Gemeenten hebben sinds 01-01-2015 niet meer de bevoegdheid tot verhaal van minderjarigen

Ingevolge artikel 62 van de Participatiewet kunnen kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht, zoals bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, worden verhaald op degene die zijn onderhoudsplicht jegens een minderjarig kind dat tot het gezin van de bijstandsgerechtigde behoort, niet of niet behoorlijk nakomt. Naar het oordeel van de rechtbank Rotterdam in de uitspraak van 2 september 2015 van de meervoudige kamer, kan het bestaan van een verhaalsrecht van de gemeente jegens een onderhoudsplichtige ouder echter slechts worden aangenomen indien de gemeente kosten van bijstand (mede) ten behoeve van de minderjarige maakt. Met ingang van 1 januari 2015 is dit niet langer het geval. De Participatiewet kent immers slechts de norm voor de alleenstaande en de norm voor een echtpaar. Of tot het gezin van de bijstandsgerechtigde minderjarigen kinderen behoren, is voor de hoogte van de uitkering niet relevant. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanige systeemwijziging als gevolg van de wetswijzigingen van 1 januari 2015 dat niet langer gesproken kan worden van een situatie waarin de gemeente kosten voor bijstand mede ten behoeve van de minderjarige maakt. Gelet hierop komt aan de gemeente sinds 1 januari 2015 niet meer de bevoegdheid toe tot verhaal jegens een onderhoudsplichtige ouder voor de kosten van de minderjarige. Zie uitspraak: Rb. Rotterdam 02-09-2015
>> Ga naar download Tremarapport en de bijlagen <<

Share

Kinderalimentatie; behoefte en draagkracht

Bron: Rechtspraak.nl 7 augustus 2012, LJN: BX3375,                                               Gerechtshof ‘s-Gravenhage , 200.097.991/01

Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht

Uitspraak : 16 mei 2012
Zaaknummer : 200.097.991/01
Rekestnr. rechtbank : F2 RK 10-2252

[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.M. Baltazar de Seixas te Spijkenisse,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.W.M. Roozeboom te Schiedam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 29 november 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 september 2011.

De man heeft op 8 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
– op 9 januari 2012 een brief van 6 januari 2012 met bijlagen;
– op 14 maart 2012 een brief van 13 maart 2012 met bijlagen;

van de zijde van de man:
– op 19 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 30 maart 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
– de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
– de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – voor zover in dit hoger beroep van belang – het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderalimentatie) afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige.

2. De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voor zover het de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige betreft en, opnieuw rechtdoende, alsnog te bepalen dat de man met ingang van 13 december 2010 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal betalen van € 492,50 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen kan of zal worden verleend, dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof in goede justitie juist acht, kosten rechtens.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt de vrouw in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar verzochte af te wijzen.

Behoefte van de minderjarige

4. Als eerste grond voor het beroep stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van de minderjarige niet heeft vastgesteld. In juli 2008 is de relatie verbroken en de vrouw heeft de man toen verzocht om een bijdrage, gelet op haar inkomen beneden bijstandsniveau. De man is toen een bijdrage van € 150,- per maand gaan voldoen. De vrouw heeft vervolgens bij de rechtbank een bijdrage verzocht van € 300,- per maand, uitgaande van een inkomen van de man van € 3.000,- en van de vrouw van € 1.200,- netto per maand. Het verzoek van de vrouw is door de rechtbank afgewezen, omdat de vrouw volgens de rechtbank geen verweer had gevoerd tegen de stellingen van de man. Gezien het gezamenlijke inkomen kan de behoefte minimaal worden begroot op een bedrag van € 492,50 per maand. De vrouw is voorts van mening dat het inkomen van de man thans hoger is dan het inkomen van partijen ten tijde van de samenwoning, zodat dit hogere inkomen uitgangspunt dient te zijn bij de behoeftebepaling van de minderjarige.

5. De man stelt dat het gezamenlijk netto inkomen ten tijde van de samenwoning van partijen € 2.700,- per maand bedroeg, zodat de behoefte van de minderjarige op € 385,- per maand kan worden vastgesteld.

6. Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige gaat het hof uit van het netto gezinsinkomen van partijen in 2008, nu als onweersproken vaststaat dat partijen in dit jaar uit elkaar zijn gegaan. Uit de als productie 18 bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde jaaropgaaf 2008 blijkt dat het inkomen van de man in dat jaar € 33.635,- bedroeg, te weten € 1.856,- netto per maand. Tussen partijen staat voorts als onweersproken vast dat de vrouw ten tijde van de samenwoning een inkomen had van € 1.200,- netto per maand, zodat het netto gezinsinkomen € 3.056,- per maand bedroeg. Uitgaande van de gegevens zoals deze blijken uit de door de man als productie 9 bij zijn verweerschrift overgelegde salarisstroken, volgt het hof de vrouw niet in haar stelling dat het huidige inkomen van de man het voormalige gezinsinkomen overstijgt. Rekening houdend met een netto gezinsinkomen van € 3.056,- per maand stelt het hof de behoefte van de minderjarige vast op € 465,- in 2008, thans geïndexeerd € 505,- per maand.

Draagkracht van de man

7. De vrouw stelt voorts als grond voor haar beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige te betalen en het verzoek van de vrouw daartoe afgewezen. Hoewel de man niet heeft gesteld geen draagkracht te hebben om enige alimentatie te kunnen voldoen, heeft de rechtbank dit wel bepaald. Met betrekking tot de door de man opgevoerde aflossing op een schuld bij Primeline van € 107,- per maand, dient naar de mening van de vrouw slechts rekening te worden gehouden met € 42,03 per maand, omdat de overige incasso’s worden geweigerd. Wat betreft de schuld aangegaan bij mevrouw [naam] voor de aanschaf van een auto is de vrouw van mening dat deze niet prevaleert boven een kinderbijdrage. Daarnaast mag worden aangenomen dat deze schuld inmiddels volledig is afgelost. Wat betreft de schuld aan de Belastingdienst blijkt dat deze is ontstaan door ten onrechte ontvangen toeslagen, zodat dit geheel aan de man zelf te wijten is. De man woont samen met zijn broer in de woning van zijn moeder. De vrouw acht het niet reëel dat de man een huur van € 350,- per maand aan zijn moeder zou voldoen. Bovendien blijkt uit de overgelegde betalingsbewijzen van sporadische betalingen en wisselende bedragen.

8. De man kan zich vinden in de beslissing van de rechtbank nu hij altijd al een maandelijkse bijdrage van € 150,- ten behoeve van de minderjarige aan de vrouw heeft voldaan, hij alle schulden stammend uit de periode van samenwoning op zich heeft genomen, en de vrouw altijd verklaard heeft dat zij de kinderalimentatie van ondergeschikt belang vindt.

9. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van de door hem als productie 16 overgelegde draagkrachtberekening, voor zover deze niet door de vrouw is betwist.

10. Met betrekking tot het inkomen van de man zal het hof uitgaan van het basismaandsalaris en de toeslagen daarop zoals deze uit de door de man als productie 9 overgelegde salarisspecificatie van december 2011 blijken. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat er thans geen mogelijkheid meer voor hem is tot het verrichten van overwerk.

11. Het hof is van oordeel dat de door de man opgevoerde woonlast van € 350,- per maand alleszins redelijk is en zal hier rekening mee houden. Ook acht het hof het redelijk om rekening te houden met het door de man opgevoerde eigen risico van de zorgverzekering.

12. Ten aanzien van de door de man opgevoerde schulden overweegt het hof als volgt. De man heeft ter zitting verklaard dat hij de schuld aan zijn moeder, mevrouw [naam], en die aan de Belastingdienst heeft afgelost. Het hof zal daarom rekening houden met een aflossing van € 100,- per maand aan een schuld bij Prime Line, welke schuld de man naar het oordeel van het hof voldoende heeft onderbouwd.

13. Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde herinrichtingskosten en advocaatkosten, nu het hof van oordeel is dat deze lasten geen voorrang hebben boven kinderalimentatie.

