Hoe regel ik partneralimentatie?

Als één van de ex-partners niet – helemaal – in zijn levensonderhoud kan voorzien, heeft de ander de plicht om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud. Dit wordt partneralimentatie genoemd.

Deze alimentatieplicht geldt voor de volgende samenlevingsvormen.

  • getrouwde en geregistreerde partners;
  • ex-partners;
  • ouders en kinderen.

De alimentatieplicht houdt op als de ex die alimentatie krijgt, met een ander trouwt, gaat samenwonen of een geregistreerd partnerschap aangaat, of zelf over voldoende inkomsten beschikt.

Hoogte alimentatie partner

De bijna ex-partners kunnen samen afspraken maken over de alimentatie. Dit gebeurt meestal in overleg met een mediator, de advocaat of notaris. De hoogte en duur van de alimentatie worden opgenomen in de schriftelijke afspraken over de scheiding, het convenant genoemd.

Wanneer na de scheiding de situatie van één van de ex-partners verandert, kan dat effect hebben op de alimentatie. Misschien is er minder alimentatie nodig, omdat de ontvangende partner een baan heeft. Of juist andersom, omdat de betalende partner minder gaat verdienen. De afspraken over veranderingen in de alimentatie moeten zwart op wit komen en door beide ex-partners worden getekend. Dit gaat vaak via een advocaat of notaris, echter kan ook onderling worden geregeld.

Naast de alimentatie, kan een partner aanvullende bijstand aanvragen. Als één van de ex-partners een bijstandsuitkering aanvraagt, dan vraagt de plaatselijke sociale dienst bij zijn of haar ex-partner de financiële gegevens op. De sociale dienst bekijkt of de ex – een deel van – de bijstand kan betalen.

Partneralimentatie via rechter

Als de partners geen afspraken kunnen maken over de alimentatie, terwijl één van de twee dat nodig heeft, dan kan de rechter een alimentatieregeling vaststellen. Dat doet hij bijvoorbeeld bij de scheidingsprocedure (als nevenvoorziening). De rechter kan ook later op verzoek een alimentatieregeling vaststellen of veranderen, bijvoorbeeld als het door veranderingen in de leefsituatie van één van de ex-partners nodig is.

Hoe lang partneralimentatie

Scheiding op of na 1 juli 1994

Bij scheidingen die op of na 1 juli 1994 zijn gesloten, hoeft maximaal twaalf jaar alimentatie worden betaald. De alimentatieplicht kan ook korter gelden. Als het huwelijk korter duurde dan vijf jaar en er zijn geen kinderen, dan kan de alimentatieplicht niet langer duren dan dat het huwelijk duurde. Dit geldt ook voor geregistreerde partnerschappen.

Scheiding voor 1 juli 1994

Voor echtscheidingen van voor 1 juli 1994 gelden andere regels. Dit is afhankelijk van wat er toen is afgesproken. Wel is het mogelijk de rechter te vragen om de toen vastgestelde periode aan te passen. Dat geldt ook voor gevallen waar mensen vijftien jaar of langer alimentatie hebben betaald; de rechter kan dan worden gevraagd de plicht te beëindigen.

Betalingsachterstand partneralimentatie

Het kan gebeuren dat een ex-partner in gebreke blijft en niet op tijd of niet genoeg alimentatie betaalt. In die gevallen kan de ander tremanormen.nl, een deurwaarder of advocaat inschakelen.

Jaarlijkse verhoging (indexering)

De alimentatiebedragen worden jaarlijks aangepast volgens de loonstijgingen. Dit wordt de indexering van alimentatie genoemd. In november stelt de overheid het percentage vast waarmee alle vastgestelde bedragen voor kinder- en partneralimentatie op 1 januari van het nieuwe jaar automatisch wijzigen. Jaarlijks, medio november, wordt dat percentage en de te gratis downloaden beschikking op de website van tremanormen.nl kenbaar gemaakt.

Share

Kinderalimentatie; behoefte en draagkracht

Bron: Rechtspraak.nl 7 augustus 2012, LJN: BX3375,                                               Gerechtshof ‘s-Gravenhage , 200.097.991/01

Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht

Uitspraak : 16 mei 2012
Zaaknummer : 200.097.991/01
Rekestnr. rechtbank : F2 RK 10-2252

[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.M. Baltazar de Seixas te Spijkenisse,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.W.M. Roozeboom te Schiedam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 29 november 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 september 2011.

De man heeft op 8 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
– op 9 januari 2012 een brief van 6 januari 2012 met bijlagen;
– op 14 maart 2012 een brief van 13 maart 2012 met bijlagen;

van de zijde van de man:
– op 19 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 30 maart 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
– de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
– de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – voor zover in dit hoger beroep van belang – het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderalimentatie) afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige.

2. De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voor zover het de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige betreft en, opnieuw rechtdoende, alsnog te bepalen dat de man met ingang van 13 december 2010 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal betalen van € 492,50 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen kan of zal worden verleend, dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof in goede justitie juist acht, kosten rechtens.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt de vrouw in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar verzochte af te wijzen.

Behoefte van de minderjarige

4. Als eerste grond voor het beroep stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van de minderjarige niet heeft vastgesteld. In juli 2008 is de relatie verbroken en de vrouw heeft de man toen verzocht om een bijdrage, gelet op haar inkomen beneden bijstandsniveau. De man is toen een bijdrage van € 150,- per maand gaan voldoen. De vrouw heeft vervolgens bij de rechtbank een bijdrage verzocht van € 300,- per maand, uitgaande van een inkomen van de man van € 3.000,- en van de vrouw van € 1.200,- netto per maand. Het verzoek van de vrouw is door de rechtbank afgewezen, omdat de vrouw volgens de rechtbank geen verweer had gevoerd tegen de stellingen van de man. Gezien het gezamenlijke inkomen kan de behoefte minimaal worden begroot op een bedrag van € 492,50 per maand. De vrouw is voorts van mening dat het inkomen van de man thans hoger is dan het inkomen van partijen ten tijde van de samenwoning, zodat dit hogere inkomen uitgangspunt dient te zijn bij de behoeftebepaling van de minderjarige.

5. De man stelt dat het gezamenlijk netto inkomen ten tijde van de samenwoning van partijen € 2.700,- per maand bedroeg, zodat de behoefte van de minderjarige op € 385,- per maand kan worden vastgesteld.

6. Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige gaat het hof uit van het netto gezinsinkomen van partijen in 2008, nu als onweersproken vaststaat dat partijen in dit jaar uit elkaar zijn gegaan. Uit de als productie 18 bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde jaaropgaaf 2008 blijkt dat het inkomen van de man in dat jaar € 33.635,- bedroeg, te weten € 1.856,- netto per maand. Tussen partijen staat voorts als onweersproken vast dat de vrouw ten tijde van de samenwoning een inkomen had van € 1.200,- netto per maand, zodat het netto gezinsinkomen € 3.056,- per maand bedroeg. Uitgaande van de gegevens zoals deze blijken uit de door de man als productie 9 bij zijn verweerschrift overgelegde salarisstroken, volgt het hof de vrouw niet in haar stelling dat het huidige inkomen van de man het voormalige gezinsinkomen overstijgt. Rekening houdend met een netto gezinsinkomen van € 3.056,- per maand stelt het hof de behoefte van de minderjarige vast op € 465,- in 2008, thans geïndexeerd € 505,- per maand.

