Wettelijke indexering bedragen levensonderhoud 2018

Wettelijke indexering bedragen levensonderhoud 2018- beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2018.

Vanaf 1 januari 2018 wordt de Wettelijke indexering – bedragen levensonderhoud 2017 gewijzigd. Het percentage waarmee de bestaande, gewijzigde of vastgestelde alimentaties zullen worden verhoogd, is vastgesteld op 1,5%

Bekijk de wettelijke indexering beschikking wijzigingspercentage bedragen levensonderhoud 2018 via onderstaande link:

Beschikking van de Minister van Veiligheid en Justitie van 24 oktober 2017, nr. 2141865, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2018 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2018)

Share

Wijzigingspercentage levensonderhoud wettelijke indexering 2017

Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2017.

Wijzigingspercentage levensonderhoud wettelijke indexering 2017.

HET PERCENTAGE VOOR DE WETTELIJKE INDEXERING IS BEKEND.

Met ingang van 1 januari 2017 zullen uitkeringen voor levensonderhoud weer automatisch worden aangepast. Het percentage waarmee de bestaande, vastgestelde of gewijzigde alimentaties zullen worden verhoogd, is vastgesteld op 2,1%

Bekijk de wettelijke indexering Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2017 via onderstaande link:

Bekijk hier de officiële bekendmaking: Beschikking van de Minister van Veiligheid en Justitie van 27 oktober 2016, Directie Wetgeving en Juridische Zaken nr. 2006929, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2017 worden verhoogd.

Share

Is er sprake van samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW? Hof: nee. Passeren bewijsaanbod.

Bron d.d. 25 juli 2012: LJN: BX2648, Gerechtshof Leeuwarden , 200.086.778/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van
[appellant],
zonder bekende woonplaats,
doch thans verblijvende te [adres],
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. G.M. Goes, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. van den Eshof, kantoorhoudende te Dronten.

Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 16 februari 2011 (zaaknummer 170190 / FA RK 10-1441) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 14 april 2010 bepaald op € 2.000,- (bruto) per maand.

Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 9 mei 2011, heeft de man verzocht de beschikking van 16 februari 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende het inleidend verzoek van de vrouw af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 28 juni 2011, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 22 juli 2011 met bijlage (het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van – naar het hof begrijpt – 25 november 2010) en een brief van 21 oktober 2011 met bijlagen van mr. Goes.

Ter zitting van 7 november 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. M.V. Scheffer, kantoorgenoot van mr. Goes, en de vrouw, bijgestaan door mr. Van den Eshof. Door mr. Van den Eshof zijn pleitnotities overgelegd.

De beoordeling
1.  Uit het huwelijk van partijen zijn geboren [kind 1] [in 1991] en [kind 2] [in 1994].

2.  Partijen zijn uit elkaar gegaan. Vervolgens zijn partijen in maart 2006 een echtscheidingsconvenant overeengekomen. Dat convenant houdt onder meer in dat zij voor het faillissement van de man afgesproken hebben dat de man een partneralimentatie van € 2.000,- per maand aan de vrouw zal betalen en een kinderalimentatie van € 750,- per kind per maand zal betalen, dat de man dat niet kan nakomen zolang hij in staat van faillissement is, dat partijen geen afspraken maken over de alimentatie omdat zij er geen zicht op hebben hoe lang die situatie zich voordoet en dat partijen nadere afspraken zullen maken zodra er meer duidelijkheid is omtrent de financiële situatie van de man.
Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van [2006] is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 2 januari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.  De ingangsdatum van de partneralimentatie van 14 april 2010 is niet in geschil. Het hof zal daarom van deze datum uitgaan.

De geschilpunten
4.  De geschilpunten tussen partijen betreffen:
– de samenleving van de vrouw in de zin van art. 1:160 BW;
– de behoefte en behoeftigheid van de vrouw;
– de draagkracht van de man.

De samenleving van de vrouw in de zin van art. 1:160 BW
5.  Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

6.  De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrouw heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd en dat daarmee zijn onderhoudsverplichting is geëindigd. De vrouw heeft het standpunt van de man bestreden.