14. Rekening houdend met voormelde inkomsten en lasten, de bijstandsnorm voor een alleenstaande, een draagkrachtpercentage van 70 %, alsmede met de van toepassing zijnde heffingskortingen en de geheven inkomstenbelasting en het fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man een bijdrage toelaat zoals door de vrouw verzocht. Daarbij merkt het hof op, dat zelfs als zou het hof wel rekening hebben gehouden met de door de man opgevoerde lasten zoals deze sub 13 staan vermeld, de man ook nog voldoende draagkracht zou hebben de verzochte bijdrage te voldoen.

Verdeling kosten van de minderjarige

15. Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Ter zitting is als onweersproken vast komen te staan dat de vrouw en haar partner geen draagkracht hebben nu zij afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering en zij daarnaast in een minnelijk schuldhulpverleningstraject zitten. Dit brengt mee dat de vrouw en haar partner, die als stiefvader onderhoudsplichtig jegens de minderjarige is, thans geen draagkracht hebben om een deel van de kosten van de minderjarige te kunnen voldoen. De kosten van de minderjarige dienen daarom in zijn geheel door de man te worden gedragen. Het hof gaat er vanuit dat de vrouw en haar partner zich op korte termijn in zullen spannen om inkomsten te verwerven.

Ingangsdatum

16. Het hof acht het in het onderhavige geval redelijk de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage op de datum van deze beschikking vast te stellen.

Proceskosten

17. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof aanleiding in hoger beroep de proceskosten te compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van heden op € 492,50,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Van Kempen en Zwagemaker, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.

Share

Confrontatie van behoefte en draagkracht (vervolg)

Ingeval naast partneralimentatie tevens kinderalimentatie voor een minderjarig- of jongmeerderjarig kind volgens de tremanormen moet worden vastgesteld:

Als de gewezen partner niet alleen op partner- maar ook op kinderalimentatie aanspraak maakt, dient allereerst een draagkrachtberekening te worden gemaakt voor de vaststelling van kinderalimentatie, waarbij altijd de norm voor een alleenstaande wordt gebruikt en de draagkracht in beginsel gelijk wordt verdeeld over alle kinderen die de ouder moet onderhouden.

Is de alsdan berekende draagkracht gelijk aan of lager dan de kosten van de kinderen, dan resteert geen draagkracht meer voor partneralimentatie. Beschikt de onderhoudsplichtige ouder na aftrek van de kinderalimentatie nog over draagkracht, dan kan op de gebruikelijke wijze een tremanorm draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden gemaakt, waarbij de kosten van de kinderen ten laste van de alsdan berekende draagkracht worden gebracht. De resterende draagkracht kan worden aangewend voor partneralimentatie.

Als de kosten van de kinderen tussen de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige worden verdeeld, kan dat deel van deze kosten dat ten laste van de onderhoudsgerechtigde komt in de draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden verwerkt en ten laste van de draagkracht worden gebracht net zoals in de berekening van de onderhoudsplichtige.

Een voorbeeld van deze situatie ter verduidelijking: stel de ouders hebben een kind van 13 jaar. Ouder 1 heeft een besteedbaar inkomen van  € 2.000,- per maand en ouder 2 een besteedbaar inkomen, rekening houdend met de extra heffingskortingen, van € 1.500,- per maand. De behoefte van het kind[1] hebben zij, rekening houdend met de tabel kosten kinderen en het gezamenlijk gezinsinkomen toen men nog samenwoonde, vastgesteld op € 500.- per maand. Vervolgens wordt ieders bijdrage voor het kind bepaald. Het draagkrachtloos inkomen van ouder 1 omvat naast de hier toepasselijke norm voor een alleenstaande, de gebruikelijke kosten voor wonen, ziektekosten en schulden. Stel de draagkracht bedraagt € 470,- plus het belastingvoordeel van de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie dat gemakshalve gesteld wordt op € 43,- per maand, zodat de totale draagkracht van de ouder 1 bedraagt € 513,- per maand. Ouder 2 heeft een draagkracht van € 180,- per maand. Verdeling naar rato van ieders draagkracht leidt tot een bijdrage van € 370,- per maand van ouder 1 en van  € 130,- per maand van ouder 2. Ieders deel van de kosten van het kind wordt ten laste van de draagkracht gebracht. Vervolgens wordt voor beide ouders een draagkrachtberekening gemaakt zoals hiervoor beschreven, waarin de kosten van het kind aan beide zijden als last worden meegenomen. Ten slotte kan met behulp van een jusvergelijking worden bezien welke partneralimentatie redelijk is.