Draagkracht van de man

7. De vrouw stelt voorts als grond voor haar beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige te betalen en het verzoek van de vrouw daartoe afgewezen. Hoewel de man niet heeft gesteld geen draagkracht te hebben om enige alimentatie te kunnen voldoen, heeft de rechtbank dit wel bepaald. Met betrekking tot de door de man opgevoerde aflossing op een schuld bij Primeline van € 107,- per maand, dient naar de mening van de vrouw slechts rekening te worden gehouden met € 42,03 per maand, omdat de overige incasso’s worden geweigerd. Wat betreft de schuld aangegaan bij mevrouw [naam] voor de aanschaf van een auto is de vrouw van mening dat deze niet prevaleert boven een kinderbijdrage. Daarnaast mag worden aangenomen dat deze schuld inmiddels volledig is afgelost. Wat betreft de schuld aan de Belastingdienst blijkt dat deze is ontstaan door ten onrechte ontvangen toeslagen, zodat dit geheel aan de man zelf te wijten is. De man woont samen met zijn broer in de woning van zijn moeder. De vrouw acht het niet reëel dat de man een huur van € 350,- per maand aan zijn moeder zou voldoen. Bovendien blijkt uit de overgelegde betalingsbewijzen van sporadische betalingen en wisselende bedragen.

8. De man kan zich vinden in de beslissing van de rechtbank nu hij altijd al een maandelijkse bijdrage van € 150,- ten behoeve van de minderjarige aan de vrouw heeft voldaan, hij alle schulden stammend uit de periode van samenwoning op zich heeft genomen, en de vrouw altijd verklaard heeft dat zij de kinderalimentatie van ondergeschikt belang vindt.

9. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van de door hem als productie 16 overgelegde draagkrachtberekening, voor zover deze niet door de vrouw is betwist.

10. Met betrekking tot het inkomen van de man zal het hof uitgaan van het basismaandsalaris en de toeslagen daarop zoals deze uit de door de man als productie 9 overgelegde salarisspecificatie van december 2011 blijken. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat er thans geen mogelijkheid meer voor hem is tot het verrichten van overwerk.

11. Het hof is van oordeel dat de door de man opgevoerde woonlast van € 350,- per maand alleszins redelijk is en zal hier rekening mee houden. Ook acht het hof het redelijk om rekening te houden met het door de man opgevoerde eigen risico van de zorgverzekering.

12. Ten aanzien van de door de man opgevoerde schulden overweegt het hof als volgt. De man heeft ter zitting verklaard dat hij de schuld aan zijn moeder, mevrouw [naam], en die aan de Belastingdienst heeft afgelost. Het hof zal daarom rekening houden met een aflossing van € 100,- per maand aan een schuld bij Prime Line, welke schuld de man naar het oordeel van het hof voldoende heeft onderbouwd.

13. Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde herinrichtingskosten en advocaatkosten, nu het hof van oordeel is dat deze lasten geen voorrang hebben boven kinderalimentatie.

14. Rekening houdend met voormelde inkomsten en lasten, de bijstandsnorm voor een alleenstaande, een draagkrachtpercentage van 70 %, alsmede met de van toepassing zijnde heffingskortingen en de geheven inkomstenbelasting en het fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man een bijdrage toelaat zoals door de vrouw verzocht. Daarbij merkt het hof op, dat zelfs als zou het hof wel rekening hebben gehouden met de door de man opgevoerde lasten zoals deze sub 13 staan vermeld, de man ook nog voldoende draagkracht zou hebben de verzochte bijdrage te voldoen.

Verdeling kosten van de minderjarige

15. Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Ter zitting is als onweersproken vast komen te staan dat de vrouw en haar partner geen draagkracht hebben nu zij afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering en zij daarnaast in een minnelijk schuldhulpverleningstraject zitten. Dit brengt mee dat de vrouw en haar partner, die als stiefvader onderhoudsplichtig jegens de minderjarige is, thans geen draagkracht hebben om een deel van de kosten van de minderjarige te kunnen voldoen. De kosten van de minderjarige dienen daarom in zijn geheel door de man te worden gedragen. Het hof gaat er vanuit dat de vrouw en haar partner zich op korte termijn in zullen spannen om inkomsten te verwerven.

Ingangsdatum

16. Het hof acht het in het onderhavige geval redelijk de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage op de datum van deze beschikking vast te stellen.

Proceskosten

17. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof aanleiding in hoger beroep de proceskosten te compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van heden op € 492,50,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Van Kempen en Zwagemaker, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.

Share

Wijziging partneralimentatie; vermogensrechtelijke gevolgen voor bepaald huwelijksvermogensregime voor vorige echtgenoot.

Bron: LJN: BX3092, 31 juli 2012, Gerechtshof Arnhem , 200.100.331

Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.100.331
(zaaknummer rechtbank 121079 / FA RK 11-704)

beschikking van de familiekamer van 28 juni 2012

inzake

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de man”,
advocaat: mr. M.S. Flokstra te Oldenzaal,

en

[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,
advocaat: mr. K.G.I.M. Schröder te Utrecht.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Almelo van 19 oktober 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 januari 2012, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de beschikking van de rechtbank Utrecht van 2 juni 2010 en het daarvan onderdeel uitmakende echtscheidingsconvenant zal worden gewijzigd, waarbij het hof de te betalen partneralimentatie met ingang van 1 juni 2011 zal vaststellen op nihil, althans op een bedrag dat het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 maart 2012, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
– op 3 mei 2012 een brief van mr. Flokstra van 2 mei 2012 met bijlagen;
– op 11 mei 2012 een brief van mr. Schröder van dezelfde datum met bijlagen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 3 augustus 1998 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 2 juni 2010 heeft de rechtbank Utrecht echtscheiding tussen hen uitgesproken, welke echtscheiding op 30 juni 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij het door partijen op 17 april 2010 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:
“Partneralimentatie
a. Partijen hebben een alimentatieberekening laten uitvoeren op basis van de Tremanorm. Daaruit is gebleken dat de man maximaal € 268 bruto per maand aan partneralimentatie kan betalen.
b. De behoefte van de vrouw is vastgesteld op € 1.228 bruto per maand.
(…)
e. Partijen stellen vast dat de partneralimentatie te allen tijde opnieuw in onderling overleg kan worden vastgesteld als gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. Dit zal in ieder geval plaatsvinden zodra de man een nieuwe woning heeft gevonden en zijn woonlasten bekend zijn en in september 2010, wanneer de aflossing van een aantal schulden zal zijn gerealiseerd.“

3.3 Bij voormelde echtscheidingbeschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand telkens bij vooruitbetaling € 268,- per maand zal voldoen, en dat de regeling, zoals tussen de man en de vrouw is overeengekomen in het aan de beschikking gehechte en door de rechtbank gewaarmerkte convenant, deel uitmaakt van deze beschikking.
Voormelde bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 270,41 per maand.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Almelo op 6 juni 2011, heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank Utrecht, en daarmee het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant, te wijzigen en, na wijziging van dat verzoek, verzocht zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juni 2011 op nihil te stellen, althans op een bedrag dat de rechtbank juist acht. De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.5 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.6 De man, geboren op [geboortedatum] 1967, is op 6 mei 2011 gehuwd met [A.], verder te noemen “[A.]”. De man vormt samen met [A.] en haar op [geboortedatum] 1998 geboren zoon [B.], verder te noemen “[B.]”, een gezin.
[A.] voorziet in haar eigen levensonderhoud met, naar de rechtbank onbestreden heeft vastgesteld, een gemiddeld inkomen van € 785,- netto per maand. Omdat de vader van [B.] op 16 februari 2011 is overleden, ontvangt [A.] voorts uit hoofde van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een uitkering. Blijkens het overzicht Anw-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank bedraagt die uitkering vanaf maart 2012 € 288,79 bruto (€ 174,90 netto) per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.
Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties van 2011 € 415,20 bruto per week, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De man ontvangt daarnaast een wachtdagcompensatie van € 4,80 bruto per week. Volgens de jaaropgave 2011 bedroeg zijn belastbaar loon in dat jaar € 23.580,-.
Blijkens de salarisspecificaties van februari en maart 2012 bedraagt het inkomen van de man € 1.818,08 per maand bruto, ofwel € 1.399,47 netto per maand.

