Pensioenverevening – geen spoedeisend belang.

Bron: publicatie op 30 juli 2012, LJN: BX3012, Rechtbank Almelo , 128060 / KG ZA 12-75

Uitspraak
RECHTBANK ALMELO
Sector civiel recht

zaaknummer: 128060 / KG ZA 12-75
datum vonnis: 15 mei 2012

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
verder te noemen [eiseres],
advocaat: mr. W.F.A. Zwart- Peters te Deventer,

tegen

[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
verder te noemen [gedaagde],
advocaat: mr. H. Dijks te Enschede.

Het procesverloop

[Eiseres] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 1 mei 2012. Ter zitting zijn verschenen: [eiseres], bijgestaan door mr. Zwart-Peters en [gedaagde], bijgestaan door mr. Dijks.
De standpunten zijn toegelicht.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

De vaststaande feiten

1.1 In deze zaak staat het navolgende vast. Partijen zijn voormalige echtelieden. Bij beschikking van 15 maart 2000 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 5 april 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Hengelo. Op 27 januari 2000 hebben partijen een echtscheidingsconvenant gesloten. Op 14 april 2000 heeft notaris mr. G.J. Numan te Hengelo het echtscheidingsconvenant vastgelegd in een akte van verdeling, welke akte door partijen is ondertekend. In het echtscheidingsconvenant van 27 januari 2000 is, met betrekking tot de pensioenrechten van de man, de navolgende bepaling door partijen overeengekomen:

“- De pensioenrechten (Grafisch bedrijfsfonds) uit het verleden blijven onverdeeld.”

In de akte van verdeling is hieromtrent de navolgende bepaling opgenomen:

“PENSIOENRECHTEN
Terzake van de door partijen in het verleden opgebouwde aanspraken op pensioen bij Grafisch bedrijfsfonds onverdeeld blijven.”

1.2 De man is sedert 12 april 2011 met pensioen gegaan en sindsdien ontvangt hij een pensioenuitkering van het Grafische Bedrijfsfonds (hierna GBF), te Amsterdam.

1.3 Bij brief van 8 augustus 2011 heeft [eiseres] de notaris aangeschreven met het verzoek de hierboven genoemde bepalingen uit te leggen. Bij brief van 17 augustus 2011 aan [eiseres] heeft de notaris laten weten dat voormelde bepaling in de akte als volgt dient te worden uitgelegd: “Ofwel u heeft een eigen recht behouden over de periode dat u gehuwd was”.

1.4 Het GBF heeft bij brief van 9 november 2011 laten weten dat zij geen mogelijkheid ziet om [eiseres] in aanmerking te laten komen voor toekenning van een deel van de pensioenaanspraken van [gedaagde]. Daarvoor had zij binnen 2 jaar na de echtscheiding het formulier ‘Mededeling van scheiding in verband met verdeling ouderdomspensioen’ moeten indienen. Nu zij dit heeft nagelaten komt zij enkel voor rechtstreekse uitbetaling van de door haar geclaimde aanspraak in aanmerking indien bijgaand formulier (hierna ‘de verklaring’) ondertekend door [gedaagde] retour wordt gezonden. Door ondertekening van die verklaring zal [gedaagde] alsnog toestemming geven om tot verevening over te gaan.

Standpunten van partijen

2.1 [Eiseres] stelt dat [gedaagde] niet bereid is om vrijwillig mee te werken aan de uitvoering van de standaardregeling in de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (hierna WVPS), op grond waarvan zij recht heeft op de helft van de aanspraken van de man op ouderdomspensioen, voor zover deze over de huwelijkse jaren door hem zijn opgebouwd. Nu partijen de werking van die wet niet uitdrukkelijk hebben uitgesloten in het echtscheidingsconvenant en akte zoals artikel 2 WVPS vereist en de notaris heeft bevestigd dat verevening de bedoeling van partijen was, vordert [eiseres] dan ook:

