De wet hervorming kindregelingen (33716) en rapport alimentatienormen

Op 24 juni heeft de Eerste Kamer de wet hervorming kindregelingen (WHK) aangenomen. Doel van de wet is het beperken van het aantal kindregelingen en dat heeft gevolgen voor het berekenen van (kinder)alimentatie. Als de wet op 1 januari 2015 in werking treedt, vervallen de alleenstaande oudertoeslag in de bijstand, de alleenstaande ouderkorting en het fiscaal voordeel bij het betalen van kinderalimentatie (LOK). Het kindgebonden budget wordt verhoogd en de zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’ wordt ingevoerd.
Bij de bespreking van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de minister op vragen, onder meer, geantwoord:
“De afschaffing van de LOK werkt door in de berekening van het alimentatiebedrag. De draagkracht van de alimentatieplichtige wordt hierdoor namelijk lager, terwijl het alimentatiebedrag ongewijzigd blijft. Dat heeft als gevolg dat het bedrag zwaarder drukt op het inkomen van de alimentatieplichtige dan nu het geval is. In dat geval is het logisch dat de alimentatieplichtige een herziening van het alimentatiebedrag kan aanvragen. “
en:
“Indien door zowel de kinderbijslag als het kindgebonden budget in de behoefte van het kind wordt voorzien, is er geen aanspraak op kinderalimentatie. Dat zal niet voor alle kinderen opgaan. De behoefte van het kind kan immers groter zijn dan hetgeen via het stelsel van kindregelingen wordt ontvangen. Dan kan er ook in de toekomst sprake zijn van zo’n verplichting.”
Het wetsvoorstel hervorming kindregelingen is zonder nadere vragen van kamerleden of toezeggingen van de minister op deze punten op 24 juni 2014 aangenomen.
Conform de bij de parlementaire behandeling aanvaarde uitleg van de Minister betekent een verhoging van het kindgebonden budget met een alleenstaande ouderkop derhalve een verlaging van resterende behoefte van het kind. Bij de parlementaire behandeling zijn de consequenties van de WHK door de wetgever onder ogen gezien en aanvaard. Vanwege de gevolgen voor enerzijds de behoefte van de kinderen en anderzijds de draagkracht van de alimentatieplichtige ouder(s), ziet de Expertgroep aanleiding om de aanbeveling op dit punt aan te passen aan deze uitleg van de wetgever.
Onder 3.1 onder b (in de huidige versie van het rapport op pagina 7) zal worden opgenomen:
Met ingang van 1 januari 2015 komen alleenstaande ouders die in aanmerking komen voor een kindgebonden budget ook in aanmerking voor een verhoging van dit kindgebonden budget met maximaal € 3.050,00 (voor 2015). Deze verhoging wordt de alleenstaande ouderkop genoemd. De expertgroep beveelt aan om dit totale kindgebonden budget in mindering te doen strekken op het gevonden tabelbedrag. Dit kan er in een aantal gevallen toe leiden dat er geen behoefte meer resteert waarin de ouders moeten voorzien. In een dergelijk geval is er dus geen aanleiding voor het opleggen van een onderhoudsbijdrage ten laste van de andere, niet-verzorgende ouder.
Daarnaast concludeert de Expertgroep dat het wijzigen van fiscale wetgeving een wijziging van regelgeving is die van invloed kan zijn op de wettelijke maatstaven en dus aanleiding kan geven tot herbeoordeling van eerder overeengekomen of vastgestelde bijdragen.
De Expertgroep zal verder een aantal, vooral redactionele wijzigingen aanbrengen in het rapport. In verband met de beschikbaarheid van alle relevante (fiscale) cijfers voor 2015 zal het definitieve rapport, versie 2015-1 naar verwachting in de tweede helft van december 2014 worden gepubliceerd.
Share

Maatstaf vaststellen behoefte bij wijziging kinderalimentatie.

