Behoefte

  • Zoals u hierna zult lezen, komt er bij het bepalen van de behoefte, nogal wat kijken. Het is een aandachtspunt waarover u eerder niet hoefde na te denken en dat kan natuurlijk voor onrust zorgen. Daarnaast spelen de emotionele aspecten uiteraard ook nog een rol.
  • Tremanormen.nl kan u tijdens dat proces bijstaan op juridisch, financieel en fiscaal gebied. Neem gerust kosteloos telefonisch op 074 – 250 72 73 of per email contact met ons op voor een vrijblijvend oriënterend gesprek òf wanneer u concrete vragen hebt, of het antwoord op uw vraag op deze site niet hebt kunnen vinden. Zo krijgt u op het praktische vlak in ieder geval alvast een stuk rust en zekerheid terug.

Partneralimentatie

Medebepalend voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde is de welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk (geregistreerd partnerschap) hebben geleefd. Voorts zijn alle relevante omstandigheden van belang, waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk, aan de hand waarvan voor wat betreft de kosten van levensonderhoud het inkomensniveau kan worden bepaald waarop de onderhoudsgerechtigde na beëindiging van het huwelijk in redelijkheid aanspraak kan maken. Afhankelijk van de omstandigheden zal ook de mogelijkheid tot vermogensvorming in beginsel een rol spelen bij het beoordelen van de welstand waarin de echtelieden hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens over de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige globaal te schatten uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

Werkelijke of fictieve (in redelijkheid te verwerven) eigen inkomsten van de onderhouds­gerechtigde, ook die uit vermogen, verminderen de alimentatiebehoefte. Onder omstandigheden kan het redelijk zijn te verlangen op dit vermogen in te teren. Een inkomensvermindering van de onderhoudsgerechtigde mag bij de bepaling van diens behoefte slechts dan buiten beschouwing worden gelaten indien de onderhoudsgerechtigde uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhouds­plichtige zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van gedragingen die tot die inkomensvermindering hebben geleid. Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samenleven als ware men gehuwd’ of ‘als ware men geregistreerd partner’ kan behoefteverlagend werken. De behoefte van de onderhoudsgerechtigde kan mede omvatten de premie voor een voorziening na overlijden van de onderhoudsplichtige (artikel 1: 157 lid 2  BW). Een recht op huurtoeslag is van aanvullende aard en dient bij het bepalen van de behoefte geen rol te spelen. Kosten voor rechtsbijstand kunnen de behoefte beïnvloeden als daarvoor een schuld is aangegaan.

Aan de hand van het rekenmodel voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen, kan men tevens de minimumbehoefte van de onderhouds­gerechtigde bepalen. Tot die minimumbehoefte zijn dan de strikt noodzakelijke lasten te rekenen, net zoals bij de onderhoudsplichtige: de bijstands­norm voor de kosten van levensonderhoud, een redelijke woonlast, de premie zorgverze­keringswet (hierna: ZVW) en andere noodzakelijke lasten. Lasten die meer tot de luxe uitgaven zijn te rekenen die men tijdens het huwelijk gewend was – voor zover die in de gegeven situatie redelijk zijn en dan deel uitmaken van de totale behoefte – zoals een auto, kan men, net als bij de onderhoudsplichtige, beter niet tot deze minimumbehoefte rekenen. Deze uitgaven dienen te worden bestreden uit de zogenaamde ‘vrije’ ruimte die resteert na aftrek van het draagkrachtloos inkomen. Dit betekent dat de ‘vrije’ ruimte zodanig moet zijn dat daarmee de extra lasten, dat wil zeggen het deel van de behoefte dat uitstijgt boven de minimum behoefte, kunnen worden betaald.

De bepaling van de behoefte aan partneralimentatie is maatwerk. In standaardgevallen is het echter mogelijk de netto behoefte van de onderhoudsgerechtigde te berekenen aan de hand van een vuistregel die ervan uitgaat dat het besteedbaar gezinsinkomen, na aftrek van de kosten van kinderen, beschikbaar was voor de kosten van levensonderhoud van beide partijen. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner, wordt de helft van het te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan dan gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen (te bepalen zonder rekening te houden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente, premie lijfrente, premie arbeidsongeschiktheidsverzekering e.d., en, indien berekend volgens de bruto methode: na aftrek van de door werkgever of uitkeringsinstelling vergoede inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, verminderd met de kosten van de kinderen (doorgaans berekend volgens de tabel kosten kinderen). De uitkomst kan zo nodig gecorrigeerd worden met het oog op redelijke lasten van de onderhoudsgerechtigde na de scheiding.

Kinderalimentatie

Behoefte aan kinderalimentatie

Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is in samenwerking met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting een systeem ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in het rapport ‘Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie’, voor het eerst gepubliceerd in Trema 1994, p. 127 e.v..

