaat vóór belastingen, zoals dat blijkt uit de geconsolideerde jaarrekening van de onderneming waarvan de man enig DGA is;
  2. de rechtbank is bij de draagkrachtberekening van de man ten onrechte van een loon inclusief het privégebruik van de auto van de zaak met een fiscale bijtelling van € 5.404,32 per jaar uitgegaan en heeft aan die fiscale bijtelling nota bene in strijd met de Tremanormen tevens ten onrechte draagkracht ontleent;
  3. de rechtbank heeft bij de berekening van het netto-gezinsinkomen van de man en de vrouw de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak (voor de man € 5.404,32 en voor de vrouw € 5.404,32) ten onrechte als loon aangemerkt. Met de fiscale bijtelling voor het privégebruik zowel aan de zijde van de man als van de vrouw, was de rechtbank ten tijde van het afgeven van de beschikking bekend, gelet op de in de beschikking  genoemde brief van de advocaat van de vrouw, en de bij die brief gevoegde producties, waaronder de over meerdere jaren overgelegde salarisspecificaties en jaaropgaven van de man en de vrouw;
  4. de rechtbank heeft tegen-beter-weten-in het netto-gezinsinkomen van de man en de vrouw op basis van de beide jaaropgaven op € 4.011,00 per maand, onjuist vastgesteld door daarbij de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak als loon aan te merken bij de bepaling van het netto-gezinsinkomen, waaruit na reconstructie volgt, dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 3.468,00 per maand bedraagt, derhalve geen € 4.011,00 zoals de rechtbank doet voorkomen;
  5. bij de vaststelling van de kosten van kinderen is de rechtbank uitgegaan van het door de rechtbank onjuist vastgestelde netto-gezinsinkomen van € 4.011,00 per maand hetgeen een kinderalimentatie oplevert van € 898,00 per maand, terwijl de rechtbank diende uit te gaan van een netto-gezinsinkomen van € 3.468,00 per maand, hetgeen na reconstructie een kinderalimentatie oplevert van € 758,00 per maand;
  6. bij de vaststelling van de netto behoefte van de vrouw is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van € 4.011,00 minus (de door de vrouw verzochte kinderalimentatie van) € 825,00 = € 3.168,00 maal 60%  (= Hofnorm) en is de netto-behoefte van de vrouw ten onrechte vastgesteld op € 1.868,00 per maand, terwijl de netto-behoefte van de vrouw na reconstructie van de beschikking in werkelijkheid € 1.626,00 netto per maand bedraagt;
  7. de rechtbank heeft de gebruteerde behoefte van de vrouw onjuist vastgesteld op € 2.634,00 per maand en in strijd met de Tremanormen verzuimd om het kindgebonden budget bij de brutering van de behoefte te betrekken, waardoor de gebruteerde behoefte van de vrouw in werkelijkheid uitkomt op € 2.108,00 per maand;
  8. de rechtbank heeft bij de vaststelling van de draagkracht van de man in strijd met de Tremanormen geen rekening gehouden met de door de man betaalde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 7.405,00 per jaar;
  9. de rechtbank heeft bij de vaststelling van de draagkracht van de man ten onrechte geen rekening gehouden met de tijdens het huwelijk reeds bestaande rentelast verband houdende met een privé rekening-courantschuld aan de Holding van de man;
  10. de rechtbank heeft bij de vaststelling van de draagkracht van de man ten onrechte bepaalt, dat de man € 405,00 per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, aangezien de voor de vrouw bestemde 60% reeds volledig was opgegaan in de voor de kinderen bestemde 70% inclusief het te behalen fiscaal voordeel.

Derhalve, het geheel overziend, is tremanormen.nl van oordeel, dat de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 van meet af aan niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven en om die reden niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd.