Bron: LJN: BX1683, Rechtbank Dordrecht 2o juni 2012, 94281 / FA RK 11-8419

Uitspraak
RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 94281 / FA RK 11-8419

beschikking van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2012

in de zaak van

[vrouw],
wonende te [adres vrouw],
verzoekster tevens verweerster,
advocaat mr. A. Harent,

tegen

[man],
wonende te [adres man],
verzoeker tevens verweerder,
advocaat mr. M.R. Dill.

Partijen worden hieronder aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

1. Het procesverloop
1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:
– het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 augustus 2011;
– het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2011;
– het verweerschrift van de vrouw tegen het zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 9 december 2011;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 18 januari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 23 januari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen ter griffie op 25 januari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 27 januari 2012.

1.2. De rechtbank heeft naar de mening gevraagd van de minderjarige [minderjarige].

1.3. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 februari 2012.

1.4. Ter terechtzitting zijn verschenen:
– de man, bijgestaan door zijn advocaat;
– de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, die een pleitnotitie heeft overgelegd.

1.5. Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank nog kennis genomen van de volgende processtukken:
– het faxbericht met bijlage van de vrouw, ingekomen ter griffie op 14 februari 2012;
– de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen ter griffie op 16 februari 2012;
– het faxbericht van de vrouw, ingekomen ter griffie op 23 februari 2012.

2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1. Partijen zijn op 26 september 1991 te Dordrecht met elkaar gehuwd.

2.2. Uit hun huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarigen:
[minderjarige] op [geboortedatum+plaats minderjarige] (hierna: [roepnaam minderjarige]);
[minderjarige2] op [geboortedatum+plaats minderjarige2] (hierna: [roepnaam minderjarige2]).

2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 15 september 2004 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is verder onder meer bepaald dat de man ten behoeve van de voornoemde minderjarigen een alimentatie zal betalen van € 275,– per kind per maand.

2.4. De echtscheidingsbeschikking is op 5 oktober 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.5. Bij een daaropvolgende beschikking van deze rechtbank van 14 september 2007 is de door de man te betalen kinderalimentatie aan de vrouw voor [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] met ingang van 1 januari 2007 verlaagd tot € 214,– per kind per maand.

2.6. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2011 is vervolgens bepaald dat [roepnaam minderjarige] haar woonplaats heeft bij de man en [roepnaam minderjarige2] zijn woonplaats bij de vrouw. Daarbij is de door de man te betalen kinderalimentatie aan de vrouw voor [roepnaam minderjarige] met ingang van 1 april 2010 op nihil gesteld.

2.7. Krachtens wettelijke indexering is de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige2] met ingang van 1 januari 2012 verhoogd tot € 234,56 per maand.

3. Het verzoek en het verweer
Het verzoek
3.1. De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man ten behoeve van de minderjarige [roepnaam minderjarige] een kinderalimentatie van € 234,56 per maand dient te voldoen, met ingang van 1 april 2011, althans vanaf een door de rechtbank redelijk geachte datum.

3.2. De vrouw stelt daartoe dat [roepnaam minderjarige] sinds 20 maart 2011 weer definitief woonachtig is bij de vrouw. De vrouw is van mening dat de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige], zoals die eerder was vastgesteld in de beschikking van 14 februari 2007 (geïndexeerd naar een bedrag van € 234,56 per maand), met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2011, weer door de man aan de vrouw dient te worden voldaan.

Het verweer en het zelfstandig verzoek
3.3. De man voert verweer en verzoekt de rechtbank het verzoek van de vrouw af te wijzen en uitvoerbaar bij voorraad in goede justitie een nieuw bedrag aan kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de daadwerkelijke behoefte van [roepnaam minderjarige] en draagkracht van partijen.

3.4. Bij wege van een zelfstandig verzoek verzoekt de man, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de kinderalimentatie voor de beide kinderen wordt vastgesteld conform de daadwerkelijke behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen.

3.5. Door de man wordt de hoogte van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] betwist. De man voert aan dat deze lager is dan de behoefte die blijkt in het verzoekschrift, omdat het gezamenlijk bruto maandinkomen ten tijde van het huwelijk van partijen € 2.300,– bedroeg.