7.  Voor de vaststelling dat een gescheiden echtgenoot samenleeft met een ander als waren zij gehuwd dan wel als hadden zij hun partnerschap laten registreren, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW, is vereist dat tussen de partners een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat zij met elkaar samenwonen, dat zij elkaar wederzijds verzorgen en dat zij tevens een gemeenschappelijke huishouding voeren. Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is onder meer sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

8.  De man heeft gesteld dat de vrouw in Zuid-Afrika samenwoonde met [X] als waren zij gehuwd. Ze had een eigen woning, maar verbleef daar volgens de man feitelijk niet meer. Het aannemen van een samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW brengt verstrekkende gevolgen voor de vrouw met zich mee, zodat van de man gevergd mag worden dat hij zijn stellingen hieromtrent met voldoende overtuigende stukken onderbouwt. Het hof is van oordeel dat met de door de man ingebrachte verklaringen in onvoldoende mate aannemelijk is gemaakt dat is voldaan aan de hiervoor genoemde in het kader van artikel 1:160 BW te stellen eisen. Daartoe neemt het hof onder meer het volgende in aan¬mer¬king.

9.  De man heeft er in hoger beroep op gewezen dat mr. Viljoen, zijn advocaat in Zuid-Afrika, heeft verklaard dat de vrouw en [X] hebben samengewoond en -geleefd als waren zij gehuwd. De man heeft opgemerkt dat mr. Viljoen er geen belang bij heeft om in strijd met de waarheid te verklaren en dat dat ook met zijn functie als advocaat zou botsen. Volgens de man is onvoldoende gemotiveerd waarom aan de betrouwbaarheid van deze verklaring getwijfeld wordt.
Noch de brief van mr. Viljoen van 7 juli 2010, noch de brief van 24 november 2010 bevat naar het oordeel van het hof een verklaring dat de vrouw samenleefde als ware zij gehuwd. In de brief van 7 juli 2010 wordt enkel aangegeven dat gesteld werd dat de vrouw een affectieve relatie had die duurzaam van aard was en dat er geen bewijs is geleverd. Over samenwonen spreekt de brief niet. In de brief van 24 november 2010 merkt mr. Viljoen op dat hij van [X] heeft gehoord, dat hij 2 tot 3 jaar een relatie had met de vrouw, maar ook dat zij niet hebben samengewoond of een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Ook in deze brief geeft mr. Viljoen aan dat er geen bewijs voor samenwoning gevonden is.
Mr. Viljoen heeft geen blijk gegeven van eigen waarneming van de samenwoning als waren zij gehuwd. Hij wijst er daarentegen op dat er geen bewijs is geleverd, dan wel gevonden voor het gestelde. Nog los van de vraag of de onpartijdigheid van deze getuige voldoende gewaarborgd is, geeft mr. Viljoen dus niet aan dat de vrouw heeft samengewoond in voornoemde zin.
De stelling van de man in eerste aanleg dat [X] in de procedure in Zuid-Afrika zelf heeft verklaard dat hij een affectieve en duurzame relatie met de vrouw had, is – zoals door de rechtbank is overwogen en ook thans nog geldt – niet onderbouwd met stukken. Overigens ook al zou [X] dat wel verklaard hebben, dan volgt daaruit nog niet dat hij samengewoond heeft met de vrouw.

10.  Volgens de man ondersteunen de verklaring van [getuige 1] die zijn dochter [kind 2] in Zuid-Afrika vaak opgevangen heeft en haar paard verzorgd heeft, en [getuige 2], een vriendin van [kind 2], de overige verklaringen.
De ingebrachte verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] samen betreft [kind 2] en haar contact met en zorg door haar moeder. Ze hebben slechts aangegeven wat [kind 2] over het samenwonen van haar moeder met [X] heeft gezegd, maar niet blijkt van eigen waarneming of wetenschap van [getuige 1] en/of [getuige 2].