3.7 De lasten van de man bedragen per maand:
– € 277,43 aan huur, zijnde de helft van de volledige huur;
– € 33,35 aan ziektekosten in 2011:
– € 106,35 premie basisverzekering ZVW, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 45,- en de zorgtoeslag van € 28,-.

Ten aanzien van de vrouw

3.8 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1966, is alleenstaand.
Het inkomen van de vrouw bij […] bedroeg blijkens de salarisspecificatie van augustus 2011 € 707,45 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Blijkens de salarisspecificatie van januari 2012 bedroeg haar inkomen die maand € 826,68 netto, te vermeerderen met vakantietoeslag.
De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van de vrouw bij […] is met ingang van 1 februari 2012 van rechtswege geëindigd. De vrouw ontvangt met ingang van 1 februari 2012 een WW-uitkering van € 32,66 bruto per dag tot 1 april 2012 en van € 30,49 bruto per dag met ingang van 1 april 2012, beide bedragen te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.9 De lasten van de vrouw bedragen per maand:
– € 475,01 aan huur met ingang van 1 juli 2011 en € 486,01 met ingang van 1 juli 2012;
– € 52,- aan ziektekosten in 2010 en € 76,64 in 2012:
– € 96,- premie basisverzekering ZVW in 2010 en € 125,64 in 2012, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 44,- in 2010 en € 49,- in 2012.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen is niet meer aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW.

4.2 De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de halfwezenuitkering die [B.] ontvangt in mindering strekt op de behoefte van [B.]. De vrouw betwist dat.
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [B.] € 305,- per maand bedraagt.

4.3 Het hof zal eerst de grieven 3 en 4 bespreken, welke grieven betrekking hebben op de draagkracht van de man. De man stelt daarin dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.

4.4 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.6 en 3.7 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.5 Bij de vaststelling van het besteedbaar inkomen van de man hanteert het hof de netto methode, nu het bruto inkomen van de man ten tijde van de verzochte ingangsdatum van de wijziging in 2011 lager is dan € 2.000,- per maand. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

4.6 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft, en [A.] in haar eigen levensonderhoud voorziet, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 70 voor de netto methode. In het geval de man over de draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te voldoen, dient vervolgens beoordeeld te worden welk deel daarvan ten behoeve van [B.] dient te worden aangewend, nu de man naast [A.] op grond van het bepaalde in artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jegens dit stiefkind onderhoudsplichtig is, en deze onderhoudsplicht krachtens het bepaalde in artikel 1:400 lid 1 BW voorrang heeft boven zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw.

4.7 Ten aanzien van de door de man opgevoerde maandlast voor na te noemen schulden stelt het hof voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter, maar alleen goed gemotiveerd, buiten beschouwing kan laten.

4.8 De man stelt dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de schuldenlast van € 185,- per maand in verband met schulden uit het huwelijk van partijen en dat de rechtbank ten onrechte heeft verzuimd de alimentatie op nihil te stellen vanwege de vrijwillige schuldsanering die de man is aangegaan. De vrouw heeft de stellingen van de man betwist.

4.9 Naar het oordeel van het hof kan in zijn algemeenheid niet worden aanvaard dat een jegens een vorige echtgenoot onderhoudsplichtige ex-echtgenoot gehouden is een volgend huwelijk aan te gaan onder het sluiten van huwelijkse voorwaarden. Op grond van de omstandigheden van het geval dient beoordeeld te worden of de onderhoudsplichtige ex-echtgenoot zich al dan niet bewust had dienen te zijn van de eventuele negatieve vermogensrechtelijke gevolgen van de keuze voor een bepaald huwelijksvermogensregime voor zijn vorige echtgenoot. De man heeft in hoger beroep verklaard dat hij in gemeenschap van goederen met [A.] is gehuwd en dat kort nadien is gebleken dat zijn huidige echtgenote nog steeds aansprakelijk is voor de schulden die zijn ontstaan ten tijde van het huwelijk van [A.] met de heer [C.], verder te noemen “[C.]”, de overleden vader van [B.]. [A.] en [C.] hadden de gevolgen van hun echtscheiding aldus geregeld dat in het kader van de verdeling van de gemeenschap van goederen [C.] de aflossing van de gemeenschappelijke schulden voor zijn rekening zou nemen. [C.] heeft zich ook aan de gemaakte afspraken gehouden, zij het dat de schuldeisers vanaf de datum van zijn overlijden op 16 februari 2011 [A.] aansprakelijk hebben gesteld voor de op dat moment nog bestaande schulden. Als gevolg daarvan kan thans de gemeenschap van goederen tussen de man en [A.] worden uitgewonnen en heeft de man geen andere keuze dan het aangaan van schuldsanering, nu de gezinsinkomsten geen ruimte bieden tot aflossing van de bestaande schulden. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat [A.] hem niet heeft geïnformeerd over het bestaan van schulden die dateren uit de periode dat zij met [C.] was gehuwd. Niet onaannemelijk is dat [A.] voetstoots ervan is uitgegaan dat de aflossing van huwelijkse schulden door [C.] zou worden gecontinueerd en dat zij geen enkele aanleiding had ermee rekening te houden dat [C.] spoedig zou overlijden. De vrouw heeft in dat verband de gemotiveerde stellingen van de man onvoldoende betwist en niet aannemelijk gemaakt dat de man wel zou hebben geweten dat de mogelijkheid bestond dat [A.] aansprakelijk was voor schulden en dat van hem verwacht kon worden op huwelijkse voorwaarden met haar te trouwen. De vrouw heeft evenmin aannemelijk kunnen maken dat de man met opzet in gemeenschap van goederen met [A.] is gehuwd, louter om door het opvoeren van aflossingen op schulden onder zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw uit te komen. Tot slot is gesteld noch gebleken dat de man lichtvaardig schulden is aangegaan.

4.10 De man heeft door overlegging van producties in eerste aanleg, productie 8 (aanvraag schuldsaneringsregeling) en productie 14 (overzichten van de Stadsbank Oost Nederland waarop de bankafschriften van de man van 7 juni 2011 en 5 juli 2011 zijn verwerkt), alsmede door overlegging van producties 9, 17 en 18 in hoger beroep, voldoende aannemelijk gemaakt dat op hem, in verband met voormelde schulden, de buitenwettelijke (vrijwillige) schuldsaneringsregeling van toepassing is. Uit de bij brief van 2 mei 2012 overgelegde productie 17, de brief van de Stadsbank van 27 oktober 2011, blijkt dat de schuldhulpverlening is ingegaan op 25 mei 2011 en dat het saldo van die schulden meer dan € 30.000,- bedraagt.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat, hoewel op de man niet de wettelijke schuldsaneringsregeling, verder: “WSNP”, van toepassing is verklaard, de man in een financiële positie verkeert die gezien opzet en inhoud in zodanige mate overeenkomt met een schuldsaneringsregeling op basis van de WSNP, dat die financiële positie hieraan gelijk gesteld dient te worden. Het hof betrekt hierbij nog dat sinds 1 januari 2008 als toelatingseis tot de WSNP geldt dat eerst een vrijwillige bemiddeling of sanering beproefd dient te worden.
Gelet op de hoogte van de schuldenlast en op het feit dat deze schulden niet lichtvaardig zijn aangegaan is het hof met de man van oordeel dat in dit geval met die schuldenlast en de aflossing daarvan rekening dient te worden gehouden. De derde grief van de man slaagt.