3.6. Daarnaast voert de man aan dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de bij beschikking van 14 september 2007 gewijzigde kinderalimentatie te voldoen.
De man voert daartoe aan dat hij naast [roepnaam minderjarige2] en [roepnaam minderjarige] nog drie minderjarige kinderen dient te onderhouden. Nadat de man is getrouwd met zijn huidige vrouw, mevrouw [huidige vrouw vd man], hebben zij samen een kind heeft gekregen, te weten [minderjarige uit huidige huwelijk vd man]. De man stelt dat de behoefte van [roepnaam mj huidige huwelijk vd man] kan worden vastgesteld op € 348,–. Daarnaast heeft de man, vanwege zijn huwelijk met [huidige vrouw vd man], tevens een onderhoudsverplichting naar twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie van [huidige vrouw vd man], te weten [kindY] en [kindZ]. Tussen [huidige vrouw vd man] en haar ex-partner, de [ex-partner huidige vrouw vd man], geldt een co-ouderschap over [kindY] en [kindZ] en de behoefte van [kindY] en [kindZ] kan volgens de man worden gesteld op een bedrag van € 127,50 per kind per maand.

3.7. Voorts voert de man met betrekking tot zijn draagkracht aan dat [huidige vrouw vd man] niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De inkomsten uit haar eigen kappersbedrijf zijn te gering. Hierdoor kan [huidige vrouw vd man] slechts pro rato bijdragen aan de kosten van huisvesting, aldus de man. Daarbij kan [huidige vrouw vd man] niet meer uren werken dan zij thans doet, aangezien [roepnaam mj huidige huwelijk vd man] extra zorg nodig heeft omdat bij haar selectief mutisme is gediagnosticeerd. Voorts heeft de vrouw de zorg over [kindY] en [kindZ].

3.8. Met betrekking tot het ontbreken van de draagkracht heeft de man bovendien aangevoerd dat er sprake is van schulden. In totaal lossen de man en [huidige vrouw vd man] een bedrag van € 463,– per maand af aan schulden. Ten eerste een schuld van € 15.000,– aan de heer [NN], welke schuld de man en [huidige vrouw vd man] zijn aangegaan in verband met noodzakelijke herinrichting, aflossing van overige (huwelijkse) schulden en de achterstand in alimentatieverplichtingen. De man en [huidige vrouw vd man] lossen daar € 200,– per maand op af. Daarnaast heeft de man samen met [huidige vrouw vd man] een schuld bij de Nederlandse Energie Maatschappij (het saldo bedroeg per 18 februari 2011 € 2.987,13), waar zij € 263,– per maand op dienen af te lossen.

3.9. Tenslotte voert de man aan dat door de vrouw te kennen is gegeven dat haar inkomen is gestegen, zodat zij, naar de mening van de man, meer dient bij te dragen aan de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Het verweer tegen het zelfstandig verzoek
3.10. De vrouw voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man en verzoekt het zelfstandig verzoek van de man niet ontvankelijk te verklaren danwel af te wijzen.

3.11. Met betrekking tot de behoefte van de kinderen voert de vrouw aan dat partijen destijds bij convenant een bijdrage van € 275,– per kind per maand zijn overeengekomen. Naar de mening van de vrouw dienen de kosten per maand per kind, rekening houdend met de indexering, gesteld te worden op een bedrag van € 313,– (2011) of € 317,07 (2012).

3.12. De vrouw stelt dat zij altijd alle kosten voor de kinderen heeft voldaan. De vrouw wijst daarbij op de hoge kosten voor de orthodontist voor beide kinderen, die slechts gedeeltelijk worden vergoed door de zorgverzekeraar. De vrouw is van mening dat genoemde kosten van de kinderen nog reëel zijn.

3.13. Met betrekking tot de draagkracht van de vrouw stelt zij dat zij is gaan werken omdat dit financieel noodzakelijk was. Toen [roepnaam minderjarige] bij de man is gaan wonen, heeft de vrouw nog diverse kosten voldaan, maar de man heeft zijn bijdrage destijds direct stopgezet. Hoewel [roepnaam minderjarige] inmiddels alweer geruime tijd bij de vrouw woont, voldoet de man echter geen enkele bijdrage voor [roepnaam minderjarige].