11.  Er is volgens de man geen reden om de verklaring van [kind 2] niet betrouwbaar te achten.
Dat de ingebrachte verklaring van juli 2010 van de toen vijftien- of zestienjarige [kind 2] woordgebruik bevat dat niet past bij een vijftienjarige [kind 2], is niet door de man bestreden. Daar komt bij dat de verklaring op briefpapier van de advocaat is gesteld. De man heeft toegelicht dat het een interview betrof van [kind 2] door een kantoorgenoot van mr. Viljoen en dat de verklaring niet door [kind 2] zelf geschreven is maar het wel haar verklaring betreft.
De rechtbank heeft aangegeven dat deze verklaring niet duidelijk maakt hoe [kind 2] wetenschap heeft (gekregen) van de door haar genoemde omstandigheden in het huis waar haar moeder met [X] zou samenwonen op basis waarvan zij heeft aangegeven dat de vrouw heeft samengewoond als ware zij gehuwd. In de verklaring van [kind 2] die de man in hoger beroep heeft ingebracht, heeft ze verteld dat ze op een gegeven moment mee moest naar [X]s huis en dat ze daar nul tot twee keer per maand was. Uit die verklaring blijkt tevens dat de relatie tussen [kind 2] en de vrouw (ernstig) verstoord is, dat ze zich enorm in de steek gelaten voelt en dat ze de nieuwe partner van de man beschouwt als de moeder die ze nooit heeft gehad.
De verklaring van [kind 2] vindt geen steun in de stukken van het dossier of anderszins. Het hof acht haar verklaring daarom niet voldoende objectiveerbaar. Buiten dat, uit de verklaringen van [kind 2] blijkt ook niet van een financiële verstrengeling van haar moeder met [X] of anderszins van wederzijdse zorg tussen hen. Deze verklaringen acht het hof dan ook onvoldoende om daaruit te concluderen dat de vrouw heeft samengewoond met [X] in de zin van art. 1:160 BW. Overigens merkt het hof in dit verband ten overvloede nog op dat met verklaringen van kinderen die ten aanzien van één van de ouders een grote loyaliteit laat zien, voorzichtig moet worden omgegaan.

12.  De door de man ingebrachte tandartsrekeningen van de vrouw vermelden één tandartsbezoek van [X] op 23 maart 2009. Dat kan evenwel niet de conclusie dragen dat er sprake is van wederzijdse verzorging of financiële verwevenheid tussen de vrouw en [X].

13.  De man heeft bewijs aangeboden door het horen van getuigen, te weten dochter [kind 2], zijn partner [naam], mr. Viljoen en medewerkers van de school van [kind 2] in Zuid-Afrika. Het hof gaat aan het bewijsaanbod voorbij, omdat het onvoldoende duidelijk en concreet is. De man heeft alleen in algemene bewoordingen aangeboden te bewijzen dat de vrouw samengeleefd heeft in de zin van art. 1:160 BW. De man heeft onvoldoende aangegeven op welke punten de getuigen (uit eigen wetenschap) zouden kunnen verklaren, dan wel op basis van welke omstandigheden tot uitdrukking komt dat er sprake van een dergelijke samenwoning is (geweest). Ten aanzien van de heer Viljoen heeft de man desgevraagd bovendien ter zitting meegedeeld dat hij niets anders kan verklaren dan hetgeen reeds op schrift is meegedeeld.

14.  Het hof komt tot de conclusie dat uit de overgelegde stukken en de toelichtende verklaring van de man niet het bewijs valt te putten van de juistheid van zijn stelling, die door de vrouw gemotiveerd bestreden is. Het bewijsaanbod passeert het hof zoals hiervoor is overwogen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat de vrouw en haar toenmalige partner samenwoonden als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, als bedoeld in artikel 1:160 BW en dat uit dien hoofde de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw niet is geëindigd.
15.  Gezien deze stand van zaken dient het hof nader te beslissen op de verdere geschilpunten van partijen die, zakelijk weergegeven, betrekking hebben op de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Behoefte en behoeftigheid
16.  Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de vrouw, mede gelet op de welstand tijdens het huwelijk, dient te worden vastgesteld. De man heeft betwist dat er sprake is geweest van een behoefte van de vrouw van € 2.000,- per maand. De vrouw is het niet eens met de man en heeft aangevoerd dat de man zijn standpunt niet onderbouwd heeft.