4.11 Blijkens produktie 17, overgelegd bij brief van de advocaat van de man van 2 mei 2012, in samenhang bezien met de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door de man gegeven toelichting, bedraagt de totale schuldenlast € 27.734,31, inclusief de schulden uit het huwelijk van de man en de vrouw en exclusief de reeds betaalde schulden en de schuld aan het LBIO. Uitgaande van het inkomen van de man volgens de jaaropgave 2011, aan de hand waarvan zijn netto inkomen berekend kan worden op € 1.434,- per maand, inclusief vakantietoeslag, acht het hof het redelijk indien van dat inkomen maandelijks ongeveer 20% aan aflossing van schulden wordt besteed, ofwel afgerond € 300,-. Met een dergelijke last rekening houdend, alsmede met de financiële gegevens van de man zoals vermeld onder 3.6 en 3.7, resteert voor hem vervolgens een draagkracht van € 77,- per maand.

4.12 Uit de financiële gegevens van de man blijkt dat [A.], inclusief de Anw-uitkering die zij geniet, over een netto maandinkomen beschikt van circa € 970,-, ongeveer € 45,- boven het bijstandsniveau voor een alleenstaande. Indien zij genoemd bedrag aanwendt om te voorzien in de behoefte van [B.] van € 305,- per maand, resteert voor [B.] nog een behoefte van € 260,- per maand. Nu de vader van [B.] is overleden, is slechts de man naast [A.] als stiefouder verplicht in de behoefte van [B.] te voorzien, welke verplichting voorrang heeft boven zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw. Indien de voor de man resterende draagkracht van € 77,- wordt aangewend ten behoeve van zijn stiefzoon, is nog steeds sprake van behoefte van [B.] aan een bijdrage en resteert vervolgens geen draagkracht meer om enige bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de vrouw. Hieraan doet niet af de stelling van de vrouw dat zij van de Stadsbank de onderhoudsbijdrage nog steeds ontvangt, nu de man hiertegenover – onweersproken – heeft gesteld dat die onderhoudsbijdrage wel door de Stadsbank aan de vrouw wordt voldaan maar dat daardoor zijn aflossingscapaciteit op de schulden is gedaald tot nihil. Grief 4 van de man slaagt eveneens.

4.13 Door het slagen van voormelde grieven brengt de devolutieve werking van het hoger beroep met zich dat de niet behandelde of verworpen weren en de niet prijsgegeven stellingen van de vrouw in eerste aanleg, thans nog beoordeeld moeten worden. De vrouw heeft aangevoerd dat de man geheel vrijwillig heeft ingestemd met de beëindiging van zijn dienstverband voor onbepaalde tijd, en dat het in de gegeven omstandigheden op zijn weg had gelegen zich tegen beëindiging van zijn dienstverband te verweren dan wel bij een beëindiging met wederzijds goedvinden een vergoeding te bedingen.

4.14 Het hof overweegt hieromtrent dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank blijkt dat de man heeft verklaard dat hij op 1 november 2010 is ontslagen. Er bestond voorafgaand aan het ontslag discussie over de inhoud van zijn functie, de sfeer op het werk was grimmiger geworden en er was in tegenstelling tot voorheen voor hem geen overwerk meer beschikbaar. In oktober 2010 hoefde hij ook niet meer te komen werken. Volgens de man is er geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies. Na het ontslag is de man dan ook direct op zoek gegaan naar een andere baan en heeft die ook gevonden, zij het tegen een lager salaris. Werk tegen een hoger salaris zit er niet in, volgens de man. De vrouw heeft daarop haar verweer dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies gehandhaafd, zij het dat zij die stelling niet nader heeft toegelicht of onderbouwd. Het hof is daarom van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van verwijtbaar inkomensverlies. Gelet op de uitvoerige toelichting van de man tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg over zijn ontslag, lag het op de weg van de vrouw haar verweer op dat onderdeel nader te onderbouwen. Nu zij haar stelling niet nader heeft onderbouwd en gesteld noch gebleken is dat de man zijn oude inkomen kan terugkrijgen of dat hij kan terugkeren in zijn oude baan en dat dat van hem gevergd kan worden, heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat de inkomensvermindering herstelbaar is. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de man zich tegenover de vrouw van gedragingen jegens zijn vorige werkgever had dienen te onthouden. Onder deze omstandigheden gaat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man uit van zijn huidige inkomen.

4.15 In eerste aanleg heeft de vrouw voorts het verweer gevoerd dat, mocht de hoogte van de onderhoudsbijdrage worden gewijzigd, er geen aanleiding bestaat dat met terugwerkende kracht te laten plaatsvinden. De rechtbank is aan de beoordeling van dat verweer niet toegekomen omdat het verzoek van de man is afgewezen, reden voor het hof dat alsnog te doen.

4.16 Zoals hiervoor is overwogen, heeft de vrouw gesteld dat zij de door de man aan haar verschuldigde onderhoudsbijdrage ten bedrage van € 270,41 per maand nog steeds van de Stadsbank ontvangt. Met deze bijdrage, vermeerderd met haar huidige inkomen, kan zij niet voorzien in haar behoefte en dient zij rond te komen met een inkomen onder bijstandsniveau. De man heeft daartegenover niets gesteld ter onderbouwing van zijn verzoek de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht te verlagen. Op grond van het voorgaande zal het hof de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw in de periode van de schuldsanering tot op heden vaststellen op het bedrag dat in feite aan de vrouw is voldaan en voor de resterende duur van de schuldsanering op nihil.

4.17 Gelet op het voorgaande behoeven grieven 1 en 2 geen nadere bespreking.

5. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 19 oktober 2011 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 2 juni 2010 en het daarvan onderdeel uitmakende echtscheidingsconvenant en stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud tot heden vast op het bedrag dat dienaangaande door of namens de man aan de vrouw is betaald en met ingang van heden, gedurende de periode dat op de man de buitenwettelijke schuldsanering van toepassing is, op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Luiten, M.L van der Bel en B.F. Keulen, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 28 juni 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Share

Maatstaf vaststellen behoefte bij wijziging kinderalimentatie.

Bron: LJN: BX1683, Rechtbank Dordrecht 2o juni 2012, 94281 / FA RK 11-8419

Uitspraak
RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 94281 / FA RK 11-8419

beschikking van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2012

in de zaak van

[vrouw],
wonende te [adres vrouw],
verzoekster tevens verweerster,
advocaat mr. A. Harent,

tegen

[man],
wonende te [adres man],
verzoeker tevens verweerder,
advocaat mr. M.R. Dill.

Partijen worden hieronder aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

1. Het procesverloop
1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:
– het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 augustus 2011;
– het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2011;
– het verweerschrift van de vrouw tegen het zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 9 december 2011;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 18 januari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 23 januari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen ter griffie op 25 januari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 27 januari 2012.

1.2. De rechtbank heeft naar de mening gevraagd van de minderjarige [minderjarige].

1.3. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 februari 2012.

1.4. Ter terechtzitting zijn verschenen:
– de man, bijgestaan door zijn advocaat;
– de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, die een pleitnotitie heeft overgelegd.

1.5. Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank nog kennis genomen van de volgende processtukken:
– het faxbericht met bijlage van de vrouw, ingekomen ter griffie op 14 februari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 16 februari 2012;
– het faxbericht van de vrouw, ingekomen ter griffie op 23 februari 2012.

2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1. Partijen zijn op 26 september 1991 te Dordrecht met elkaar gehuwd.

2.2. Uit hun huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarigen:
[minderjarige] op [geboortedatum+plaats minderjarige] (hierna: [roepnaam minderjarige]);
[minderjarige2] op [geboortedatum+plaats minderjarige2] (hierna: [roepnaam minderjarige2]).