4. De beoordeling
Wijziging van omstandigheden
4.1. De vrouw heeft om de vaststelling van de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] verzocht van € 234,56 per maand. De man verzoekt om de kinderalimentatie voor zowel [roepnaam minderjarige] als [roepnaam minderjarige2] vast te stellen conform de werkelijke behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen. Beide partijen verzoeken wijziging van de respectievelijk bij beschikking van 14 februari 2007 en bij beschikking van 12 januari 2011 gewijzigde kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige2] en [roepnaam minderjarige].

4.2. Ingevolge artikel 401 eerste lid van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.3. In het licht van de beschikkingen van 14 februari 2007 en 12 januari 2011 dient beoordeeld te worden of er sprake is van een dergelijke wijziging van omstandigheden.
Ten aanzien van de bij beschikking van 12 januari 2011 op nihil gestelde kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] heeft de vrouw ter onderbouwing van de gewijzigde omstandigheid gesteld dat [roepnaam minderjarige] thans weer bij de vrouw woont. Dit is door de man niet betwist, zodat de vrouw wordt ontvangen in haar verzoek.
Ter onderbouwing van het zelfstandig verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie van beide kinderen, stelt hij onder meer dat de wijziging van omstandigheden gelegen is in een wijziging van het inkomen van de vrouw. De man heeft gesteld dat het inkomen van de vrouw is gestegen en dat zij pro rato naar draagkracht dient bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2].
Hieromtrent wordt overwogen dat op basis van de overgelegde stukken is komen vast te staan dat het huidige inkomen van de vrouw substantieel hoger is dan haar inkomen ten tijde van het wijzen van de beschikking in januari 2007. Uit de door de vrouw overgelegde belastingaangifte 2008 blijkt immers dat de totale inkomsten uit dienstbetrekking van de vrouw in 2008 € 10.517,– bedroegen, terwijl uit de overgelegde jaaropgave van de vrouw uit 2011 blijkt dat zij in 2011 een bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking had van € 20.493,–.
Nu vaststaat dat de vrouw meer is gaan verdienen, zal de man eveneens worden ontvangen in zijn verzoek. Gelet op deze wijziging van omstandigheden ziet de rechtbank voldoende aanleiding om tot herbeoordeling over te gaan. Hieronder zal de huidige behoefte van zowel [roepnaam minderjarige] als [roepnaam minderjarige2] worden besproken alsmede de financiële situatie (en daarmee de draagkracht) van de man en de vrouw.

De behoefte van de minderjarigen
4.4. Tussen partijen is de hoogte van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] in geschil. Partijen zijn in 2004 gescheiden. De hoogte van het netto gezinsinkomen is, tezamen met de leeftijd van het kind, bepalend voor de hoogte van de behoefte van het kind. Conform het ‘Rapport Alimentatienormen’ is voor vaststelling van de hoogte van de behoefte van belang de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk, tenzij het huidige inkomen van één van de ouders het voormalig netto gezinsinkomen overstijgt.

