Draagkracht – draagkrachtberekening vaststellen

  • Zoals u hierna zult lezen, komt er bij het vaststellen van de draagkracht, nogal wat kijken. Het is een aandachtspunt waarover u eerder niet hoefde na te denken en dat kan natuurlijk voor onrust zorgen. Daarnaast spelen de emotionele aspecten uiteraard ook nog een rol.
  • Tremanormen.nl kan u tijdens dat proces bijstaan op juridisch, financieel en fiscaal gebied. Neem gerust kosteloos telefonisch op 074 – 250 72 73 of per email contact met ons op voor een vrijblijvend oriënterend gesprek òf wanneer u concrete vragen hebt, of het antwoord op uw vraag op deze site niet hebt kunnen vinden. Zo krijgt u op het praktische vlak in ieder geval alvast een stuk rust en zekerheid terug.

Algemeen

Het rekensysteem dat hieronder wordt geschetst, is ontwikkeld voor de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de op basis daarvan maximaal op te leggen alimentatie­verplichting. De bepaling geschiedt aan de hand van de modellen die bij het rapport alimentatienormen zijn gevoegd. In die modellen is het rekensysteem uitgewerkt. In de meeste gevallen kan met de vaststelling van de aldus gevonden ‘maximale’ alimentatie worden volstaan omdat aanstonds duidelijk is dat deze ontoereikend is om volledig in de behoefte van de onderhoudsgerechtigde(n) te voorzien.

Het gedeelte van de berekening dat betrekking heeft op de bepaling van het draagkrachtloos inkomen kan ook op de onderhoudsgerechtigde worden toegepast om diens minimumbehoefte te berekenen. Ook kan een jusvergelijking worden gemaakt om te bezien of er reden is minder alimentatie toe te kennen dan de gevonden ‘maximale’ alimentatie.

Kernschema

De kern van de draagkrachtberekening schematisch weergegeven:

inkomsten
netto besteedbaar inkomen volgens netto of bruto methode €…
af: lasten
bijstandsnorm                                                                                  € …
andere relevante lasten                                                                  € …
draagkrachtloos inkomen                                                              €…
draagkrachtruimte                                                                          €…
draagkracht = bepaald percentage (draagkrachtpercentage) van de draagkrachtruimte.

Gaat het erom wat de betrokkene aan alimentatie kan betalen? Dan krijgt het schema als vervolg:

maximale alimentatie = draagkracht + eventueel fiscaal voordeel

Verklaring van de begrippen

Netto besteedbaar inkomen volgens netto of bruto methode

In veel gevallen heeft de onderhoudsplichtige een inkomen uit dienstbetrekking, ambtelijk inkomen daaronder begrepen, of een uitkering. Hiervan kan gewoonlijk een loonspecificatie op maand- of weekbasis worden overgelegd. Indien daaruit blijkt dat het inkomen van degene wiens draag­kracht berekend wordt lager is dan € 2.000 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag, dan wordt in beginsel uitgegaan van het netto inkomen volgens de specificatie. Deze rekenwijze wordt netto methode genoemd. Uitgangspunt hierbij is dat de gehele berekening wordt uitgevoerd in netto bedragen op maandbasis, waarbij weekbedragen worden omgerekend.

Bij hogere inkomens, bij aanwezigheid van andere inkomsten waarop geen loonheffing is ingehouden of die zijn belast in een andere box dan box I en bij ondernemers, wordt het netto besteedbaar inkomen preciezer benaderd door middel van de zogenaamde bruto methode. Deze methode brengt de fiscale positie van de betrokkene in kaart door invulling van een met een aangifte inkomstenheffing vergelijkbaar model.

Indien sprake is van relevante fiscale aftrekposten (zoals hypotheekrente) kan ook bij lage inkomens de bruto methode de voorkeur verdienen.

Bijstandsnorm

Uitgangspunt bij de alimentatiebepaling is, dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum wordt bepaald door de bij­standsnorm, waarmee wordt bedoeld het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als bijstandsuitkering zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van zijn (nieuwe) gezinssituatie. De Wet werk en bijstand (verder Wwb) onderscheidt diverse catego­rieën waarvan er drie voor de draagkracht­berekening van belang zijn: alleenstaanden, alleenstaande ouders (ongeacht met hoeveel kinderen) en gehuwden (met of zonder kinderen). De bijstandswet kent sedert 1 januari 1996 in art. 33 een verhoging van de norm voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder en in art. 34 een verla­ging van de norm voor gehuwden, thans geregeld in de artikelen 25 en 26 Wwb. De werkgroep beveelt aan te rekenen met de desbetreffende norm inclusief de verhoging van art. 25 en zonder de verlaging van art. 26. Deze normbedragen worden jaarlijks opgenomen in de modellen en de bijlage.