2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 15 september 2004 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is verder onder meer bepaald dat de man ten behoeve van de voornoemde minderjarigen een alimentatie zal betalen van € 275,– per kind per maand.

2.4. De echtscheidingsbeschikking is op 5 oktober 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.5. Bij een daaropvolgende beschikking van deze rechtbank van 14 september 2007 is de door de man te betalen kinderalimentatie aan de vrouw voor [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] met ingang van 1 januari 2007 verlaagd tot € 214,– per kind per maand.

2.6. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2011 is vervolgens bepaald dat [roepnaam minderjarige] haar woonplaats heeft bij de man en [roepnaam minderjarige2] zijn woonplaats bij de vrouw. Daarbij is de door de man te betalen kinderalimentatie aan de vrouw voor [roepnaam minderjarige] met ingang van 1 april 2010 op nihil gesteld.

2.7. Krachtens wettelijke indexering is de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige2] met ingang van 1 januari 2012 verhoogd tot € 234,56 per maand.

3. Het verzoek en het verweer
Het verzoek
3.1. De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man ten behoeve van de minderjarige [roepnaam minderjarige] een kinderalimentatie van € 234,56 per maand dient te voldoen, met ingang van 1 april 2011, althans vanaf een door de rechtbank redelijk geachte datum.

3.2. De vrouw stelt daartoe dat [roepnaam minderjarige] sinds 20 maart 2011 weer definitief woonachtig is bij de vrouw. De vrouw is van mening dat de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige], zoals die eerder was vastgesteld in de beschikking van 14 februari 2007 (geïndexeerd naar een bedrag van € 234,56 per maand), met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2011, weer door de man aan de vrouw dient te worden voldaan.

Het verweer en het zelfstandig verzoek
3.3. De man voert verweer en verzoekt de rechtbank het verzoek van de vrouw af te wijzen en uitvoerbaar bij voorraad in goede justitie een nieuw bedrag aan kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de daadwerkelijke behoefte van [roepnaam minderjarige] en draagkracht van partijen.

3.4. Bij wege van een zelfstandig verzoek verzoekt de man, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de kinderalimentatie voor de beide kinderen wordt vastgesteld conform de daadwerkelijke behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen.

3.5. Door de man wordt de hoogte van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] betwist. De man voert aan dat deze lager is dan de behoefte die blijkt in het verzoekschrift, omdat het gezamenlijk bruto maandinkomen ten tijde van het huwelijk van partijen € 2.300,– bedroeg.

3.6. Daarnaast voert de man aan dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de bij beschikking van 14 september 2007 gewijzigde kinderalimentatie te voldoen.
De man voert daartoe aan dat hij naast [roepnaam minderjarige2] en [roepnaam minderjarige] nog drie minderjarige kinderen dient te onderhouden. Nadat de man is getrouwd met zijn huidige vrouw, mevrouw [huidige vrouw vd man], hebben zij samen een kind heeft gekregen, te weten [minderjarige uit huidige huwelijk vd man]. De man stelt dat de behoefte van [roepnaam mj huidige huwelijk vd man] kan worden vastgesteld op € 348,–. Daarnaast heeft de man, vanwege zijn huwelijk met [huidige vrouw vd man], tevens een onderhoudsverplichting naar twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie van [huidige vrouw vd man], te weten [kindY] en [kindZ]. Tussen [huidige vrouw vd man] en haar ex-partner, de [ex-partner huidige vrouw vd man], geldt een co-ouderschap over [kindY] en [kindZ] en de behoefte van [kindY] en [kindZ] kan volgens de man worden gesteld op een bedrag van € 127,50 per kind per maand.

3.7. Voorts voert de man met betrekking tot zijn draagkracht aan dat [huidige vrouw vd man] niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De inkomsten uit haar eigen kappersbedrijf zijn te gering. Hierdoor kan [huidige vrouw vd man] slechts pro rato bijdragen aan de kosten van huisvesting, aldus de man. Daarbij kan [huidige vrouw vd man] niet meer uren werken dan zij thans doet, aangezien [roepnaam mj huidige huwelijk vd man] extra zorg nodig heeft omdat bij haar selectief mutisme is gediagnosticeerd. Voorts heeft de vrouw de zorg over [kindY] en [kindZ].

3.8. Met betrekking tot het ontbreken van de draagkracht heeft de man bovendien aangevoerd dat er sprake is van schulden. In totaal lossen de man en [huidige vrouw vd man] een bedrag van € 463,– per maand af aan schulden. Ten eerste een schuld van € 15.000,– aan de heer [NN], welke schuld de man en [huidige vrouw vd man] zijn aangegaan in verband met noodzakelijke herinrichting, aflossing van overige (huwelijkse) schulden en de achterstand in alimentatieverplichtingen. De man en [huidige vrouw vd man] lossen daar € 200,– per maand op af. Daarnaast heeft de man samen met [huidige vrouw vd man] een schuld bij de Nederlandse Energie Maatschappij (het saldo bedroeg per 18 februari 2011 € 2.987,13), waar zij € 263,– per maand op dienen af te lossen.

3.9. Tenslotte voert de man aan dat door de vrouw te kennen is gegeven dat haar inkomen is gestegen, zodat zij, naar de mening van de man, meer dient bij te dragen aan de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Het verweer tegen het zelfstandig verzoek
3.10. De vrouw voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man en verzoekt het zelfstandig verzoek van de man niet ontvankelijk te verklaren danwel af te wijzen.

3.11. Met betrekking tot de behoefte van de kinderen voert de vrouw aan dat partijen destijds bij convenant een bijdrage van € 275,– per kind per maand zijn overeengekomen. Naar de mening van de vrouw dienen de kosten per maand per kind, rekening houdend met de indexering, gesteld te worden op een bedrag van € 313,– (2011) of € 317,07 (2012).

3.12. De vrouw stelt dat zij altijd alle kosten voor de kinderen heeft voldaan. De vrouw wijst daarbij op de hoge kosten voor de orthodontist voor beide kinderen, die slechts gedeeltelijk worden vergoed door de zorgverzekeraar. De vrouw is van mening dat genoemde kosten van de kinderen nog reëel zijn.

3.13. Met betrekking tot de draagkracht van de vrouw stelt zij dat zij is gaan werken omdat dit financieel noodzakelijk was. Toen [roepnaam minderjarige] bij de man is gaan wonen, heeft de vrouw nog diverse kosten voldaan, maar de man heeft zijn bijdrage destijds direct stopgezet. Hoewel [roepnaam minderjarige] inmiddels alweer geruime tijd bij de vrouw woont, voldoet de man echter geen enkele bijdrage voor [roepnaam minderjarige].

4. De beoordeling
Wijziging van omstandigheden
4.1. De vrouw heeft om de vaststelling van de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] verzocht van € 234,56 per maand. De man verzoekt om de kinderalimentatie voor zowel [roepnaam minderjarige] als [roepnaam minderjarige2] vast te stellen conform de werkelijke behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen. Beide partijen verzoeken wijziging van de respectievelijk bij beschikking van 14 februari 2007 en bij beschikking van 12 januari 2011 gewijzigde kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige2] en [roepnaam minderjarige].