4.5. Op grond van de stukken is niet duidelijk geworden wat het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk precies betrof. Door de man is zijn verweerschrift onder punt 13. gesteld dat het gezamenlijke bruto maandinkomen van partijen destijds € 2.300,– bedroeg en dat de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] bestond uit een bedrag van € 226,- per kind per maand. In een aanvullend schrijven van de man, ter griffie ontvangen op 23 januari 2012, stelt de man echter dat vanwege het netto gezinsinkomen van € 1.500,–, ten aanzien van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] uitgegaan dient te worden van een behoefte van € 117,50 per kind. Ter onderbouwing van het bedrag van € 1.500,– heeft de man zijn loonstroken van 2004 overgelegd, waaruit blijkt dat de man destijds een netto inkomen van ongeveer € 1.500,– per maand (exclusief vakantiegeld) ontving. Onduidelijk is gebleven welk inkomen de vrouw destijds ontving. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is evenwel gebleken dat de vrouw thans een substantieel hoger inkomen verwerft dan in 2004. De rechtbank is van oordeel dat een verhoging van het totale (gezins)inkomen na de beëindiging van het huwelijk eveneens van invloed is op de hoogte van de behoefte van het kinderen; indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd, zou de verhoging immers ook een positieve invloed gehad hebben op het bedrag dat ten behoeve van de minderjarigen zou zijn uitgegeven gedurende het huwelijk. Derhalve acht de rechtbank het redelijk dat de hoogte van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] thans wordt vastgesteld op basis het huidige inkomen van de man en het huidige inkomen van de vrouw. De rechtbank hanteert de bruto methode, waarbij het besteedbaar inkomen zal worden verminderd met de door de werkgever vergoede inkomensafhankelijke bijdrage ZVW en zal geen rekening worden gehouden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente, van premie lijfrente en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Het inkomen van de man
4.6. De rechtbank gaat bij de berekening van het inkomen van de man uit van de volgende van belang zijnde financiële gegevens. De rechtbank zal de bedragen afronden op hele euro’s en de tarieven van 2011 tweede helft hanteren:
– het inkomen uit arbeid van de man wordt, uitgaande van de overgelegde jaaropgave 2011 van [werkgever man], berekend op een bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking van € 37.172,– per jaar;
– de bijdrage werkgever inkomensafhankelijke premie ZVW van in totaal € 2.591,– per jaar;
– de heffingskortingen (te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting);
– de inkomensheffing in box 1.

4.7. Met inachtneming van het voorgaande kan het netto inkomen van de man worden vastgesteld op € 26.805,– per jaar (€ 2.234,– per maand). Hierop wordt de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2.591,– per jaar (€ 216,– per maand) in mindering gebracht, zodat het inkomen € 24. 214,– per jaar (€ 2.018,– per maand) bedraagt.

Het inkomen van de vrouw
4.8. De rechtbank gaat bij de berekening van het inkomen van de vrouw uit van de volgende van belang zijnde financiële gegevens. De rechtbank zal de bedragen afronden op hele euro’s en de tarieven van 2011, tweede helft, hanteren:
– het inkomen uit arbeid van de vrouw wordt, uitgaande van de overgelegde jaaropgave 2011 van [werkgever vrouw], berekend op een bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking van € 20.493,– per jaar;
– de bijdrage werkgever inkomensafhankelijke premie ZVW van € 1.473,– per jaar;
– de heffingskortingen (te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting). Nu voor de berekening van de behoefte van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] wordt uitgegaan van het gezamenlijke inkomen van partijen zoals dit in een huwelijkssituatie zou zijn geweest, worden de alleenstaande ouderkorting en de combinatiekorting nog niet meegenomen in de berekening van het inkomen van de vrouw. Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zullen deze heffingskortingen wel worden meegenomen ter bepaling van haar aandeel van de kosten van de kinderen;
– de inkomensheffing in box 1.

4.9. Met inachtneming van het voorgaande kan het netto inkomen van de vrouw worden vastgesteld op € 17.124,– per jaar (€ 1.427,– per maand). Hierop wordt de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 1473,– per jaar (€ 123,– per maand) in mindering gebracht, zodat het inkomen € 15.651,– per jaar (€ 1.304,– per maand) bedraagt.

Het totale (gezins)inkomen
4.10. Het totale netto (gezins)inkomen bedraagt op grond van het voorgaande € 3.322,00 per maand. De rechtbank sluit voor de vaststelling van de hoogte van de behoefte van het kind aan bij het rapport ‘Kosten van Kinderen ten behoeve van vaststelling van kinderalimentatie’. Uitgaande van de CBS-Nibudtabel met betrekking tot het eigen aandeel in de kosten van de kinderen – rekening houdende met twee kinderen geboren in 1994 en 1998 (2 kinderbijslagpunten) en het netto inkomen van € 3.322,00 per maand – bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2] € 719,00 per maand, dat wil zeggen € 359,50 per kind per maand.

De financiële omstandigheden van de man
4.11. Voor de financiële omstandigheden van de man wordt verwezen naar hetgeen in rechtsoverweging 4.6 en 4.7 is overwogen.

