Beëindiging partneralimentatie; verlenging termijn.

Bron en volledige beschikking: LJN: BX2402, Gerechtshof Arnhem , 200.095.877

Partijen zijn op 30 juni 1978 met elkaar gehuwd. De rechtbank `s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 16 juli 1999 echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 13 augustus 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ƒ 3.050,- per maand zal voldoen, met inachtneming van hetgeen partijen zijn overeengekomen in het echtscheidingsconvenant. Daarin is overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 1999, na levering van de echtelijke woning aan een derde, een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van f 5.750,- bruto per maand. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 3.502,93 per maand.

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 9 maart 2011, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud te verlengen van 13 augustus 2011 tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man. Daarbij stelt de vrouw voor dat, ter overbrugging tot het moment dat zij zowel een AOW-uitkering ontvangt als haar deel in het ouderdomspensioen van de man, de alimentatie jaarlijks met € 1.200,- wordt verminderd met ingang van [geboortedatum] 2011 en dat de door haar ontvangen uitkeringen (flexpensioen, AOW, ouderdomspensioen) in mindering worden gebracht op de door de man verschuldigde alimentatie.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen.

Het hof overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, LJN BF3928, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:
– in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat   redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;
– de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;
– de verwachting van partijen toen zij huwden;
– de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de terugval in inkomen van de vrouw na ommekomst van de twaalf jaren termijn ingrijpend is, aangezien zij na afloop van die termijn zal zijn aangewezen op een uitkering op bijstandsniveau. Net als de rechtbank zal het hof hiervan uitgaan.

Nu uit het voorgaande volgt dat de beëindiging van de onderhoudsverplichting ingrijpend is, dient het hof te bezien of de vrouw bijzondere omstandigheden stelt en aantoont, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van 12 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhoor ter mondelinge behandeling is het volgende gebleken. De vrouw heeft een Havo en assurantie B diploma. Daarnaast heeft zij een opleiding tot medisch secretaresse gevolgd. In de periode van 1972 tot 1978 heeft zij achtereenvolgens bij de Amro-bank en als medisch secretaresse gewerkt. Na het huwelijk van partijen in 1978 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam A] en heeft de vrouw tot 1980 voor het Ministerie van Economische Zaken gewerkt. Na de geboorte van de kinderen in 1980 en 1981 zijn zij verhuisd naar [plaatsnaam B]. De vrouw heeft van 1984 tot 1990 gedurende 15 uur per week gewerkt bij een financieel adviesbureau. In 1990 zijn partijen verhuisd naar [woonplaats vrouw]. Sedertdien heeft de vrouw niet meer gewerkt. In 1993 is de buurman van partijen vermoord. In 1998 zijn partijen gescheiden gaan wonen. Na de echtscheiding in 1999 is de vrouw verhuisd naar een eigen woning. De kinderen zijn in 1997 en 2000 op zichzelf gaan wonen. De vrouw heeft een drankprobleem en heeft in de periode 1997-2001 hele perioden niet bewust meegemaakt. Zij is in 2001/2002 gedurende zeven weken opgenomen geweest op een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Tevens is zij in die periode korte tijd opgenomen geweest in de crisisopvang en wegens een kniebreuk. Vanwege het drankprobleem heeft de vrouw in 2003 gespecialiseerde thuiszorg ter ondersteuning en begeleiding gekregen. Bij de vrouw is voorts de diagnose COPD gesteld. In 2007 is aan de vrouw een WMO-indicatie voor thuishulp verleend.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw verlengen en wel met ingang van 13 augustus 2011 tot [geboortedatum] 2019 als de vrouw 65 jaar wordt. Daarbij zal het hof bepalen dat deze termijn na ommekomst niet opnieuw kan worden verlengd. Het hof neemt daarbij in aanmerking de duur van de periode gedurende welke de man, na ommekomst van deze termijn, te weten 20 jaar, aan deze alimentatieverplichting zal hebben voldaan, tegenover de duur van het huwelijk, te weten 21 jaar, alsmede de mate waarin de behoefte van de vrouw aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk. Anders dan de vrouw acht het hof voor deze periode een bijdrage van € 2.250,- bruto per maand, met uitsluiting van de wettelijke indexering, mede gezien haar lasten, in overeenstemming met haar huidige behoefte. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking het feit dat de man niet heeft gesteld dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

Share

Auteur: tremanormen.nl

Specialist in het berekenen van kinderalimentatie, partneralimentatie, draagkrachtvergelijking en behoefteberekeningen