De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 betreffende de daarin vastgestelde bedragen voor levensonderhoud, kan bij latere uitspraak worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De gewijzigde omstandigheden ingaande 15 april 2011

  • het gemiddelde resultaat vóór belastingen is gewijzigd;
  • de rekening-courantschuld en de daarmee samenhangende in privé te betalen rente is gewijzigd;
  • de te betalen hypotheekrente is door de boedelverdeling gewijzigd;

De gewijzigde omstandigheden ingaande 1 januari 2012

  • het gemiddelde resultaat vóór belastingen is gewijzigd;
  • de met de rekening-courantschuld samenhangende in privé te betalen rente is gewijzigd;
  • de te betalen hypotheekrente is door de boedelverdeling gewijzigd;
  • de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering is gewijzigd;
  • De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) werd voorheen berekend over maximaal € 32.369,00 * 4,8%, terwijl deze in 2012 over maximaal  € 50.064,00 * 5,65% wordt berekend.

De gewijzigde omstandigheden ingaande 1 april 2012

  • in het 1ste kwartaal van 2012 heeft de dochter de leeftijd van 18 jaar bereikt, waardoor de man vanaf het 2e kwartaal 2012 geen aanspraak meer kan maken op buitengewone lastenaftrek voor de dochter.

Derhalve, het geheel overziend, is tremanormen.nl van oordeel, dat de door tremanormen.nl gereconstrueerde beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 van meet af aan niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven en gelet op de gewijzigde omstandigheden per 15 april 2011 en per 1 januari 2012 en tevens per 1 april 2012 om die redenen niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd.

Ingevolge artikel 1:401 eerste en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek heeft tremanormen.nl de man onder verwijzing naar gepubliceerde jurisprudentie geadviseerd, de thans bevoegde rechtbank te verzoeken, om de beschikking van de Rechtbank Amsterdam met dagtekening 19 januari 2011 te vernietigen en, opnieuw beschikkende te bepalen, dat de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011 om alle hiervoor genoemde redenen wordt gewijzigd, met dien verstande:

  • dat de door de man te betalen kinderalimentatie ten bedrage van € 825,00 per maand ingaande 19 januari 2011, op nihil wordt gesteld;
  • indien de kinderalimentatie niet op nihil wordt gesteld, de te betalen kinderalimentatie ingaande 19 januari 2011 te bepalen op in totaal € 758,00 per maand, ingaande 15 april 2011 te bepalen op in totaal € 521,00 per maand, ingaande 1 januari 2012 te bepalen op in totaal € 301,00 per maand, en ingaande 1 april 2012 te bepalen op in totaal € 243,00 per maand;
  • dat de door de man te betalen partneralimentatie ten bedrage van € 405,00 per maand ingaande 8 april 2011, op nihil wordt gesteld;
  • alsmede te bepalen, dat hetgeen de man ten titel van kinderalimentatie en partneralimentatie over de periode waarop de alimentatieverplichting op nihil wordt gesteld onverschuldigd heeft voldaan, en het bedrag dat onverschuldigd voldaan is te benoemen, en te bepalen op tenminste € 13.854,58 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van ontvangst op de griffie van het verzoekschrift van de man, en te bepalen dat de vrouw dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan de man dient te voldoen;
  • met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure

Tremanormen.nl kan voor u ook een second opinion of reconstructie van de beschikking kinderalimentatie en/of partneralimentatie verzorgen en u daarbij adviseren of het zinvol is om in hoger beroep te gaan tegen de beschikking van de rechtbank of een wijzigingsprocedure te starten om bijvoorbeeld de hiervoor genoemde redenen en samen met u kijken wat wel haalbaar is en wat niet te realiseren is. Neem gerust kosteloos telefonisch op 074 – 250 72 73 of per email contact met ons op voor een vrijblijvend oriënterend gesprek òf wanneer u concrete vragen hebt, of het antwoord op uw vraag op deze site niet hebt kunnen vinden. Het maakt dus niet uit, of u alimentatiegerechtigde of alimentatieplichtige bent, immers de uitgangspunten zijn exact hetzelfde.

 

Share

Draagkracht van zelfstandig ondernemers overeenkomstig de tremanormen in crisistijd

In de huidige tijd speelt de situatie dat veel ondernemingen vanwege de verslechterde economische omstandigheden niet of nauwelijks winst maken dan wel verlies lijden. In de basis zal de gerechtvaardigde conclusie dan kunnen zijn dat er (tijdelijk) geen of minder draagkracht is volgens de tremanorm. Alvorens een dergelijke conclusie te trekken, is het echter wel van belang na te gaan of de onderneming in het verleden op basis van behaalde resultaten reserves heeft opgebouwd.