17.  De welstand van partijen in de periode voordat ze uit elkaar gingen en daarmee de bepaling van de hoogte van de alimentatiebehoefte kan op verschillende manieren worden bewerkstelligd. Niet doorslaggevend is hoe hoog het formele inkomen van partijen tijdens het huwelijk was, maar welk bedrag zij pleegden uit te geven.
Partijen zijn eind 2004/begin 2005 uit elkaar gegaan, zo blijkt uit het verhandelde ter zitting van het hof. De vrouw heeft gesteld dat het netto besteedbaar inkomen ten tijde van het huwelijk € 8.000,- per maand heeft bedragen. Deze door de man in hoger beroep bestreden stelling, heeft de vrouw evenwel niet met stukken onderbouwd.
De man heeft aangiften inkomstenbelasting 2002, 2003 en 2004 ingebracht, maar geen bijbehorende belastingaanslagen. De man heeft bovendien aangegeven dat partijen meer uitgaven dan zij als inkomen ontvingen. Het hof kan daarom evenmin uitgaan van het in die belastingaangiften genoemd inkomen.
Partijen hebben beiden niet aangegeven en met stukken onderbouwd hoeveel zij pleegden te besteden. Uit de door de vrouw aangevoerde omstandigheden, dat de WOZ-waarde van de echtelijke woning volgens de aangifte inkomstenbelasting 2002 € 837.678,- heeft bedragen, dan wel dat de aandelenportefeuille 1 januari 2002 een waarde had van € 57.462,-, dan wel dat de man in staat was een (duur) huis in Zuid-Afrika te huren en in te richten, kan het hof evenmin opmaken hoeveel partijen pleegden uit te geven.

18.  Uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat partijen overeengekomen zijn dat de man een partneralimentatie van € 2.000,- aan de vrouw zal betalen, maar dat dit niet nagekomen kan worden zolang de man in staat van faillissement verkeert. Ter zitting heeft de man aangegeven dat bij het maken van het convenant de gegevens van de vijf daaraan voorafgaande jaren betrokken zijn. Bij gebrek aan andere gegevens, zal het hof op basis van het convenant van maart 2006 er van uitgaan dat de behoefte van de vrouw € 2.000,- bruto per maand heeft bedragen. Dat is – nu partijen daarover niets gezegd hebben uitgaande van de hier geldende belastingtarieven – netto € 1.440,- per maand. Geïndexeerd naar 2010 is dat € 1.592,40,- netto per maand.

19.  Tussen partijen is tevens in geschil of en in hoeverre de vrouw door middel van eigen inkomsten in haar behoefte kan voorzien.
De man is van mening dat de vrouw geacht moet worden om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij is intelligent en is fysiek in staat om te werken. Daarnaast heeft zij niet meer de zorg voor de kinderen. Bovendien heeft de vrouw in Zuid-Afrika een goede baan gehad bij een im- en export bedrijf, aldus de man.
De vrouw heeft gesteld dat zij niet in haar eigen levensonderhoud kon en kan voorzien. Zij heeft uit hoofde van haar bijstandsuitkering een sollicitatieplicht.

20.  De vrouw heeft ter zitting onweersproken aangegeven dat ze gewerkt heeft met behoud van haar bijstandsuitkering en dat haar uitkering ongeveer € 600,- per maand heeft bedragen. Bij gebrek aan nadere gegevens gaat het hof ervan uit dat de vrouw een netto-uitkering van € 619,58 per maand heeft ontvangen zoals is genoemd in de uitkeringsspecificaties van juli en augustus 2010. De bijstandsnorm voor een alleenstaande bedroeg destijds € 913,- per maand. Het hof maakt daaruit op dat de vrouw een inkomen verdient van (€ 913,- – € 619,58 =) € 293,42 netto per maand. Daaruit volgt dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man van (€ 1.592,40,- – € 293,42 =) € 1.298,98 netto per maand. Het hof berekent die behoefte aan een bijdrage op ongeveer € 1.730,- bruto per maand.