De ontvangen kinderalimentatie is geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder dat dient ter dekking van de eigen kosten en blijft daarom bij de berekening van diens draagkracht dan wel de behoefte buiten beschouwing.



[1] In de tekst wordt met het woord “behoefte” steeds het eigen aandeel van ouders in de kosten van een kind bedoeld en met “de tabel kosten kinderen”



Share

Moeder niet gerechtigd om namens jong-meerderjarige vordering tot levensonderhoud en studie in te stellen

Bron: LJN: BW8731, Rechtbank ‘s-Gravenhage , 412187 FA RK 12-710Via art 69 Rechtsvordering is een verzoek om alimentatie via de civiele procedure verwezen naar de familiekamer. Nu het verzoek op geen enkel moment in de procedure nader is onderbouwd, komt de rechtbank tot afwijzing van het verzochte. Voorts is de vrouw in een deel van haar verzoek niet ontvankelijk.

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-710
Zaaknummer: 412187
Datum beschikking: 12 juni 2012

Alimentatie

Beschikking op de op 20 augustus 2010 ingediende vordering bij conclusie van antwoord van:

[de vrouw],
de vrouw,
wonende te [woonplaats vrouw],
advocaat: mr. R.W. van den Hoek te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man ],
de man,
wonende te [woonplaats man],
advocaat: mr. –.

Procedure
Op 6 juli 2010 heeft de man de vrouw gedagvaard om voor de civiele rechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage te verschijnen terzake een geldvordering van de man op de vrouw. Bij conclusie van antwoord heeft de vrouw in deze procedure een eis in reconventie gedaan, betreffende betaling door de man van alimentatie ten behoeve van hun beider zoon [de jong-meerderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

De civiele procedure is beëindigd middels een vonnis d.d. [datum vonnis] 2011, waarbij – voor zover hier van belang – de vordering in reconventie van de vrouw als een verzoek om alimentatie is verstaan. Dit verzoek is verwezen naar de sector familie- en jeugdrecht om als verzoekschriftprocedure te worden afgedaan conform artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De rechtbank beschikt in deze zaak over de navolgende stukken:
– de dagvaarding d.d. 6 juli 2010 met producties;
– het faxbericht d.d. 20 augustus 2010 met bijlagen van de zijde van de vrouw;
– de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van 25 augustus 2010 met producties;
– de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging/vermeerdering eis;
– het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2011 met de daarin genoemde stukken;
– het vonnis van deze rechtbank d.d. [datum vonnis] 2011;
– het faxbericht d.d. 11 januari 2012 van de zijde van de vrouw.

Op 15 mei 2012 is de zaak ter terechtzitting behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, alsmede de man.

Verzoek en verweer
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat:
– de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige dient te voldoen een bedrag van € 9.750,- voor de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 augustus 2010;
– de man een bedrag van € 250,- per maand dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de jong-meerderjarige voormeld tot het moment dat hij de 21-jarige leeftijd bereikt ([geboortedatum jong-meerderjarige] 2012);
– een en ander met compensatie van de proceskosten.

De man heeft verweer gevoerd welk verweer hierna voor zover nodig zal worden besproken.

Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.

Alimentatie
Uit de processtukken blijkt het navolgende. Bij eis van reconventie heeft de vrouw gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat de man zou bijdragen aan de kosten van de kinderen. Zij heeft voorts gesteld dat een bijdrage van € 250,- per maand vanaf 1 juni 2007 redelijk en terecht is, uitgaande van het gezamenlijke netto inkomen van partijen en hun draagkracht ten tijde van de echtscheiding.