Door het reserveren (niet uitkeren) van winsten ontstaat immers solvabiliteit, oftewel eigen vermogen, als buffer voor tijden dat het minder goed gaat. Nu de reserves om deze reden zijn aangehouden, is het niet onlogisch dat deze reserves zowel voor zakelijke betalingen als voor betalingen aan privé worden aangesproken in tijden dat het inderdaad minder gaat.

Als de onderneming over voldoende reserves beschikt, zal de ondernemer in een verliessituatie interen op deze reserves om in zijn inkomen te kunnen voorzien. Zolang dit bedrijfseconomisch verantwoord en bovenal tijdelijk is, dient de mogelijkheid tot interen op het ondernemingsvermogen

naar onze mening dan ook te worden betrokken in de beoordeling van de draagkracht. Hierbij zijn wij wel van mening dat er dan wel jaarlijks een toetsing moet plaatsvinden, omdat ondernemers uiteraard niet jarenlang kunnen blijven interen op het ondernemingsvermogen.

In deze onzekere economische tijd is onze visie overigens überhaupt dat het voor alimentatieafspraken in het geval van ondernemers verstandig is om afspraken te maken over toekomstige herzieningen. Ons advies daarbij zou zijn om jaarlijks een prognose op te stellen naar de laatste inzichten en deze achteraf te toetsen aan de werkelijk behaalde resultaten. Op basis van deze toetsing kunnen dan eventueel herziene afspraken worden gemaakt. Dit zelfde geldt overigens ook in de situatie dat er sprake is van een startende ondernemer.

Overigens ligt het vraagstuk omtrent het al dan niet interen op het ondernemingsvermogen ten behoeve van de draagkracht gecompliceerder op het moment dat het ondernemingsvermogen behoort tot het te verdelen/verrekenen dan wel reeds verdeelde/verrekende huwelijksvermogen. De vraag is dan gerechtvaardigd in hoeverre het reëel is als de ondernemer ten behoeve van het betalen van alimentatie moet gaan interen op zijn deel van dit vermogen, daar waar de alimentatiegerechtigde uit hoofde van de verdeling over een gelijk vermogen kan beschikken.

Tot slot is nog van belang of de draagkracht wordt beoordeeld ten behoeve van partner- dan wel ten behoeve van kinderalimentatie. In geval er namelijk sprake is van een verlieslatende onderneming, dan kan het casus specifiek gerechtvaardigd zijn dat de conclusie wordt getrokken dat er op basis van het inkomen (tijdelijk) geen draagkracht is. Het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat een rechtbank tot de conclusie komt dat er geen kinderalimentatie hoeft te worden betaald. De vraag is dan echter wel wie dan de kosten van levensonderhoud van de kinderen gaat betalen wanneer de alimentatiegerechtigde ook over onvoldoende draagkracht beschikt. Draagkracht uitsluitend gebaseerd op verwacht inkomen hoeft dan niet altijd allesbepalend te zijn.

Bron: tijdschrift voor relatierecht en praktijk

Share

Aan welke winst uit zelfstandige onderneming kan draagkracht worden ontleend?

In geval van een eenmanszaak (of v.o.f.) wordt de winst bepaald door het ondernemingsvermogen aan het einde van een boekjaar, minus het ondernemingsvermogen aan het begin van een boekjaar plus de privéonttrekkingen minus de bijtelling van de onttrekking voor privégebruik auto van de onderneming.

Aan het saldo van deze uitkomst kan draagkracht worden ontleend. Immers aan de bijtelling van de onttrekking voor privégebruik auto van de onderneming kan geen draagkracht worden ontleend, doch over de bijtelling dient wel belasting te worden afgedragen.

Share

Gevolgen van zelf veroorzaakt onherstelbaar inkomensverlies voor alimentatie

Uitspraak GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht
Uitspraak : 2 mei 2012
Zaaknummer : 200.098.982/01
Rekestnr. rechtbank : F1 RK 09-2974

[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. D.W.J. Leijs te Hilversum,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. I.H. van Hall te Gouda.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 december 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 september 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 9 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:
– op 28 december 2011 een brief van 27 december 2011 met bijlagen;
– op 3 januari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage;
– op 6 januari 2012 een brief van 5 januari 2012 met bijlage;
– op 16 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
– op 28 maart 2012 een faxbericht met bijlage;

van de zijde van de vrouw:
– op 21 maart 2012 een brief van 20 maart 2012 met bijlagen.