De bijstandsnorm in de draagkrachtberekening voorziet in de bewaking van het bestaansminimum van de onderhoudsplichtige. Daarmee zijn eigenlijk alle normale dagelijkse uitgaven in één bedrag tot uitdrukking gebracht. Er wordt echter een correctie voor de werkelijke woonkosten toegepast.

Relevante lasten

Naast de normale in de bijstandsnorm verdisconteerde uitgaven wordt tot op zekere hoogte rekening gehouden met andere uitgaven. Als zulke andere relevante lasten gelden bijvoorbeeld de premie ZVW, aflossing op schulden die nog uit het huwelijk van partijen stammen en door de scheiding van par­tijen noodzakelijk geworden herinrichtingskosten.

Draagkrachtloos inkomen

De bijstandsnorm en de andere relevante lasten worden tezamen het draagkrachtloos inkomen genoemd (het deel van het inkomen dat geen draagkracht oplevert).

Draagkrachtruimte

Voor zover het inkomen uitgaat boven het draagkrachtloze deel is in beginsel sprake van ‘ruimte’ voor alimentatievaststelling. Het verschil tussen inkomen en draagkrachtloos inkomen wordt daarom draagkrachtruimte genoemd. Bij een positieve draagkrachtruimte wordt de onderhoudsplichtige in beginsel in staat geacht alimentatie te betalen.

Draagkracht, draagkrachtpercentage

Van de gevonden draagkrachtruimte wordt slechts een bepaald percentage, namelijk het draagkrachtpercentage, bestempeld als draag­kracht. Deze draagkracht vormt het bedrag dat een onderhoudsplichtige wordt geacht te kunnen missen ten behoeve van de onderhoudsgerech­tigde(n). De ruimte wordt aldus verdeeld over onderhouds­plichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage.

Alle onderhoudsverplichtingen dienen in beginsel ten laste van de draagkracht te worden gebracht. Het staat partijen natuurlijk vrij een deel van de verplichtingen niet ten laste van de draag­kracht maar ten laste van het draagkrachtloos inkomen te brengen. Dit gebeurt wel met een bijdrage voor een (studerend) kind van 21 jaar of ouder. Het gevolg hiervan is dat er dan meer ruimte overblijft voor de andere onderhoudsgerechtigde(n).

Er zijn verschillende draagkrachtpercentages voor alleenstaanden en voor hen die een gezin hebben. Bij hantering van de bruto methode worden lagere percentages toegepast dan bij de wat globalere netto methode.

Fiscaal voordeel

Betaalde alimentatie voor een ex-echtgenoot is volledig aftrekbaar voor de inkomensheffing. Als de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen uitgaan boven het jaarlijks vast te stellen drempelbedrag, is per kind een vast bedrag aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek. De onder­houdsplichtige komt aldus veelal in aanmerking voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Deze vermindering wordt aangeduid als fiscaal voordeel.

Bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van jongmeerderjarigen die een uitkering krachtens de WSF ontvangen zijn niet fiscaal aftrekbaar.
Voor zover sprake is van fiscaal voordeel neemt de betaalcapaciteit van de onderhoudsplichtige in feite toe zodat per saldo meer gemist kan worden dan de berekende draagkracht. Er is dus sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzien­bare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens, te weten de inkomens onder € 1.400 bruto per maand inclusief vakantietoeslag (ongeveer € 1050 netto), wordt deze extra draag­kracht buiten beschouwing gelaten, omdat dat fiscale voordeel veelal niet wordt geëffectueerd. Bij hogere inkomens wordt het fiscaal voordeel in de bruto methode geheel en in de netto methode gedeeltelijk overgeheveld naar de onderhoudsgerechtigde(n).

Gelijkheid boven en onder de streep

De draagkrachtberekening volgens de bruto methode valt uiteen in twee gedeelten:

  1. de omrekening van het bruto inkomen naar het netto besteedbaar inkomen;
  2. de berekening van de draagkracht en alimentatie op basis van het gevonden netto inkomen volgens het kernschema.