Terminologie

De Expertgroep Alimentatienormen hanteert de volgende terminologie:

  • kosten van een kind: het totaal per maand aan het kind bestede bedrag;
  • eigen aandeel ouders in de kosten van het kind: dat deel van de kosten dat door de ouders per maand uit hun eigen inkomen (dus zonder bijtelling van de kinderbijslag) wordt bestreden; dat zijn dus de hiervoor bedoelde kosten van kinderen minus de kinderbijslag en het kindgebonden budget;
  • behoefte aan kinderalimentatie: dat deel van de kosten van een kind dat niet door de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de financiële bijdrage van de verzorgende ouder kan of behoeft te worden bestreden.

Uitleg van het systeem

Blijkens CBS-onderzoek besteden ouders een bepaald percentage van het gezinsinkomen aan hun kinderen. Uit dat onderzoek blijkt voorts dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. De in het rapport kosten kinderen van 1994 genoemde percentages, gebaseerd op onderzoek van het CBS in de periode 1990 – 1995, bedragen met ingang van 1 januari 2006 voor 1, 2, 3 en 4 kind(eren) respectievelijk 17, 26, 33 en 40% van genoemd gezinsinkomen plus kinderbijslag. Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat die percentages thans significant zijn gewijzigd. Voor de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen is de kinderbijslag van de gevonden kosten afgetrokken.

De aldus verkregen gegevens zijn verwerkt in de tabel die in de bijlage ‘tarieven en tabellen’ is opgenomen en die jaarlijks wordt aangepast.

Volgens de tabel wordt bij hetzelfde inkomen het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen lager naarmate er meer kinderen zijn en naarmate de kinderen ouder worden. Dit wordt veroorzaakt doordat de kinderbijslag per kind stijgt naarmate er meer kinderen zijn en naarmate zij ouder worden, terwijl de gemiddelde kosten per kind dalen naarmate er meer kinderen zijn en doordat de leeftijd niet bepalend is voor de uitgaven voor de kinderen.

Het gebruik van de tabel eigen bijdrage kosten van kinderen

a) Het inkomen

Met ‘inkomen’ in de tabel is bedoeld het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk (de relatie), dus van beide ouders opgeteld, dan wel na de (echt)scheiding het netto inkomen van de ouder(s) afzonderlijk, dus niet bij elkaar opgeteld, ingeval dit inkomen het voormalige gezinsinkomen te boven gaat. Dit netto inkomen dient volgens de thans geldende alimentatienormen te worden bepaald: afhankelijk van het soort inkomen volgens de bruto of netto methode. Indien de bruto methode wordt gebruikt, dient het gevonden netto besteedbare inkomen te worden verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente en de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

Toelichting

De tabel is ontworpen om bij de vaststelling van kinderalimentatie te beschikken over eenduidige richtlijnen voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen aan een bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding door de niet-verzorgende ouder. Zolang ouders niet gescheiden zijn, is het gezinsinkomen bepalend voor de uitgaven die ten behoeve van het kind worden gedaan. Dit gezinsinkomen moet dan ook de maatstaf zijn bij het hanteren van de tabel, ook na de (echt)scheiding. Dit impliceert een duidelijke keus: de kinderen moeten in beginsel niet slechter af zijn na en door de (echt)scheiding van hun ouders.

Hoewel de tabel ziet op kosten van minderjarige kinderen beveelt de Expertgroep Alimentatienormen aan om in het geval dat op het moment van de scheiding één of enkele tot het gezin behorende kinderen jongmeerderjarig zijn en de/het andere(n) minderjarig, uit te gaan van de situatie dat alle kinderen minderjarig zijn. Bepalend is immers wat normaliter voor alle kinderen werd uitgegeven.

Bij het hanteren van de tabel moet niet uit het oog worden verloren dat deze slechts bedoeld is om als toetssteen te dienen voor hetgeen de kinderen kosten. Pas bij de berekening van de draagkracht zal blijken of de gevonden draagkracht oplegging van het gevonden ‘eigen aandeel’ als alimentatie toelaat. Als beide ouders inkomen hebben kan een draagkrachtvergelijking worden gemaakt.

De werkgroep heeft in de najaarsvergadering van 2005 besloten te adviseren om de in de tabel bij het rapport opgenomen bedragen te extrapoleren tot een netto gezinsinkomen van € 5.000 per maand. De tabel is in dat verband aangepast. De werkgroep gaat ervan uit dat de uit onderzoek blijkende percentages van het inkomen die aan de kosten van de kinderen worden besteed, tot aan het genoemde gezinsinkomen met een grote mate van waarschijnlijkheid ook nog gelden.

Verlaging of wegvallen van een inkomen na de (echt)scheiding behoort, op grond van het hiervoor gekozen uitgangspunt dat het welvaartsniveau ten tijde van de (echt)scheiding in beginsel bepalend is voor de kosten van de kinderen, op die kosten geen invloed te hebben. Wel kan een dergelijke wijziging gevolgen hebben voor de draagkracht om een bijdrage in de kosten te betalen.

Verhoging van het inkomen van een ouder voor zover dit hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk behoort in beginsel wel invloed uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte: indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven. Voor het geval het inkomen van een ouder het voormalige gezinsinkomen overschrijdt, is daarom dat hogere inkomen de maatstaf voor de bepaling van de kosten van de kinderen.