De zaak is op 29 maart 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
– de man, bijgestaan door zijn advocaat;
– de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 23 december 2010.

Bij tussenbeschikking van 23 december 2010 is, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De behandeling van de zaak ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie is aangehouden.

Bij bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de na te noemen minderjarigen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 593,– per maand per kind. Voorts heeft de rechtbank ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.266,– per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is vastgesteld dat de echtscheidingsbeschikking op 21 april 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren [in] 1999 te [geboorteplaats], en
[minderjarige 2], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, alsmede de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

2. De man verzoekt het hof, bij beschikking, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 250,– per maand per kind, met ingang van 1 januari 2015 bij vooruitbetaling te voldoen, en de partneralimentatie vast te stellen op nihil, althans op een nader door het hof vast te stellen bedrag en met ingang van een door het hof te bepalen datum.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, althans aan hem deze verzoeken te ontzeggen, dan wel het verzoek af te wijzen en derhalve de bestreden beschikking op alle onderdelen te bekrachtigen.

Indiening van nadere stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling

4. Het hof stelt vast dat de door de man op 28 maart 2012 overgelegde stukken binnen de termijn van tien kalenderdagen als bedoeld in artikel 1.4.3 van het geldende procesreglement zijn overgelegd. Deze stukken zullen door het hof bij de beoordeling van het hoger beroep buiten beschouwing worden gelaten nu de vrouw hiertegen bezwaar heeft gemaakt en deze stukken naar het oordeel van het hof niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn.

Kinder- en partneralimentatie

Draagkracht man

5. Om proceseconomische redenen zal het hof eerst de draagkracht van de man beoordelen.

6. De man stelt zich op het standpunt dat hij draagkracht mist om enig bedrag aan alimentatie te voldoen.
In de visie van de man dient, in elk geval vanaf 22 september 2011, de datum van de bestreden beschikking, rekening te worden gehouden met het inkomen dat de man nu verdient en niet met het inkomen zoals hij dat een aantal jaren in zijn eenmanszaak heeft kunnen verdienen. De man voert daartoe aan dat hij zijn onderneming heeft verkocht op 31 december 2009 en sindsdien in loondienst is getreden bij de koper van zijn voorheen eigen onderneming. Voor zover dit al een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hetgeen volgens de man nog maar zeer de vraag is, is hij redelijkerwijs niet in staat het oude inkomen weer te verwerven en kan dit ook niet van hem worden gevergd. De man stelt dat door wetswijzigingen de situatie in de branche waarin hij werkzaam is, wezenlijk is veranderd en dat er structureel minder werk is op de markt. Ook anderszins is de man van mening dat hij voldoende heeft aangetoond dat de situatie in zijn onderneming in 2009 dermate slecht was, dat voortzetting in financieel opzicht onmogelijk was. De man stelt dan ook dat hij terecht zijn onderneming heeft verkocht. In het geval het hof van oordeel is dat dit niet het geval is, dient zijn draagkracht berekend te worden aan de hand van het fictieve oude inkomen, waarbij het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering er in beginsel niet toe mag leiden tot het resultaat dat de man als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplichten feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien. De man wijst er in dit kader op dat hij in 2011 een salaris heeft genoten van € 3.250,– bruto per maand (€ 1.808,09 netto) en dat de salarisspecificatie van februari 2012 een brutosalaris laat zien van € 3.350,– per maand (€ 1.844,24 netto). Daarnaast wordt op dit salaris maandelijks een bedrag van € 1.000,– ingehouden door loonbeslag van de fiscus, in verband met een gezamenlijke belastingschuld inkomstenbelasting van partijen van € 45.219,– vermeerderd met heffingsrente.