4.2. Ingevolge artikel 401 eerste lid van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.3. In het licht van de beschikkingen van 14 februari 2007 en 12 januari 2011 dient beoordeeld te worden of er sprake is van een dergelijke wijziging van omstandigheden.
Ten aanzien van de bij beschikking van 12 januari 2011 op nihil gestelde kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] heeft de vrouw ter onderbouwing van de gewijzigde omstandigheid gesteld dat [roepnaam minderjarige] thans weer bij de vrouw woont. Dit is door de man niet betwist, zodat de vrouw wordt ontvangen in haar verzoek.
Ter onderbouwing van het zelfstandig verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie van beide kinderen, stelt hij onder meer dat de wijziging van omstandigheden gelegen is in een wijziging van het inkomen van de vrouw. De man heeft gesteld dat het inkomen van de vrouw is gestegen en dat zij pro rato naar draagkracht dient bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2].
Hieromtrent wordt overwogen dat op basis van de overgelegde stukken is komen vast te staan dat het huidige inkomen van de vrouw substantieel hoger is dan haar inkomen ten tijde van het wijzen van de beschikking in januari 2007. Uit de door de vrouw overgelegde belastingaangifte 2008 blijkt immers dat de totale inkomsten uit dienstbetrekking van de vrouw in 2008 € 10.517,– bedroegen, terwijl uit de overgelegde jaaropgave van de vrouw uit 2011 blijkt dat zij in 2011 een bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking had van € 20.493,–.
Nu vaststaat dat de vrouw meer is gaan verdienen, zal de man eveneens worden ontvangen in zijn verzoek. Gelet op deze wijziging van omstandigheden ziet de rechtbank voldoende aanleiding om tot herbeoordeling over te gaan. Hieronder zal de huidige behoefte van zowel [roepnaam minderjarige] als [roepnaam minderjarige2] worden besproken alsmede de financiële situatie (en daarmee de draagkracht) van de man en de vrouw.

De behoefte van de minderjarigen
4.4. Tussen partijen is de hoogte van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] in geschil. Partijen zijn in 2004 gescheiden. De hoogte van het netto gezinsinkomen is, tezamen met de leeftijd van het kind, bepalend voor de hoogte van de behoefte van het kind. Conform het ‘Rapport Alimentatienormen’ is voor vaststelling van de hoogte van de behoefte van belang de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk, tenzij het huidige inkomen van één van de ouders het voormalig netto gezinsinkomen overstijgt.

4.5. Op grond van de stukken is niet duidelijk geworden wat het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk precies betrof. Door de man is zijn verweerschrift onder punt 13. gesteld dat het gezamenlijke bruto maandinkomen van partijen destijds € 2.300,– bedroeg en dat de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] bestond uit een bedrag van € 226,- per kind per maand. In een aanvullend schrijven van de man, ter griffie ontvangen op 23 januari 2012, stelt de man echter dat vanwege het netto gezinsinkomen van € 1.500,–, ten aanzien van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] uitgegaan dient te worden van een behoefte van € 117,50 per kind. Ter onderbouwing van het bedrag van € 1.500,– heeft de man zijn loonstroken van 2004 overgelegd, waaruit blijkt dat de man destijds een netto inkomen van ongeveer € 1.500,– per maand (exclusief vakantiegeld) ontving. Onduidelijk is gebleven welk inkomen de vrouw destijds ontving. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is evenwel gebleken dat de vrouw thans een substantieel hoger inkomen verwerft dan in 2004. De rechtbank is van oordeel dat een verhoging van het totale (gezins)inkomen na de beëindiging van het huwelijk eveneens van invloed is op de hoogte van de behoefte van het kinderen; indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd, zou de verhoging immers ook een positieve invloed gehad hebben op het bedrag dat ten behoeve van de minderjarigen zou zijn uitgegeven gedurende het huwelijk. Derhalve acht de rechtbank het redelijk dat de hoogte van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] thans wordt vastgesteld op basis het huidige inkomen van de man en het huidige inkomen van de vrouw. De rechtbank hanteert de bruto methode, waarbij het besteedbaar inkomen zal worden verminderd met de door de werkgever vergoede inkomensafhankelijke bijdrage ZVW en zal geen rekening worden gehouden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente, van premie lijfrente en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Het inkomen van de man
4.6. De rechtbank gaat bij de berekening van het inkomen van de man uit van de volgende van belang zijnde financiële gegevens. De rechtbank zal de bedragen afronden op hele euro’s en de tarieven van 2011 tweede helft hanteren:
– het inkomen uit arbeid van de man wordt, uitgaande van de overgelegde jaaropgave 2011 van [werkgever man], berekend op een bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking van € 37.172,– per jaar;
– de bijdrage werkgever inkomensafhankelijke premie ZVW van in totaal € 2.591,– per jaar;
– de heffingskortingen (te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting);
– de inkomensheffing in box 1.

4.7. Met inachtneming van het voorgaande kan het netto inkomen van de man worden vastgesteld op € 26.805,– per jaar (€ 2.234,– per maand). Hierop wordt de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2.591,– per jaar (€ 216,– per maand) in mindering gebracht, zodat het inkomen € 24. 214,– per jaar (€ 2.018,– per maand) bedraagt.

Het inkomen van de vrouw
4.8. De rechtbank gaat bij de berekening van het inkomen van de vrouw uit van de volgende van belang zijnde financiële gegevens. De rechtbank zal de bedragen afronden op hele euro’s en de tarieven van 2011, tweede helft, hanteren:
– het inkomen uit arbeid van de vrouw wordt, uitgaande van de overgelegde jaaropgave 2011 van [werkgever vrouw], berekend op een bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking van € 20.493,– per jaar;
– de bijdrage werkgever inkomensafhankelijke premie ZVW van € 1.473,– per jaar;
– de heffingskortingen (te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting). Nu voor de berekening van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] wordt uitgegaan van het gezamenlijke inkomen van partijen zoals dit in een huwelijkssituatie zou zijn geweest, worden de alleenstaande ouderkorting en de combinatiekorting nog niet meegenomen in de berekening van het inkomen van de vrouw. Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zullen deze heffingskortingen wel worden meegenomen ter bepaling van haar aandeel van de kosten van de kinderen;
– de inkomensheffing in box 1.

4.9. Met inachtneming van het voorgaande kan het netto inkomen van de vrouw worden vastgesteld op € 17.124,– per jaar (€ 1.427,– per maand). Hierop wordt de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 1473,– per jaar (€ 123,– per maand) in mindering gebracht, zodat het inkomen € 15.651,– per jaar (€ 1.304,– per maand) bedraagt.

Het totale (gezins)inkomen
4.10. Het totale netto (gezins)inkomen bedraagt op grond van het voorgaande € 3.322,00 per maand. De rechtbank sluit voor de vaststelling van de hoogte van de behoefte van het kind aan bij het rapport ‘Kosten van Kinderen ten behoeve van vaststelling van kinderalimentatie’. Uitgaande van de CBS-Nibudtabel met betrekking tot het eigen aandeel in de kosten van de kinderen – rekening houdende met twee kinderen geboren in 1994 en 1998 (2 kinderbijslagpunten) en het netto inkomen van € 3.322,00 per maand – bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] € 719,00 per maand, dat wil zeggen € 359,50 per kind per maand.

De financiële omstandigheden van de man
4.11. Voor de financiële omstandigheden van de man wordt verwezen naar hetgeen in rechtsoverweging 4.6 en 4.7 is overwogen.