De behoefte van een kind dat nooit in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd, wordt bepaald aldus, dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere (de inkomens dienen dus niet bij elkaar te worden opgeteld!). De aldus gevonden behoefte kan vermeerderd worden met de netto kosten van kinderopvang, dus na aftrek kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in die kosten door een werkgever. Als het om een eerste vaststelling gaat en de ouder bij wie het kind woont nog niet de beschikking heeft over een bijdrage van de andere ouder, kan volstaan worden met een globale schatting van de kosten van het kind.

b) Correcties voor bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle normale kosten zoals die voor voeding en kleding begrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen.

In welke gevallen de tabelbedragen (naar boven toe) moeten worden bijgesteld, kan slechts in globale termen worden aangegeven omdat allerlei kosten/activiteiten uitwisselbaar zijn. Wanneer bijvoorbeeld in de kosten van kinderen een bepaald bedrag begrepen is voor ‘ontspanning’, dan kan dat bedrag op verschillende manieren worden ingevuld: van voetbal tot paardrijden of van computergame tot vioolles. Voorts blijkt dat hogere uitgaven aan de ene uitgavenpost samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin meer dan gemiddeld aan kleding besteedt, behoeft dat niet te betekenen dat er voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Gebleken is dat men zich hiervoor bezuinigingen getroost op een andere post.

Correctieposten betreffen dus kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd en welke bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. Voorbeelden van kosten die volgens de werkgroep in aanmerking komen voor correctie zijn de kosten van een gehandicapt kind, kosten van topsport, privé-lessen en extra hoge schoolgelden. Volgens de tekst van het rapport ‘Kosten van kinderen’ behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS is echter gebleken dat bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten c.q. kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Als er sprake is van een alleen­staande ouder leiden hoge oppaskosten echter wel tot in totaal hogere kosten van kinderen. Daarom beveelt de werkgroep thans aan in geval er sprake is van een alleenstaande ouder met hoge kosten van kinderopvang, allereerst de desbetreffende kosten vóór de scheiding af te trekken van het netto besteedbaar gezinsinkomen en uitgaande van het dan resterende gezinsinkomen de behoefte van de kinderen te berekenen aan de hand van de tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen. Vervolgens kan de behoefte worden vastgesteld door de werkelijke kosten van kinderopvang na de scheiding (dus na aftrek van de kinderopvangtoeslag en de werkgeversbijdrage in die kosten) op te tellen bij het in de tabel gevonden bedrag.

c) Eigen inkomsten van de rechthebbende

Indien de verzorgende ouder als rechthebbende ter zake van de kinderalimentatie zelf inkomsten geniet, ligt het voor de hand aan die ouder een aan de eigen draagkracht naar rato aangepast aandeel in de kosten van de kinderen toe te rekenen. Bij de bepaling van dit aandeel moet rekening gehouden worden met eventuele andere relevante omstandigheden (zie ook hoofdstuk 5.4).

d) Hoger aanbod

De tabel geeft een richtlijn voor de bepaling van de redelijkerwijs in de desbetreffende inkomensklasse te maken kosten voor kinderen. De werkgroep acht deze richtlijn realistisch en beveelt daarom het gebruik ervan aan. Dit neemt natuurlijk niet weg dat ouders hogere bedragen kunnen overeenkomen.

Jongmeerderjarigen

Voor de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarigen, meestal studerenden die een uitkering in het kader van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF) ontvangen, zijn nog geen maatstaven ontwikkeld.

De WSF geeft de student recht op een basisbeurs en een OV-studentenjaarkaart onafhankelijk van het inkomen van de ouders. Afhankelijk van het inkomen van de ouders kan een student aanspraak maken op een aanvullende beurs. Ten slotte kan een student ongeacht het inkomen van de ouders aanspraak maken op een rentedragende lening welke, gelet op de terugbetalingsverplichting, niet als behoefteverlagend dient te worden beschouwd.

De WSF-norm voor studenten is in verschillende posten onderverdeeld. Deze posten zijn: levensonderhoud, premie ZVW, studiekosten (boeken, schrijfmaterialen, etc.) en onderwijsbijdrage (collegegeld, etc.). Het lijkt raadzaam voor de behoeftebepaling van studerende kinderen hierbij aansluiting te zoeken. Juist omdat deze norm in posten is onderverdeeld, is het voor studerenden eenvoudig aan te tonen dat zij voor een bepaalde post een hoger budget nodig hebben. Overigens stellen zij veelal zelf hun behoefte op het bedrag van de in het kader van de WSF bepaalde, niet rechtens afdwingbare, ouderbijdrage.

Eén ding is zeker, u wordt er altijd beter van:

  • Lukt het ons u een gunstiger alimentatie te berekenen, dan betekent dat direct voordeel voor u!
  • Lukt het ons niet om u een gunstiger alimentatie te berekenen, dan heeft u daarmee een bevestiging dat de huidige alimentatie of verhaalbijstand correct is vastgesteld of overeengekomen.

Vragen of advies? bel: 074 – 250 72 73

Share