In de alimentatiepraktijk worden de twee trajecten vaak aangeduid als de berekeningen ‘boven de streep’ respectievelijk ‘onder de streep’.

In wezen kent de netto methode dezelfde twee­deling maar daarbij wordt voor wat betreft de om­rekening van bruto naar netto in beginsel aange­sloten bij de op de loonspecificatie vermelde inhoudingen. Correctie van het nettoloon vindt plaats indien er sprake is van een voorlopige teruggaaf op grond van een andere heffingskorting dan de algemene en arbeidskorting.

Naast zuiver fiscale aftrekposten, zoals de inves­teringsaftrek en zelfstandigenaftrek, zijn er vele reële uitgaven die in de draagkrachtberekening zowel boven als onder de streep in aanmerking worden genomen. Gaat het daarbij om uitgaven die fiscaal nominaal aftrekbaar zijn, dus niet forfaitair, dan beveelt de werkgroep alimentatienormen van de NVvR aan te werken volgens het principe van ‘gelijkheid boven en onder de streep’. Dit is van belang wanneer bepaalde door de onderhoudsplichtige opgevoerde uitgaven niet ten laste van de draagkrachtruimte (‘onder de streep’) in aanmerking worden genomen. Volgens genoemd principe is het redelijk in dat geval ook de fiscale aftrekbaarheid (‘boven de streep’) van die uitgaven buiten beschouwing te laten. Zou de fiscale aftrek wel in aanmerking worden genomen dan zou immers de onderhoudsplichtige de ‘lasten’ van zijn uitgaven geheel alleen dragen en de ‘lusten’ daarvan (fiscaal voordeel) met de onderhoudsgerechtigde(n) moeten delen.

Voorbeelden van uitgaven waarbij het principe van gelijkheid boven en onder de streep een rol kan spelen zijn de premies voor pensioen- en arbeidsongeschiktheidsvoor-zieningen.

Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie

Te hanteren bijstandsnorm

 Voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen heeft onder meer tot gevolg dat bij de bepaling van de draagkracht geen rekening wordt gehouden met de nieuwe partner / echtgeno(o)t(e) / geregistreerde partner. De draagkracht kan dan ook volledig voor de (stief)kinderen worden aangewend. Gedachte hierachter is dat een partner in staat moet worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl dit van een kind niet kan worden verwacht.

Daarom dient voor de onderhoudsplichtige ouder de norm voor een alleenstaande te worden gehanteerd, ook als er (co-ouder- of stief-)kinderen in zijn gezin wonen, en dienen de kosten van alle kinderen uit zijn draagkracht te worden voldaan.

Noodzakelijke lasten

Tot de noodzakelijke lasten worden slechts die lasten gerekend, welke ten opzichte van het onderhoudsgerechtigde kind in ieder geval als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd, zoals:

Huwelijkse schulden
Omdat beide ouders veelal hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de huwelijkse schulden zal de praktijk zijn dat schuldeisers (doorgaans financiële instellingen) uiteindelijk toch verhaal zoeken op de onderhoudsplichtige ouder. Het verdient daarom de voorkeur om volledig rekening te houden met de aflossing op de huwelijkse schulden.

Kosten omgangsregeling
In beginsel wordt alleen rekening gehouden met de aan de omgangsregeling verbonden verblijfskosten, tenzij bijzondere omstandigheden worden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan het redelijk is om tevens rekening te houden met een bedrag aan reiskosten.

Werkelijke verwervingskosten
Voor zover redelijk, dient met de werkelijke en aangetoonde verwervingskosten rekening te worden gehouden.

Woonlasten
In beginsel wordt rekening gehouden met de volledige, voor zover redelijke, woonlast. In het geval dat de onderhoudsplichtige met een nieuwe partner samenwoont, dient rekening te worden gehouden met de helft van de totale woonlast, tenzij aangetoond wordt dat van de partner niet gevergd kan worden een zodanige bijdrage in deze woonlasten te leveren.

Premie ZVW
Rekening wordt slechts gehouden met de premie ZVW van de onderhoudsplichtige (dus niet voor de eventuele nieuwe partner).