De man heeft bij conclusie van antwoord in reconventie de door de vrouw gestelde afspraak betwist, alsmede de behoefte van de minderjarige, het netto gezinsinkomen dat hiervoor nodig zou zijn en hij heeft betwist draagkracht te hebben voor de verzochte kinderbijdrage.

De rechtbank stelt vast dat door de vrouw, voor of na betwisting van haar stellingen door de man, op geen enkel moment in de procedure enige onderbouwing is gegeven hoewel daarvoor, gelet op het tijdsverloop in de zaak, ruim voldoende tijd is geweest. De rechtbank is op grond hiervoor van oordeel dat noch de behoefte van de minderjarige aan een bijdrage is komen vast te staan, noch dat de man draagkracht heeft (gehad) om een kinderbijdrage te voldoen. Het verzoek van de vrouw dient om deze reden integraal te worden afgewezen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de vrouw eveneens een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie heeft verzocht met ingang van 1 september 2010, nadat de minderjarige jong-meerderjarig was geworden. Daargelaten dat ook deze vordering, na betwisting hiervan door de man, op geen enkele wijze is onderbouwd, stelt de rechtbank vast dat de vrouw niet gerechtigd is om namens de jong-meerderjarige deze vordering in te stellen nu niet is gebleken van een machtiging hiertoe. De vrouw zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard voor dit deel van haar verzoek.

Proceskosten
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing
De rechtbank:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om een bijdrage ten behoeve van de jong-meerderjarige;

wijst het verzoek van de vrouw voor het overige af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. van der Meer, bijgestaan door mr. I.M. Talstra – Touwen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012.

Share

Verdeling verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen bij co-ouderschap

Rechtbank Utrecht, 25-04-2012, LJN: BW4258; 317504 / FA RK 11-8018,  (Bron: rechtspraak.nl)

Samenvatting

Partijen zijn gewezen echtelieden. Uit hun huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Partijen hebben op 2 november 2010 een ouderschapsplan ondertekend, waarin zij co-ouderschap zijn overeengekomen. Partijen zijn verder overeengekomen dat iedere partij de dagelijkse kosten van de kinderen voldoet in de periode dat ze bij hen zijn en dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten betaalt. De man voldoet ter vergoeding hiervan aan de vrouw een bedrag van € 76,50 per kind per maand. Dit ouderschapsplan maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man met ingang van 6 oktober 2011 een bedrag van € 384,25 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aan de vrouw dient te voldoen. De vrouw stelt dat het bedrag van € 76,50 waarmee de man bijdraagt in de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen onvoldoende is om in alle kosten te voorzien.

De rechtbank overweegt als volgt:

Een verdeling van de behoefte van de kinderen naar rato van draagkracht betekent dat de man een bijdrage in de kosten van de kinderen dient te leveren van € 349,- per kind per maand, inclusief het fiscaal voordeel in verband met de aftrek buitengewone uitgaven voor kinderen voor één van de twee kinderen van partijen. De rechtbank brengt hierop in mindering het eigen aandeel van de man in de extra kosten van wonen van de kinderen van € 97,70 per kind per maand (16% van het hiervoor berekende eigen aandeel in de kosten van de kinderen van € 610,70 per kind per maand) en de verblijfskosten van de kinderen van € 96,25 per kind per maand, zoals door de vrouw zo begroot en door de man niet betwist. De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedraagt hiermee afgerond € 155,- per kind per maand.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen het er over eens zijn dat de vrouw altijd de verblijfsoverstijgende uitgaven voor de kinderen regelde.

Conclusie:

Nu de vrouw daarnaast stelt dat de verdeling van de kosten van de kinderen tot discussie en spanningen leidt, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de vrouw met de door de man te betalen bijdrage van € 155,- per kind per maand en haar eigen aandeel in de kosten van de kinderen de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen dient te voldoen.

Share