Draagkracht
21.  De man heeft gesteld dat hij niet voldoende inkomen heeft om de verzochte partneralimentatie te voldoen. De man heeft laten weten dat zijn faillissement in januari 2008 wegens gebrek aan baten is opgeheven en dat hij nog steeds niet beschikt over enige draagkracht. De man heeft aangevoerd dat hij grote schulden heeft en al jaren niet in staat is die af te lossen en heeft gewezen op het door hem ingebrachte BKR-overzicht.

22.  Anders dan de man, is de vrouw van mening dat de man heeft nagelaten inzicht te geven in zijn financiële situatie en die van zijn partner, hetgeen voor risico van de man dient te komen.

23.  In artikel 2.1.1. van het ‘procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven’ is nader gespecificeerd aangegeven welke financiële gegevens dienen te worden overgelegd in het geval de draagkracht van de onderhoudsplichtige onderwerp van geschil is. Het had op de weg van de man gelegen om zijn inkomen inzichtelijk te maken over de periode vanaf 14 april 2010 door overlegging van de in artikel 2.1.1. van het geldende procesreglement bedoelde bescheiden, waaruit onder meer zijn inkomen kan blijken. Dit geldt te meer nu de man ook in eerste aanleg is gewezen op de noodzaak om zijn stellingen te voorzien van een onderbouwing.

24.  De man heeft in zijn hoger beroepschrift bestreden dat hij geen inkomensgegevens van 2009 zou hebben ingebracht, zoals de rechtbank onder meer heeft overwogen. Naar het oordeel van het hof heeft de man weliswaar enige gegevens over 2009 ingebracht, maar hij heeft onvoldoende stukken ingebracht waaruit duidelijk wordt wat zijn inkomen in 2009 dan wel nadien is geweest. Aangiftes inkomstenbelasting 2009 en/of 2010 en bijbehorende aanslagen ontbreken. Salarisspecificaties van 2011 missen eveneens. De man heeft geen bankafschriften van zichzelf – die zijn stellingen mogelijk hadden kunnen ondersteunen – in het geding gebracht. Nu de man heeft gesteld dat zijn draagkracht ontoereikend is voor het betalen van de verzochte partneralimentatie, had het op zijn weg gelegen om zijn stellingen met stukken – zoals hiervoor overwogen – te onderbouwen.

25.  De enkele stelling van de man dat zijn partner hem onderhoudt en de ingebrachte bevestiging daarvan door zijn partner, is onvoldoende om tot de overtuiging te kunnen komen dat de man daadwerkelijk – zoals hij zelf heeft aangevoerd – geen of weinig inkomen heeft en geen draagkracht heeft.
De man heeft een gegevensoverzicht van St. Bureau Krediet Registratie van 21 maart 2011 ingebracht waarin kredieten genoemd worden die tezamen ruim € 100.000,- bedragen en waarop in 2005 en 2006 afboekingen zijn gedaan. Deze informatie over de schulden van de man, zeggen evenwel niets over zijn inkomen nadien. De man heeft daarbij ook gewezen op: een e-mail waarin de belastingadviseur heeft verklaard dat de man in 2005 en 2006 geen (Nederlands) inkomen had en in 2007 € 11.643,-, jaarrekeningen over 2007 en 2008 van Design ‘2 M B.V. waar hij aandelen van heeft en die een verlies vermelden, en een overzicht waarin staat dat hij een commissie van CYA Technologies heeft ontvangen van € 19.358,- in 2008 en € 1.532,- in 2009. Ook dat brengt evenwel niet zonder meer mee dat er geen inkomen is (geweest). Uit die stukken valt evenals uit voornoemde andere stukken, niet op te maken wat het inkomen van de man vanaf 2010 is (geweest) (of zelfs in 2009).