4.12. Het inkomen uit eigen woning en de hoogte van de woonlasten van de man zijn tussen partijen in geschil.

De man acht het redelijk indien zijn partner, [huidige vrouw vd man], voor 16 %, zijnde 1/6 deel, bijdraagt in de huisvestingskosten, nu haar inkomen 1/6 deel is van het gezamenlijk inkomen van de man en [huidige vrouw vd man]. De man heeft aangevoerd dat [huidige vrouw vd man] niet in staat is zelf in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien aangezien zij volgens de stukken in 2010 een bedrijfsresultaat had van € 7.631,12. Daarbij voert de man aan dat van [huidige vrouw vd man] niet gevergd kan worden dat zij meer uren gaat werken dan gemiddeld 2,5 dag per week, omdat zij de zorg heeft over [roepnaam mj huidige huwelijk vd man] en de twee jonge kinderen heeft uit haar eerdere relatie. Door de vrouw is betwist dat [huidige vrouw vd man] niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij voert aan dat de man niet heeft aangetoond dat [huidige vrouw vd man] extra zorgtaken heeft voor [roepnaam mj huidige huwelijk vd man].
De rechtbank overweegt hieromtrent dat sinds 1 maart 2009, de datum van inwerkingtreding van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding, in artikel 1: 400 BW een expliciete voorrang voor kinderalimentatie is opgenomen. In het geval dat de onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner dient rekening te worden gehouden met de helft van de totale woonlast, tenzij aangetoond wordt dat van de partner niet gevergd kan worden een zodanige bijdrage in deze woonlasten te leveren.
Gelet hierop wordt de echtgenote van de man geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Door de man zijn in de onderhavige procedure onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden vastgesteld dat [huidige vrouw vd man] vanwege haar (extra) zorgtaken voor [roepnaam mj huidige huwelijk vd man], [kindZ] en [kindY] niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Derhalve zal de helft van het eigenwoningforfait en de rente en kosten van de hypothecaire schuld in verband met de eigen woning aan [huidige vrouw vd man], de echtgenote van de man, worden toegerekend.

Voorts is de hoogte van de rente en kosten van de hypothecaire schuld in verband met de eigen woning van de man in geschil. Na de beschikking van 14 februari 2007 heeft de man per 26 oktober 2007 zijn hypotheek verhoogd met een bedrag van € 26.000,–. Ter terechtzitting heeft de man toegelicht dat deze verhoging van de hypotheek noodzakelijk was vanwege noodzakelijk vervanging van de keuken en de badkamer. Door de vrouw is de noodzaak van de verhoging van de hypotheek betwist. De rechtbank overweegt dat de man gezien zijn toenmalig reeds bestaande alimentatieverplichting onvoldoende heeft aangetoond dat hij genoodzaakt is geweest om de hypotheek ten koste van zijn draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie te verhogen. De rechtbank zal derhalve geen rekening houden met de verhoogde renteverplichting en kosten over de lening van € 26.000,–.

Het belastbare inkomen uit eigen woning van de man, waarbij de rechtbank uitgaat van een WOZ-waarde van € 204.000,– , bedraagt derhalve € 3.600,– per jaar negatief, zijnde de helft van het eigenwoningforfait van € 561,– verminderd met de helft van de jaarlijkse hypothecaire rentelast van € 4.161,–.

4.13. In de berekening zal de helft van het kindgebonden budget te weten € 638,– worden meegenomen, nu de man het bedrag tezamen met zijn huidige partner [huidige vrouw vd man] ontvangt voor hun dochter [roepnaam mj huidige huwelijk vd man].

4.14. Het besteedbaar inkomen van de man, na aftrek van de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, bedraagt € 26.364,– per jaar, ofwel
€ 2.197,– per maand.

De draagkracht van de man
4.15. Door de man is gesteld dat zijn draagkracht niet toereikend is om de door de vrouw verzochte kinderalimentatie te betalen.

4.16. De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de man de navolgende maandelijkse lasten op zijn besteedbaar inkomen in mindering:
– het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 924,–;
– de woonkosten van € 245,–, bestaande uit de helft van de hypotheekrente van € 347,– en de helft van de premie voor de voor de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering van € 60,– en de helft van het forfait eigenaarslasten van € 48,–, op welke bedragen de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 210,– in mindering strekt;
– de ziektekosten van in totaal € 61,– bestaande uit premie Zorgkostenverzekeringswet
van € 128,– en de premie aanvullende ziektekostenverzekering van € 30,– , verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 45,– en de zorgtoeslag van € 52,–. Door de man is met betrekking tot het eigen risico van de ziektekosten onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hij het eigen risico heeft gerealiseerd zodat het bedrag niet wordt meegenomen in de draagkrachtberekening;
– kosten omgangsregeling € 80,–.

4.17. De rechtbank houdt geen rekening met de premiebetaling van € 50,– voor de polis
van de levensverzekering van [huidige vrouw vd man], aangezien de betaling van deze polis, die als vermogensvormend moet worden beschouwd, niet prevaleert boven de bijdrage voor de kinderen.

4.18. Met betrekking tot de door hem opgevoerde schulden heeft de man ter terechtzitting verklaard dat de man de schuld bij de Nederlandse Energie Maatschappij vanwege de energieachterstand, waarvoor hij € 263,– per maand betaalde, volledig heeft afgelost. Door de man is derhalve verzocht om enkel rekening te houden met de schuld van de man van € 15.000,– aan de heer [NN], waarop de man € 200,– per maand op aflost.
Hieromtrent overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie met schulden die zijn aangegaan ná het tot stand komen van de alimentatieverplichting rekening wordt gehouden, tenzij het aangaan van deze schulden onnodig was dan wel anderszins onredelijk is jegens de alimentatiegerechtigde.
Met betrekking tot de lening die de man bij de heer Jongman is aangegaan, is aangevoerd dat dit is gedaan in verband met noodzakelijke herinrichting, aflossing van overige (huwelijkse) schulden en de achterstand in alimentatieverplichtingen. Met betrekking tot de herinrichtingskosten is in de beschikking van 14 februari 2007 onder punt 4.21 reeds overwogen dat de man na de verdeling van de huwelijksgemeenschap een bedrag van
€ 11.000,– heeft ontvangen, zodat de noodzaak tot het aangaan van een lening ten behoeve van de herinrichting niet is aangetoond. Dat het aangaan van de lening noodzakelijk was vanwege een achterstand in alimentatieverplichtingen en overige huwelijkse schulden is onvoldoende aangetoond, zodat mede gezien de prioriteit van de verplichting tot kinderalimentatie, geen rekening wordt gehouden met deze opgevoerde last.

4.19. Tenslotte wordt er geen rekening gehouden met de € 13,– per maand die de man voor [huidige vrouw vd man] aan de belastingdienst betaalt, nu niet is onderbouwd op grond waarvan de man deze betaling verricht en dat deze dient te prevaleren ten opzichte van de geldende verplichting tot kinderalimentatie.

4.20. Gelet op het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 887,– per maand. Hiervan is 70 % beschikbaar voor kinderalimentatie, te weten € 621,–. De draagkracht van de man dient vervolgens te worden verdeeld over drie kinderen, namelijk [roepnaam minderjarige], [roepnaam minderjarige2] en [roepnaam mj huidige huwelijk vd man]. Door de man is aangevoerd dat zijn draagkracht tevens over de helft van de behoefte van [kindZ] en [kindY] dient te worden verdeeld. Hieromtrent wordt overwogen dat de man onvoldoende gegevens heeft verstrekt ten aanzien van de kosten van [kindZ] en [kindY] en ten aanzien van de hoogte van de bijdrage die hierin door de ex-partner van [huidige vrouw vd man] wordt geleverd. De draagkracht van de man wordt derhalve verdeeld over drie kinderen, waarvan na aftrek van het deel van [roepnaam mj huidige huwelijk vd man], ten behoeve van de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2], rekening houdend met het fiscaal voordeel van € 116,–, een bedrag resteert van € 530,– in totaal.

De financiële omstandigheden van de vrouw
4.21. Voor de financiële omstandigheden van de vrouw wordt verwezen naar hetgeen in rechtsoverweging 4.8 en 4.9 is overwogen.

4.22. Het belastbare inkomen uit eigen woning van de vrouw, bedraagt € 2.811,– per jaar negatief, zijnde het eigenwoningforfait van € 924,– verminderd met de jaarlijkse hypothecaire rentelast van € 3.735,– .