4.12. Het inkomen uit eigen woning en de hoogte van de woonlasten van de man zijn tussen partijen in geschil.

De man acht het redelijk indien zijn partner, [huidige vrouw vd man], voor 16 %, zijnde 1/6 deel, bijdraagt in de huisvestingskosten, nu haar inkomen 1/6 deel is van het gezamenlijk inkomen van de man en [huidige vrouw vd man]. De man heeft aangevoerd dat [huidige vrouw vd man] niet in staat is zelf in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien aangezien zij volgens de stukken in 2010 een bedrijfsresultaat had van € 7.631,12. Daarbij voert de man aan dat van [huidige vrouw vd man] niet gevergd kan worden dat zij meer uren gaat werken dan gemiddeld 2,5 dag per week, omdat zij de zorg heeft over [roepnaam mj huidige huwelijk vd man] en de twee jonge kinderen heeft uit haar eerdere relatie. Door de vrouw is betwist dat [huidige vrouw vd man] niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij voert aan dat de man niet heeft aangetoond dat [huidige vrouw vd man] extra zorgtaken heeft voor [roepnaam mj huidige huwelijk vd man].
De rechtbank overweegt hieromtrent dat sinds 1 maart 2009, de datum van inwerkingtreding van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding, in artikel 1: 400 BW een expliciete voorrang voor kinderalimentatie is opgenomen. In het geval dat de onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner dient rekening te worden gehouden met de helft van de totale woonlast, tenzij aangetoond wordt dat van de partner niet gevergd kan worden een zodanige bijdrage in deze woonlasten te leveren.
Gelet hierop wordt de echtgenote van de man geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Door de man zijn in de onderhavige procedure onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden vastgesteld dat [huidige vrouw vd man] vanwege haar (extra) zorgtaken voor [roepnaam mj huidige huwelijk vd man], [kindZ] en [kindY] niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Derhalve zal de helft van het eigenwoningforfait en de rente en kosten van de hypothecaire schuld in verband met de eigen woning aan [huidige vrouw vd man], de echtgenote van de man, worden toegerekend.

Voorts is de hoogte van de rente en kosten van de hypothecaire schuld in verband met de eigen woning van de man in geschil. Na de beschikking van 14 februari 2007 heeft de man per 26 oktober 2007 zijn hypotheek verhoogd met een bedrag van € 26.000,–. Ter terechtzitting heeft de man toegelicht dat deze verhoging van de hypotheek noodzakelijk was vanwege noodzakelijk vervanging van de keuken en de badkamer. Door de vrouw is de noodzaak van de verhoging van de hypotheek betwist. De rechtbank overweegt dat de man gezien zijn toenmalig reeds bestaande alimentatieverplichting onvoldoende heeft aangetoond dat hij genoodzaakt is geweest om de hypotheek ten koste van zijn draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie te verhogen. De rechtbank zal derhalve geen rekening houden met de verhoogde renteverplichting en kosten over de lening van € 26.000,–.

Het belastbare inkomen uit eigen woning van de man, waarbij de rechtbank uitgaat van een WOZ-waarde van € 204.000,– , bedraagt derhalve € 3.600,– per jaar negatief, zijnde de helft van het eigenwoningforfait van € 561,– verminderd met de helft van de jaarlijkse hypothecaire rentelast van € 4.161,–.

4.13. In de berekening zal de helft van het kindgebonden budget te weten € 638,– worden meegenomen, nu de man het bedrag tezamen met zijn huidige partner [huidige vrouw vd man] ontvangt voor hun dochter [roepnaam mj huidige huwelijk vd man].

4.14. Het besteedbaar inkomen van de man, na aftrek van de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, bedraagt € 26.364,– per jaar, ofwel
€ 2.197,– per maand.

De draagkracht van de man
4.15. Door de man is gesteld dat zijn draagkracht niet toereikend is om de door de vrouw verzochte kinderalimentatie te betalen.