7. De vrouw betwist dat het de man aan draagkracht ontbreekt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor de man geen noodzaak bestond om de onderneming te verkopen. De vrouw betwist dat de man ten gevolge van overwerktheid uiteindelijk overspannen is geworden. Een medische verklaring daartoe ontbreekt. De vrouw stelt dat de man de verlaging van zijn inkomen bovendien niet heeft aangetoond. Zo er al sprake zou zijn van enige inkomensvermindering, is de vrouw van mening dat deze voor herstel vatbaar is zodat uitgegaan dient te worden van het door de rechtbank vastgestelde netto besteedbaar inkomen. Bovendien is het vermeende inkomensverlies volgens de vrouw aan de man te wijten.

8. Het hof stelt voorop dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de man op eigen initiatief zijn onderneming [X] B.V. in december 2009 heeft verkocht en sinds 1 januari 2010 in loondienst is bij zijn voorheen eigen onderneming. Anders dan de man betoogt, is het hof van oordeel dat als gevolg van deze door de man gemaakte voormelde afweging sprake is van een situatie waarin hij zelf een vermindering van zijn inkomen teweeg heeft gebracht. Het hof gaat daar van uit.

9. Het hof overweegt vervolgens dat wanneer een onderhoudsplichtige door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen teweeg brengt, het bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat hij daadwerkelijk verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs nadien te kunnen verwerven. Of een door eigen toedoen ontstane inkomensvermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, zal in de eerste plaats afhangen van de vraag of de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en of de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.

10. Gelet op de huidige economische omstandigheden, de door de man gestelde, – en door de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwiste – wetswijziging met de daaraan volgens de man verbonden gevolgen, alsmede de financiële situatie van de onderneming, acht het hof het niet aannemelijk dat de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht in de naaste toekomst zijn oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven. De inkomensvermindering dient derhalve te worden aangemerkt als een zelf teweeggebrachte, maar onherstelbare inkomensvermindering. Het hof gaat daarmee voorbij aan de stelling van de vrouw inhoudende dat de keuze van de man dient te worden aangemerkt als een zelf teweeggebracht, voor herstel vatbaar, inkomensverlies met de daaraan verbonden gevolgen.

11. De beantwoording van de vraag of dit niet voor herstel vatbaar, zelf teweeg gebracht, inkomensverlies de man kan worden aangerekend, kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven. Immers, indien de inkomensvermindering aan de man verwijtbaar is en derhalve buiten beschouwing moet blijven, mag dit voor de bepaling van de draagkracht van de man niet tot het resultaat leiden, dat hij als gevolg van de berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsverplichtingen feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het eigen bestaan te voorzien. Bovendien mag het in geen geval ertoe leiden dat zijn inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. Indien dit resultaat dreigt, dient een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de man plaats te vinden. Het hof heeft hiernaar onderzoek gedaan. Gebleken is dat de man in 2011 een inkomen uit dienstbetrekking had van rond de € 3.250,– bruto (€ 1.808,09 netto) per maand en thans van € 3.350,– bruto per maand (€ 1.844,24 netto). Daarnaast is gebleken van een inhouding door de fiscus op voormeld salaris van € 1.000,– per maand door middel van een loonbeslag in verband met een gezamenlijke belastingschuld van partijen ter zake van inkomstenbelasting van € 45.219,–, vermeerderd met heffingsrente. Op grond hiervan en in het licht van de overige lasten van de man, zoals woonlasten, komt het hof tot de conclusie komt dat de man bij betaling van kinder- en/of partneralimentatie feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het eigen bestaan te voorzien en dat zijn inkomen zal zakken beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. De draagkracht van de man laat met ingang van 21 april 2011 (zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) noch kinder- noch partneralimentatie toe.

12. Gezien het voorgaande behoeven de overige grieven en het bewijsaanbod van de man geen bespreking meer en zal het hof de bestreden beschikking vernietigen. Het hof ziet, anders dan de vader in beroep verzoekt, geen aanleiding om nu reeds een kinderalimentatie te bepalen met ingang van 1 januari 2015, nu er op dit moment in het geheel niets gezegd kan worden over de draagkracht van de vader en de moeder per 1 januari 2015.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst de inleidende verzoeken van de vrouw tot een uitkering tot levensonderhoud alsmede een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging ten behoeve van de minderjarigen alsnog af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Kamminga en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2012.

 

Bron: Rechtspraak.nl, LJN: BW6117, Gerechtshof ’s-Gravenhage, 200.098.982

Share