26.  De man heeft in eerste aanleg aangegeven dat hij incidenteel werkzaamheden voor een onderneming in het buitenland, CYA Technologies, verricht en vanwege de economische crisis weinig tot geen opdrachten meer krijgt. De man heeft een e-mail ingebracht van CYA Technologies van 23 december 2010 waarin staat dat de partnerovereenkomst met de man wordt beëindigd. Daaruit wordt het hof evenwel niet duidelijk wat het inkomen van de man in 2010 bij CYA Technologies is geweest en wat zijn inkomen na die beëindiging is (geweest).
De betalingen van CYA Technologies op de rekening van de partner van de man in december 2007 en het verweer van de man dat dat vergoeding van kosten voorgeschoten door zijn partner, betrof, kan in het midden blijven, nu daaruit niet valt af te leiden welk inkomen de man (van genoemd bedrijf) in 2010 en nadien heeft ontvangen.

27.  De man heeft bij brief van 21 oktober 2011 een arbeidsovereenkomst met K9 Associates Limited d.d. 1 februari 2011 overgelegd. De vrouw betwijfelt de waarde van de stukken die bij die brief zijn ingebracht. Het hof laat deze overeenkomst en het daarin genoemde salaris buiten beschouwing. Het is namelijk niet ondertekend en het vindt geen steun in salarisspecificaties, dan wel anderszins.

28.  Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. De vrouw voert aan dat het uitgavenpatroon van de man niet past bij zijn stelling dat hij geen inkomen heeft. Niet weersproken is dat de man en zijn partner een woning huren voor € 1.695,- per maand, dat [kind 2] naar een internationale school gaat, dat zij paarden hebben met alle hoge kosten van dien en dat er nog heen en weer naar Zuid-Afrika gereisd wordt. Dit past bij een hoger inkomen dan de man stelt te hebben (gehad). De man heeft niet met stukken onderbouwd toegelicht hoe die uitgaven bekostigd worden. Het uitgavenpatroon geeft aldus aanwijzingen voor het tegendeel van de stelling van de man.

29.  Evenzo overweegt het hof dat de man weliswaar ter zitting in eerste aanleg heeft aangegeven dat hij onder meer in 2007 en 2008 geen inkomen had en dat hij in zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft aangevoerd, dat hij vanaf 1 februari 2008 geen draagkracht had en dat ware er inkomen geweest de curator niet voorgesteld zou hebben zijn faillissement op te heffen bij gebrek aan baten, maar dat is in tegenspraak met zijn e-mail van 25 februari 2008 aan een Zuid-Afrikaans vastgoedbedrijf waarin hij een bedrag van € 95.000,- als zijn jaarinkomen genoemd heeft. Ook dat past niet bij het door de man genoemde inkomen en gebrek aan draagkracht.

30.  Het heeft op de weg van de man gelegen om zijn stelling dat hij geen of onvoldoende draagkracht heeft (gehad) om een partneralimentatie te kunnen voldoen, met stukken te onderbouwen en hij is op grond van het procesreglement zoals overwogen ook verplicht financiële stukken in te brengen. Nu de man echter heeft nagelaten voldoende (financiële) gegevens over te leggen, niet alleen over zijn inkomen maar ook over zijn lasten, heeft hij zijn stelling dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen, onvoldoende onderbouwd. Dit kan naar het oordeel van het hof tot geen andere conclusie leiden dan dat, zoals de vrouw ook heeft betoogd, de man in staat moet worden geacht om in voornoemde behoefte van € 1.730,- bruto per maand te voorzien.

Slotsom
31.  Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing
Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 14 april 2010 op € 1.730,- bruto per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, G.M. van der Meer en I.A. Vermeulen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 3 juli 2012 in bijzijn van de griffier.

Share

Beëindiging partneralimentatie; verlenging termijn.