4.23. Voor de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank voorts rekening met de navolgende fiscale aspecten:
– de alleenstaande ouderkorting;
– combinatiekorting.

4.24. Het kindgebonden budget waarvoor de vrouw in aanmerking komt, bedraagt
€ 1.993,– op jaarbasis.

De draagkracht van de vrouw
4.25. Ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de vrouw worden de navolgende maandelijkse lasten op haar besteedbaar inkomen in mindering gebracht:
– het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 924,–;
– de woonkosten van € 196,–, bestaande uit de hypotheekrente van € 311,– en het forfait eigenaarslasten (€ 95,–), op welke bedragen de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 210,– in mindering strekt;
– de ziektekosten van in totaal € 91,–, bestaande uit premie Zorgkostenverzekeringswet
(€ 136,–) verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 45,–. Door de vrouw is met betrekking tot het eigen risico van de ziektekosten onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij het eigen risico heeft gerealiseerd zodat het bedrag niet wordt meegenomen in de draagkrachtberekening.

4.26. Gelet op het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de vrouw € 540,– per maand. Hiervan is 70 % beschikbaar voor kinderalimentatie, te weten € 378,–.

Draagkrachtvergelijking
4.27. Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank de totale draagkracht van de vrouw en de man op € 908,– (€ 378,– aan de zijde van de vrouw en € 530,–, aan de zijde van de man, rekening houdende met het fiscaal voordeel voor de man wegens het betalen van een onderhoudsbijdrage van € 116,–)

4.28. De verdeling van de kosten van de kinderen over beide ouders kan berekend worden volgens de formule: Ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het deel van de man bedraagt: 530/908 x 791= € 462,–
Het deel van de vrouw bedraagt: 378/908 x 791= € 329,–

4.29. Gelet op de hiervoor vermelde financiële gegevens dient de man aan de vrouw ten behoeve van de minderjarigen een totale bijdrage te betalen van € 462,– per maand.
Derhalve zal aan de man een onderhoudsverplichting worden opgelegd van € 231,– per kind per maand.

4.30. Op de kinderalimentatie is de wettelijke indexering van toepassing.

Ingangsdatum
4.31. In geschil is de datum waarop de alimentatieverplichting van de man dient te worden gewijzigd. De vrouw verzoekt als ingangsdatum 1 april 2011 te hanteren. De man betwist deze ingangsdatum en verzoekt van de datum van deze beschikking, danwel van het inleidend verzoekschrift, uit te gaan.

4.32. De rechtbank ziet geen aanleiding om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht per 1 april 2011 te wijzigen. De rechtbank acht het in onderhavige zaak redelijk om de verplichting te wijzigen met ingang van 1 augustus 2011, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift. Partijen hebben met ingang van die datum rekening kunnen houden met een eventuele wijziging in de door de man te betalen alimentatie.

Proceskosten
4.33. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank:
5.1. wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2011 aan de man ten
behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op 30 november 1994 te
Dordrecht, op nihil gestelde alimentatiebijdrage;

5.2. wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2007 aan de man ten
behoeve van de minderjarige [minderjarige2], geboren op [geboortedatum+plaats minderjarige2], opgelegde alimentatiebijdrage;

5.3. bepaalt de door de man aan de vrouw ten behoeve van de hiervoor genoemde
minderjarigen te betalen alimentatie met ingang van 1 augustus 2011 op € 231,– (tweehonderdéénendertig euro) per kind per maand;

5.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

5.6. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M.J. Janssen, rechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 20 juni 2012.

Share

Beëindiging partneralimentatie; verlenging termijn.

Bron en volledige beschikking: LJN: BX2402, Gerechtshof Arnhem , 200.095.877

Partijen zijn op 30 juni 1978 met elkaar gehuwd. De rechtbank `s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 16 juli 1999 echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 13 augustus 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ƒ 3.050,- per maand zal voldoen, met inachtneming van hetgeen partijen zijn overeengekomen in het echtscheidingsconvenant. Daarin is overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 1999, na levering van de echtelijke woning aan een derde, een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van f 5.750,- bruto per maand. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 3.502,93 per maand.

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 9 maart 2011, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud te verlengen van 13 augustus 2011 tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man. Daarbij stelt de vrouw voor dat, ter overbrugging tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man, de alimentatie jaarlijks met € 1.200,- wordt verminderd met ingang van [geboortedatum] 2011 en dat de door haar ontvangen uitkeringen (flexpensioen, AOW, ouderdomspensioen) in mindering worden gebracht op de door de man verschuldigde alimentatie.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen.

Het hof overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, LJN BF3928, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:
– in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat   redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;
– de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;
– de verwachting van partijen toen zij huwden;
– de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de terugval in inkomen van de vrouw na ommekomst van de twaalf jaren termijn ingrijpend is, aangezien zij na afloop van die termijn zal zijn aangewezen op een uitkering op bijstandsniveau. Net als de rechtbank zal het hof hiervan uitgaan.

Nu uit het voorgaande volgt dat de beëindiging van de onderhoudsverplichting ingrijpend is, dient het hof te bezien of de vrouw bijzondere omstandigheden stelt en aantoont, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van 12 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhoor ter mondelinge behandeling is het volgende gebleken. De vrouw heeft een Havo en assurantie B diploma. Daarnaast heeft zij een opleiding tot medisch secretaresse gevolgd. In de periode van 1972 tot 1978 heeft zij achtereenvolgens bij de Amro-bank en als medisch secretaresse gewerkt. Na het huwelijk van partijen in 1978 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam A] en heeft de vrouw tot 1980 voor het Ministerie van Economische Zaken gewerkt. Na de geboorte van de kinderen in 1980 en 1981 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam B]. De vrouw heeft van 1984 tot 1990 gedurende 15 uur per week gewerkt bij een financieel adviesbureau. In 1990 zijn partijen verhuisd naar [woonplaats vrouw]. Sedertdien heeft de vrouw niet meer gewerkt. In 1993 is de buurman van partijen vermoord. In 1998 zijn partijen gescheiden gaan wonen. Na de echtscheiding in 1999 is de vrouw verhuisd naar een eigen woning. De kinderen zijn in 1997 en 2000 op zichzelf gaan wonen. De vrouw heeft een drankprobleem en heeft in de periode 1997-2001 hele perioden niet bewust meegemaakt. Zij is in 2001/2002 gedurende zeven weken opgenomen geweest op een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Tevens is zij in die periode korte tijd opgenomen geweest in de crisisopvang en wegens een kniebreuk. Vanwege het drankprobleem heeft de vrouw in 2003 gespecialiseerde thuiszorg ter ondersteuning en begeleiding gekregen. Bij de vrouw is voorts de diagnose COPD gesteld. In 2007 is aan de vrouw een WMO-indicatie voor thuishulp verleend.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw verlengen en wel met ingang van 13 augustus 2011 tot [geboortedatum] 2019 als de vrouw 65 jaar wordt. Daarbij zal het hof bepalen dat deze termijn na ommekomst niet opnieuw kan worden verlengd. Het hof neemt daarbij in aanmerking de duur van de periode gedurende welke de man, na ommekomst van deze termijn, te weten 20 jaar, aan deze alimentatieverplichting zal hebben voldaan, tegenover de duur van het huwelijk, te weten 21 jaar, alsmede de mate waarin de behoefte van de vrouw aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk. Anders dan de vrouw acht het hof voor deze periode een bijdrage van € 2.250,- bruto per maand, met uitsluiting van de wettelijke indexering, mede gezien haar lasten, in overeenstemming met haar huidige behoefte. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking het feit dat de man niet heeft gesteld dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

Share