4.16. De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de man de navolgende maandelijkse lasten op zijn besteedbaar inkomen in mindering:
– het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 924,–;
– de woonkosten van € 245,–, bestaande uit de helft van de hypotheekrente van € 347,– en de helft van de premie voor de voor de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering van € 60,– en de helft van het forfait eigenaarslasten van € 48,–, op welke bedragen de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 210,– in mindering strekt;
– de ziektekosten van in totaal € 61,– bestaande uit premie Zorgkostenverzekeringswet
van € 128,– en de premie aanvullende ziektekostenverzekering van € 30,– , verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 45,– en de zorgtoeslag van € 52,–. Door de man is met betrekking tot het eigen risico van de ziektekosten onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hij het eigen risico heeft gerealiseerd zodat het bedrag niet wordt meegenomen in de draagkrachtberekening;
– kosten omgangsregeling € 80,–.

4.17. De rechtbank houdt geen rekening met de premiebetaling van € 50,– voor de polis
van de levensverzekering van [huidige vrouw vd man], aangezien de betaling van deze polis, die als vermogensvormend moet worden beschouwd, niet prevaleert boven de bijdrage voor de kinderen.

4.18. Met betrekking tot de door hem opgevoerde schulden heeft de man ter terechtzitting verklaard dat de man de schuld bij de Nederlandse Energie Maatschappij vanwege de energieachterstand, waarvoor hij € 263,– per maand betaalde, volledig heeft afgelost. Door de man is derhalve verzocht om enkel rekening te houden met de schuld van de man van € 15.000,– aan de heer [NN], waarop de man € 200,– per maand op aflost.
Hieromtrent overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie met schulden die zijn aangegaan ná het tot stand komen van de alimentatieverplichting rekening wordt gehouden, tenzij het aangaan van deze schulden onnodig was dan wel anderszins onredelijk is jegens de alimentatiegerechtigde.
Met betrekking tot de lening die de man bij de heer Jongman is aangegaan, is aangevoerd dat dit is gedaan in verband met noodzakelijke herinrichting, aflossing van overige (huwelijkse) schulden en de achterstand in alimentatieverplichtingen. Met betrekking tot de herinrichtingskosten is in de beschikking van 14 februari 2007 onder punt 4.21 reeds overwogen dat de man na de verdeling van de huwelijksgemeenschap een bedrag van
€ 11.000,– heeft ontvangen, zodat de noodzaak tot het aangaan van een lening ten behoeve van de herinrichting niet is aangetoond. Dat het aangaan van de lening noodzakelijk was vanwege een achterstand in alimentatieverplichtingen en overige huwelijkse schulden is onvoldoende aangetoond, zodat mede gezien de prioriteit van de verplichting tot kinderalimentatie, geen rekening wordt gehouden met deze opgevoerde last.

4.19. Tenslotte wordt er geen rekening gehouden met de € 13,– per maand die de man voor [huidige vrouw vd man] aan de belastingdienst betaalt, nu niet is onderbouwd op grond waarvan de man deze betaling verricht en dat deze dient te prevaleren ten opzichte van de geldende verplichting tot kinderalimentatie.

4.20. Gelet op het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 887,– per maand. Hiervan is 70 % beschikbaar voor kinderalimentatie, te weten € 621,–. De draagkracht van de man dient vervolgens te worden verdeeld over drie kinderen, namelijk [roepnaam minderjarige], [roepnaam minderjarige2] en [roepnaam mj huidige huwelijk vd man]. Door de man is aangevoerd dat zijn draagkracht tevens over de helft van de behoefte van [kindZ] en [kindY] dient te worden verdeeld. Hieromtrent wordt overwogen dat de man onvoldoende gegevens heeft verstrekt ten aanzien van de kosten van [kindZ] en [kindY] en ten aanzien van de hoogte van de bijdrage die hierin door de ex-partner van [huidige vrouw vd man] wordt geleverd. De draagkracht van de man wordt derhalve verdeeld over drie kinderen, waarvan na aftrek van het deel van [roepnaam mj huidige huwelijk vd man], ten behoeve van de kinderalimentatie voor [roepnaam minderjarige] en [roepnaam minderjarige2], rekening houdend met het fiscaal voordeel van € 116,–, een bedrag resteert van € 530,– in totaal.