  • [gedaagde] te veroordelen de door [eiseres] overgelegde verklaring van GBF behoorlijk en volledig ingevuld en door hem ondertekend toe te zenden aan het GBF onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan de advocaat van de vrouw op straffe van verbeurte van een dwangsom;
  • te bepalen dat het ten deze te wijzen vonnis daarvan in de plaats treedt van de voor de verevening van de pensioenrechten van partijen en rechtstreekse uitkering van het aan de vrouw toekomende door het GBF noodzakelijke medewerking van de man;
  • [gedaagde] te veroordelen om aan de vrouw schriftelijk de hoogte van zijn ouderdomspensioen en het totaalbedrag van de op dat moment door hem ontvangen pensioentermijnen aan de vrouw op te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom;
  • te bepalen dat het ten deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de toestemming van de man om aan het GBF de vrouw alle redelijkerwijs door haar gewenste informatie omtrent de pensioenrechten van partijen aan de vrouw te verstrekken indien de man in gebreke blijft aan het hiervoor onder c. gevorderde;
  • [gedaagde] te veroordelen tegen kwijting de helft van het bedrag dat hij van het GBF aan ouderdomspensioen heeft ontvangen en ontvangt aan [eiseres] te betalen, voor de toekomst telkens binnen zeven dagen na ontvangst van een pensioentermijn te voldoen, zolang het GBF [eiseres] niet rechtstreeks het haar toekomende uitkeert, vermeerderd met de wettelijke rente over elke pensioentermijn vanaf zeven dagen na ontvangst daarvan van [gedaagde];
  • met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, alsmede veroordeling tot betaling van de nakosten en bij gebreke van tijdige betaling hiervan de wettelijke rente daarover.

2.2 [Gedaagde] voert verweer tegen de stellingen van [eiseres]. [Gedaagde] betwist dat de bedoeling van partijen was dat [eiseres] aanspraak zou kunnen maken op de helft van zijn ouderdomspensioen voor zover deze over de huwelijkse jaren door hem zijn opgebouwd. [Eiseres] is immers royaal overbedeeld tijdens de scheiding en een objectieve lezing van de bepalingen laat ook geen ruimte voor twijfel, volgens [gedaagde]. In casu betekent ‘onverdeeld’ dat iedere partij zijn eigen pensioenaanspraken houdt. De notaris heeft, zo heeft hij [gedaagde] ook verteld, voor zijn beurt gesproken, aldus [gedaagde]. De bedoeling van partijen was om geen verevening te laten plaatsvinden. Volgens [gedaagde] zijn destijds vele (afwijkende) afspraken gemaakt die in het echtscheidingsconvenant zijn opgenomen en is de huwelijkse gemeenschap verdeeld, waarbij partijen ook zijn overeengekomen dat partijen afstand hebben gedaan van elk recht tot het vorderen van ontbinding, herrekening of vernietiging van deze verdeling, op welke grond ook. Over het deel dat onverdeeld is gebleven (pensioenaanspraken [gedaagde]) kan [eiseres] thans geen aanspraak meer op maken.

2.3 Ondanks diverse sommaties daartoe is [gedaagde] niet tot ondertekening van de verklaring overgegaan.

2.4 [Eiseres] stelt een spoedeisend belang bij het gevorderde te hebben nu [eiseres] recht heeft op de helft van het ouderdomspensioen van [gedaagde], voor zover deze over de huwelijkse jaren door hem zijn opgebouwd, partijen de WVPS niet rechtsgeldig hebben uitgesloten en de bedoeling van partijen was om de opgebouwde pensioenrechten te verevenen overeenkomstig de WVPS, terwijl [gedaagde] niet bereid is vrijwillig zijn medewerking te verlenen en het gaat om een reeds ingegaan pensioen.

De beslissing

4.1 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dat zij wellicht een vordering heeft op [gedaagde] maakt de aanspraak op het gevorderde nog niet spoedeisend.

4.2 Voorts maakt het feit dat [gedaagde] thans zijn medewerking niet wenst te verlenen aan ondertekening van een verklaring op basis waarvan GBF zal overgaan tot directe uitbetaling aan [eiseres] het gevorderde evenmin spoedeisend. Het gaat in casu immers om een nog slechts door [eiseres] gepretendeerde vordering, die (nog) niet als vaststaand kan worden aangenomen, omdat [gedaagde] de door [eiseres] gestelde grondslag van die vordering gemotiveerd heeft betwist en een bodemrechter hierover nog geen uitspraak heeft gedaan. Een beslissing over het al dan niet bestaan van een vorderingsrecht zoals door [eiseres] gesteld draagt het karakter van een verklaring voor recht. De voorzieningenrechter mist daartoe de bevoegdheid.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat de gevraagde voorziening moet worden geweigerd. In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten in deze procedure zo te compenseren, dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Weigert de gevraagde voorzieningen.