Overige lasten

Bovenstaand overzicht is niet limitatief. In geval van zelfstandigen kan bijvoorbeeld ook rekening worden gehouden met een te betalen premie voor een pensioenvoorziening of een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Met de meeste, bij de vaststelling van partneralimentatie te accepteren overige lasten (waaronder kosten in verband met herinrichting en advocaatkosten), wordt echter geen rekening gehouden.

Draagkrachtpercentage

Teneinde de onderhoudsplichtige enige ruimte te laten om de lasten te kunnen voldoen waarmee bij de bepaling van zijn draagkracht geen rekening is gehouden en hem / haar een prikkel te verschaffen om te blijven werken, worden de draagkrachtpercentages voor zowel de netto als de bruto methode gesteld op 70%.

Draagkracht

De draagkracht wordt in beginsel gelijk verdeeld over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat. Ook kan van belang zijn of, en zo ja hoeveel, een bijdrage van derden ten behoeve van een kind wordt of kan worden verkregen.

Afwijking van het rekenmodel

In de volgende gevallen wordt afwijking van het rekenmodel aanbevolen.

Verwijtbaar, niet voor herstel vatbaar inkomensverlies onderhoudsplichtige.
Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven en tevens of dit van hem kan worden gevergd. Is het antwoord op beide vragen negatief dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of een inkomensver­mindering geheel of ten dele buiten beschouwing moet blijven. In het bijzonder moet worden bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomens­vermindering hebben geleid. Is dat niet het geval dan wordt er gerekend met het nieuwe verminderde inkomen; is dat wel het geval dan wordt met het oude fictieve inkomen gerekend. Het buiten beschouwing laten van de inkomens­vermindering mag er in beginsel niet toe leiden dat de onderhoudsplichtige, als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht, bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 90 % van de voor hem geldende bijstandsnorm.

Verpleging in een AWBZ instelling
Een onderhoudsplichtige die verpleegd wordt in een AWBZ-instelling is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Omdat deze bijdrage wordt vastgesteld met eerbiediging van rechterlijke alimentatiebeslissingen, verdient het in een dergelijk geval aanbeveling de draagkracht aldus te bere­kenen dat het netto inkomen van de onderhouds­plichtige uitsluitend wordt verminderd met zijn in die situatie noodzakelijke lasten, zonder rekening te houden met de AWBZ-bijdrage. Onder de noodzakelijke lasten valt dus niet de bijstandsnorm maar wel bijvoorbeeld kosten voor kleding en ontspanning die de verpleegde zelf moet betalen.

Schuldsanering

Partneralimentatie

Indien een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de schuldsanering uit hoofde van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, beveelt de werkgroep aan de geldende onderhoudsverplichtingen jegens andere onderhoudsgerechtigden dan kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt, desgevraagd voor de duur van de schuldsanering op nihil te bepalen, uiteraard slechts in die gevallen waarin voor het vrij te laten bedrag niet met die verplichtingen rekening is gehouden. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de rechtbank bij de toelating reeds heeft getoetst of die toelating gegrond is.

Kinderalimentatie

In het geval een onderhoudsplichtige ouder is toegelaten tot de schuldsanering, kan ervan worden uitgegaan dat het VLTB (vrij te laten bedrag) van die ouder is, dan wel zal worden verhoogd met de bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst vastgestelde kinderalimentatie, zij het per kind tot een maximum van het bedrag dat recht geeft op de persoonsgebonden aftrek als gevolg van de bijdrage in de onderhoudskosten van een kind (in 2012 € 136,- per maand). Deze aanbeveling geldt niet in het geval waarin de onderhoudsgerechtigde dan wel de rechthebbende ouder een Wwb-uitkering geniet. In dat geval is er geen reden af te wijken van het uitgangspunt dat de belangen van de overige crediteuren prevaleren boven die van de collectiviteit. Daarbij wordt eveneens ervan uitgegaan dat de rechtbank bij de toelating reeds heeft getoetst of die toelating gegrond is.

Eén ding is zeker, u wordt er altijd beter van:

  • Lukt het ons u een gunstiger alimentatie te berekenen, dan betekent dat direct voordeel voor u!
  • Lukt het ons niet om u een gunstiger alimentatie te berekenen, dan heeft u daarmee een bevestiging dat de huidige alimentatie of verhaalbijstand correct is vastgesteld of overeengekomen.

Vragen of advies? bel: 074 – 250 72 73

Share