De financiële omstandigheden van de vrouw
4.21. Voor de financiële omstandigheden van de vrouw wordt verwezen naar hetgeen in rechtsoverweging 4.8 en 4.9 is overwogen.

4.22. Het belastbare inkomen uit eigen woning van de vrouw, bedraagt € 2.811,– per jaar negatief, zijnde het eigenwoningforfait van € 924,– verminderd met de jaarlijkse hypothecaire rentelast van € 3.735,– .

4.23. Voor de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank voorts rekening met de navolgende fiscale aspecten:
– de alleenstaande ouderkorting;
– combinatiekorting.

4.24. Het kindgebonden budget waarvoor de vrouw in aanmerking komt, bedraagt
€ 1.993,– op jaarbasis.

De draagkracht van de vrouw
4.25. Ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de vrouw worden de navolgende maandelijkse lasten op haar besteedbaar inkomen in mindering gebracht:
– het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 924,–;
– de woonkosten van € 196,–, bestaande uit de hypotheekrente van € 311,– en het forfait eigenaarslasten (€ 95,–), op welke bedragen de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 210,– in mindering strekt;
– de ziektekosten van in totaal € 91,–, bestaande uit premie Zorgkostenverzekeringswet
(€ 136,–) verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 45,–. Door de vrouw is met betrekking tot het eigen risico van de ziektekosten onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij het eigen risico heeft gerealiseerd zodat het bedrag niet wordt meegenomen in de draagkrachtberekening.

4.26. Gelet op het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de vrouw € 540,– per maand. Hiervan is 70 % beschikbaar voor kinderalimentatie, te weten € 378,–.

Draagkrachtvergelijking
4.27. Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank de totale draagkracht van de vrouw en de man op € 908,– (€ 378,– aan de zijde van de vrouw en € 530,–, aan de zijde van de man, rekening houdende met het fiscaal voordeel voor de man wegens het betalen van een onderhoudsbijdrage van € 116,–)

4.28. De verdeling van de kosten van de kinderen over beide ouders kan berekend worden volgens de formule: Ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het deel van de man bedraagt: 530/908 x 791= € 462,–
Het deel van de vrouw bedraagt: 378/908 x 791= € 329,–

4.29. Gelet op de hiervoor vermelde financiële gegevens dient de man aan de vrouw ten behoeve van de minderjarigen een totale bijdrage te betalen van € 462,– per maand.
Derhalve zal aan de man een onderhoudsverplichting worden opgelegd van € 231,– per kind per maand.

4.30. Op de kinderalimentatie is de wettelijke indexering van toepassing.

Ingangsdatum
4.31. In geschil is de datum waarop de alimentatieverplichting van de man dient te worden gewijzigd. De vrouw verzoekt als ingangsdatum 1 april 2011 te hanteren. De man betwist deze ingangsdatum en verzoekt van de datum van deze beschikking, danwel van het inleidend verzoekschrift, uit te gaan.

4.32. De rechtbank ziet geen aanleiding om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht per 1 april 2011 te wijzigen. De rechtbank acht het in onderhavige zaak redelijk om de verplichting te wijzigen met ingang van 1 augustus 2011, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift. Partijen hebben met ingang van die datum rekening kunnen houden met een eventuele wijziging in de door de man te betalen alimentatie.

Proceskosten
4.33. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank:
5.1. wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2011 aan de man ten
behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op 30 november 1994 te
Dordrecht, op nihil gestelde alimentatiebijdrage;

5.2. wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2007 aan de man ten
behoeve van de minderjarige [minderjarige2], geboren op [geboortedatum+plaats minderjarige2], opgelegde alimentatiebijdrage;

5.3. bepaalt de door de man aan de vrouw ten behoeve van de hiervoor genoemde
minderjarigen te betalen alimentatie met ingang van 1 augustus 2011 op € 231,– (tweehonderdéénendertig euro) per kind per maand;

5.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

5.6. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M.J. Janssen, rechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 20 juni 2012.

Share