Bron en volledige beschikking: LJN: BX2402, Gerechtshof Arnhem , 200.095.877

Partijen zijn op 30 juni 1978 met elkaar gehuwd. De rechtbank `s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 16 juli 1999 echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 13 augustus 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ƒ 3.050,- per maand zal voldoen, met inachtneming van hetgeen partijen zijn overeengekomen in het echtscheidingsconvenant. Daarin is overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 1999, na levering van de echtelijke woning aan een derde, een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van f 5.750,- bruto per maand. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 3.502,93 per maand.

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 9 maart 2011, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud te verlengen van 13 augustus 2011 tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man. Daarbij stelt de vrouw voor dat, ter overbrugging tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man, de alimentatie jaarlijks met € 1.200,- wordt verminderd met ingang van [geboortedatum] 2011 en dat de door haar ontvangen uitkeringen (flexpensioen, AOW, ouderdomspensioen) in mindering worden gebracht op de door de man verschuldigde alimentatie.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen.

Het hof overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, LJN BF3928, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:
– in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat   redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;
– de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;
– de verwachting van partijen toen zij huwden;
– de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de terugval in inkomen van de vrouw na ommekomst van de twaalf jaren termijn ingrijpend is, aangezien zij na afloop van die termijn zal zijn aangewezen op een uitkering op bijstandsniveau. Net als de rechtbank zal het hof hiervan uitgaan.

Nu uit het voorgaande volgt dat de beëindiging van de onderhoudsverplichting ingrijpend is, dient het hof te bezien of de vrouw bijzondere omstandigheden stelt en aantoont, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van 12 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhoor ter mondelinge behandeling is het volgende gebleken. De vrouw heeft een Havo en assurantie B diploma. Daarnaast heeft zij een opleiding tot medisch secretaresse gevolgd. In de periode van 1972 tot 1978 heeft zij achtereenvolgens bij de Amro-bank en als medisch secretaresse gewerkt. Na het huwelijk van partijen in 1978 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam A] en heeft de vrouw tot 1980 voor het Ministerie van Economische Zaken gewerkt. Na de geboorte van de kinderen in 1980 en 1981 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam B]. De vrouw heeft van 1984 tot 1990 gedurende 15 uur per week gewerkt bij een financieel adviesbureau. In 1990 zijn partijen verhuisd naar [woonplaats vrouw]. Sedertdien heeft de vrouw niet meer gewerkt. In 1993 is de buurman van partijen vermoord. In 1998 zijn partijen gescheiden gaan wonen. Na de echtscheiding in 1999 is de vrouw verhuisd naar een eigen woning. De kinderen zijn in 1997 en 2000 op zichzelf gaan wonen. De vrouw heeft een drankprobleem en heeft in de periode 1997-2001 hele perioden niet bewust meegemaakt. Zij is in 2001/2002 gedurende zeven weken opgenomen geweest op een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Tevens is zij in die periode korte tijd opgenomen geweest in de crisisopvang en wegens een kniebreuk. Vanwege het drankprobleem heeft de vrouw in 2003 gespecialiseerde thuiszorg ter ondersteuning en begeleiding gekregen. Bij de vrouw is voorts de diagnose COPD gesteld. In 2007 is aan de vrouw een WMO-indicatie voor thuishulp verleend.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw verlengen en wel met ingang van 13 augustus 2011 tot [geboortedatum] 2019 als de vrouw 65 jaar wordt. Daarbij zal het hof bepalen dat deze termijn na ommekomst niet opnieuw kan worden verlengd. Het hof neemt daarbij in aanmerking de duur van de periode gedurende welke de man, na ommekomst van deze termijn, te weten 20 jaar, aan deze alimentatieverplichting zal hebben voldaan, tegenover de duur van het huwelijk, te weten 21 jaar, alsmede de mate waarin de behoefte van de vrouw aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk. Anders dan de vrouw acht het hof voor deze periode een bijdrage van € 2.250,- bruto per maand, met uitsluiting van de wettelijke indexering, mede gezien haar lasten, in overeenstemming met haar huidige behoefte. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking het feit dat de man niet heeft gesteld dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

Share