II. Compenseert de kosten van deze procedure zo, dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

Share

Beëindiging partneralimentatie; verlenging termijn.

Bron en volledige beschikking: LJN: BX2402, Gerechtshof Arnhem , 200.095.877

Partijen zijn op 30 juni 1978 met elkaar gehuwd. De rechtbank `s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 16 juli 1999 echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 13 augustus 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ƒ 3.050,- per maand zal voldoen, met inachtneming van hetgeen partijen zijn overeengekomen in het echtscheidingsconvenant. Daarin is overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 1999, na levering van de echtelijke woning aan een derde, een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van f 5.750,- bruto per maand. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 3.502,93 per maand.

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 9 maart 2011, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud te verlengen van 13 augustus 2011 tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man. Daarbij stelt de vrouw voor dat, ter overbrugging tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man, de alimentatie jaarlijks met € 1.200,- wordt verminderd met ingang van [geboortedatum] 2011 en dat de door haar ontvangen uitkeringen (flexpensioen, AOW, ouderdomspensioen) in mindering worden gebracht op de door de man verschuldigde alimentatie.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen.

Het hof overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, LJN BF3928, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:
– in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat   redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;
– de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;
– de verwachting van partijen toen zij huwden;
– de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de terugval in inkomen van de vrouw na ommekomst van de twaalf jaren termijn ingrijpend is, aangezien zij na afloop van die termijn zal zijn aangewezen op een uitkering op bijstandsniveau. Net als de rechtbank zal het hof hiervan uitgaan.

Nu uit het voorgaande volgt dat de beëindiging van de onderhoudsverplichting ingrijpend is, dient het hof te bezien of de vrouw bijzondere omstandigheden stelt en aantoont, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van 12 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhoor ter mondelinge behandeling is het volgende gebleken. De vrouw heeft een Havo en assurantie B diploma. Daarnaast heeft zij een opleiding tot medisch secretaresse gevolgd. In de periode van 1972 tot 1978 heeft zij achtereenvolgens bij de Amro-bank en als medisch secretaresse gewerkt. Na het huwelijk van partijen in 1978 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam A] en heeft de vrouw tot 1980 voor het Ministerie van Economische Zaken gewerkt. Na de geboorte van de kinderen in 1980 en 1981 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam B]. De vrouw heeft van 1984 tot 1990 gedurende 15 uur per week gewerkt bij een financieel adviesbureau. In 1990 zijn partijen verhuisd naar [woonplaats vrouw]. Sedertdien heeft de vrouw niet meer gewerkt. In 1993 is de buurman van partijen vermoord. In 1998 zijn partijen gescheiden gaan wonen. Na de echtscheiding in 1999 is de vrouw verhuisd naar een eigen woning. De kinderen zijn in 1997 en 2000 op zichzelf gaan wonen. De vrouw heeft een drankprobleem en heeft in de periode 1997-2001 hele perioden niet bewust meegemaakt. Zij is in 2001/2002 gedurende zeven weken opgenomen geweest op een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Tevens is zij in die periode korte tijd opgenomen geweest in de crisisopvang en wegens een kniebreuk. Vanwege het drankprobleem heeft de vrouw in 2003 gespecialiseerde thuiszorg ter ondersteuning en begeleiding gekregen. Bij de vrouw is voorts de diagnose COPD gesteld. In 2007 is aan de vrouw een WMO-indicatie voor thuishulp verleend.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw verlengen en wel met ingang van 13 augustus 2011 tot [geboortedatum] 2019 als de vrouw 65 jaar wordt. Daarbij zal het hof bepalen dat deze termijn na ommekomst niet opnieuw kan worden verlengd. Het hof neemt daarbij in aanmerking de duur van de periode gedurende welke de man, na ommekomst van deze termijn, te weten 20 jaar, aan deze alimentatieverplichting zal hebben voldaan, tegenover de duur van het huwelijk, te weten 21 jaar, alsmede de mate waarin de behoefte van de vrouw aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk. Anders dan de vrouw acht het hof voor deze periode een bijdrage van € 2.250,- bruto per maand, met uitsluiting van de wettelijke indexering, mede gezien haar lasten, in overeenstemming met haar huidige behoefte. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking het feit dat de man niet heeft gesteld dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

Share